Ynske schrijft

Ynske Boersma +31645192530

blancodesign

Hoe gaat het nu met Cuba?

'Strijder voor de revolutie.’
 
Dat staat op het beduimelde pasje dat Emilio Terrero (75) tevoorschijn haalt in een vissersdorp aan de oostkust van Cuba. Vijftig jaar bracht hij door op zee, vissend voor de Cubaanse staat. Hij maakte het allemaal mee: de dictatuur van Batista,  de revolutie waarmee Fidel Castro Batista’s regime omverwierp en de socialistische republiek die hij vervolgens op Cuba installeerde. Het waren tijden van hoop en voorspoed voor Terrero’s familie, die onder Batista in diepe armoede had geleefd.
‘Maar van het socialisme is weinig meer over,’ zegt Terrero gelaten. Nu is hij met pensioen en brengt hij zijn dagen door op deze veranda in Boca de Miel, zittend op een houten schommelstoel, zijn voeten gestoken in twee verschillende badslippers. Zijn gehele pensioen van omgerekend 8 euro per maand gaat op aan eten en medicijnen. ‘Het is een strijd. Maar om te overwinnen mogen we de strijd niet opgeven.’
 
Terrero lijkt een reliek uit het verleden. Buiten de wereld van zijn vissersdorp zijn grote veranderingen gaande, ingezet door het regime van de Castro’s zelf. Sinds Raúl Castro zijn broer Fidel opvolgde in 2008, zette hij een reeks hervormingen in gang om het economisch in zwaar weer verkerende Cuba uit het slop te trekken. De inefficiënte Cubaanse planeconomie werd deels geliberaliseerd, reisbeperkingen voor de Cubanen opgeheven én de onbetaalbaar geworden socialistische verzorgingsstaat werd hervormd. Dat alles zonder de totale politieke controle van de eenpartijstaat uit handen te geven. 
 
En zelfs de ‘imperialistische vijand’ is terug in beeld. Anderhalf jaar geleden kondigden de presidenten Raúl Castro en Barack Obama een herstel van de diplomatieke banden tussen de twee landen aan. Het bleef niet bij woorden. Het Amerikaanse handelsembargo tegen Cuba werd versoepeld, reisbeperkingen deels opgeheven en politieke gevangenen over en weer uitgewisseld. Daarbij mogen Cubanen in de VS nu grotere sommen geld naar hun familieleden sturen. Ambassades werden heropend, en maart dit jaar was Obama de eerste Amerikaanse president sinds de revolutie om een bezoek te brengen aan Cuba.
De resultaten zijn al merkbaar. Buitenlandse investeerders staan te dringen om hun graantje mee te pikken van de verwachte ontwikkeling van het economisch bijna ongerepte eiland. Het toerisme, Cuba’s voornaamste inkomstenbron, explodeerde het afgelopen jaar met een recordaantal van 3,1 miljoen bezoekers. 17 procent meer dan het jaar ervoor, schreef Cubaanse staatskrant Granma.
 
Maar wat merken de ‘gewone Cubanen’ van deze veranderingen? Is hun leven er beter op geworden? Hoe bezien zij de politieke en economische ontwikkelingen en wat verwachten ze van de toekomst? Met deze vragen in mijn hoofd vertrok ik voor drie weken naar Cuba. Op straat, in de particuliere B&B’s waar ik verbleef, in de collectieve taxi, kippenbus of in het café, overal bleken de Cubanen gretige gesprekspartners. Met uiteenlopende verhalen tot gevolg.
 
‘Verandering door de verbeterde relatie met de Amerikanen? Was het maar waar!’ verzuchten René (31) en Argelio (32) in een cafetaria in het noordoostelijke Gibara. René werkt achter de bar van het café, voor 25 Cubaanse peso’s (1 euro) per dag. Argelio werkt in een cultureel centrum van de overheid, voor nog minder. Je kan ervan eten, maar meer ook niet, zeggen de twee vrienden. Ze willen niet met hun achternamen in dit verhaal.
 
‘Degenen die profiteren van de verbeterde relatie met Amerika zijn dezelfden als altijd,’ zegt Argelio. ‘Politiek is zakendoen, met ideologie heeft het niets te maken. De overheid heeft geld nodig, daarom gooien ze de grenzen open voor investeerders. En van alle extra inkomsten door het toerisme gaat het merendeel naar de staat, die het grootste deel van de toeristenindustrie runt. Maar voor de werkende klasse verandert er niets. Wij verdienen nog steeds even weinig. Het is overleven.’
 
Inderdaad wordt het grootste deel van de Cubaanse toeristenindustrie gerund door el Grupo de Administración Empresarial (GAESA,) een concern  van minstens 57 grote bedrijven in handen van het Cubaanse leger. Het concern zou goed zijn voor 50 tot 80 procent van de bedrijfsopbrengsten in Cuba. Het concern wordt gerund door Raúl Castro’s schoonzoon Luis Alberto Rodriguez, een generaal uit het Cubaanse leger. Dezelfde Rodriguez is de baas over de nieuwe vrijhandelszone Mariel, waar de komende jaren honderden buitenlandse bedrijven een vestiging moeten openen.
 
René en Argelio zijn wat politiek betreft nog sceptischer. ‘Er zal niets veranderen. Cuba is en blijft een eenpartijstaat, of beter gezegd: een dictatuur. Wat dit land echt nodig heeft, is een nieuwe revolutie, één om het regime van de Castro’s te laten vallen. Maar dat durft niemand hardop te zeggen. Oppositie voeren is onmogelijk, elke kritiek op het regime wordt als een aanval op de waarden van de revolutie beschouwd en daarvoor ga je de gevangenis in. Het vormen van verenigingen met andere politieke ideeën is verboden. Van hen kunnen we simpelweg niet winnen,’ zegt Argelio.
Toch zien ze wel verbeteringen. Het internet dat sinds kort in alle steden aanwezig is, is weliswaar duur (twee dollar per uur), maar we hebben nu tenminste wel toegang, zegt René. ‘Het is iets.’
 
Een nieuwe caféganger, Pasi, mengt zich in het gesprek. ‘Maine, USA,’ meldt zijn petje. Hij is een van de naar de VS geëmigreerde Cubanen die met de nieuwe regeling voor vertrekkers uit 2012 mag terugkeren mét behoud van zijn Amerikaanse nationaliteit. Nu leeft hij comfortabel van zijn Amerikaanse spaargeld. Pasi, die zijn achternaam niet wil zeggen: ‘De Cubanen die vertrokken naar het buitenland nemen doorgaans veel geld mee terug. Raúl is een stuk pragmatischer dan Fidel, die de emigranten als ‘wormen’ bestempelde. Cubanen gaan weg om de economie, meer dan om de politiek. Maar uiteindelijk willen ze weer terug naar waar ze vandaan komen.’
 
‘De regering had geen andere keus dan het aanhalen van de banden met de VS,’ zegt Yoel (33), flamencoleraar in Santiago de Cuba. ‘Nadat ze tientallen jaren het verhaal hebben verteld van de boze imperialistische vijand, wil de jongere generatie zelf uitzoeken hoe het daar is. Zouden de Castro’s de grenzen gesloten houden, dan zou op den duur een nieuwe revolutie zijn uitgebroken.’ Ook Yoel wil niet met achternaam genoemd worden, ook zijn uitspraken doe je beter niet hardop in Cuba.
Ook al is de economie sinds de verbeterde relatie met Amerika met 4,7 procent 
gegroeid, voor veel Cubanen kunnen de economische ontwikkelingen niet snel genoeg gaan. Ze willen meer welvaart en meer toekomstperspectief dan het socialistische Cuba ze te bieden heeft. ‘De transitie naar een kapitalistische consumptiemaatschappij is niet meer te stoppen,’ zegt Yoel. ‘We denken als bewoners van dit derdewereldland: we willen merkkleding, technologie en auto’s, maar die kunnen we ons bijna niet veroorloven. Ik denk dat in tien jaar niets over zal zijn van wat je nu ziet.’
 
Wie een paar dagen over het eiland reist, begrijpt wat Yoel bedoelt. De ijswinkels van de staat hebben hooguit drie smaken (‘soms hebben ze chocola,’ zegt iemand die ook in de rij staat), het eten in de staatsrestaurants is inspiratieloos en achter de geblindeerde ruiten van de staatswinkels is het aanbod beperkt en voor de meeste Cubanen niet te betalen.
 
De meesten die ik spreek, zijn daarom wel blij met de nieuwe relatie met de noorderburen. ‘Cuba is een eiland en daarom altijd afhankelijk geweest van de relatie met andere landen,’ zegt econome Lianne Rodriguez (40), uit Santiago de Cuba. ‘Met de opening kan Cuba nieuwe investeerders aantrekken, dat is goed voor onze economie. Maar pas als de VS het handelsembargo helemaal opheffen, zullen de Cubanen er echt iets van merken.’
 
Sinds Fidel Castro in 2011 economische hervormingen doorvoerde, werken ongeveer 1 miljoen Cubanen in de particuliere sector - één vijfde van de totale werkzame bevolking. Een van hen is Yuri (40). Tot voor kort werkte hij in een staatsslagerij voor zo’n 12 dollar per maand. Nu runt hij vanuit zijn huis in het centrum van Havana een van de kleine geïmproviseerde cafeetjes zoals je die nu overal op Cuba tegenkomt. Vanuit zijn raam serveert hij kleine kopjes koffie uit een thermoskan, broodjes en frisdrank.
 
Maar de overheid maakt het kleine zelfstandigen niet makkelijk. ‘Er zijn veel bureaucratische hindernissen,’ zegt Yuri. ‘Voor elke kleine uitbreiding moet betaald worden. Als ik spaghetti wil serveren, heb ik een andere vergunning nodig dan voor hamburgers. Daarbij mag ik alleen de dure producten van de staat inkopen en zijn mijn prijzen vastgesteld door de overheid. Daarom kan ik nauwelijks winst maken.’
De nieuwe relatie met de Amerikanen doet hem weinig. ‘Het zorgt ervoor dat er meer geld binnenkomt, vooral in het toerisme. Maar voor de gewone man verandert er niets.’
 
Sterker nog: de sociaal-economische verschillen worden alleen maar groter. ‘In theorie zijn we allemaal gelijk in Cuba, maar in de praktijk zijn er grote inkomensverschillen tussen wie nationale peso’s en wie inwisselbare peso’s verdient, of geld krijgt uit het buitenland,’ zegt Yoel. ‘Met de opening met de VS zullen die verschillen groter worden.’ 
 
Daarbij zijn de verworvenheden van de socialistische verzorgingsstaat op hun retour. De gratis huizen voor arme Cubanen zijn grotendeels verleden tijd, waardoor jongeren noodgedwongen bij hun ouders blijven wonen. Het sterk gesubsidieerde openbaar vervoer is zo overbelast dat de meesten met het duurdere particulier vervoer moeten reizen. En zelfs de gratis zorg is niet zo heel erg gratis, hoor ik van vele kanten. De dokter wordt zo slecht betaald, dat hij prioriteit geeft aan de patiënten die hem wat extra’s toestoppen.
 
‘Onze regering is een socialistische gever, en een kapitalistische nemer,’ vat Lazaro (60) samen. Hij is eigenaar van een particuliere B&B in Havana, en runt daarnaast een clandestiene tandartspraktijk in zijn badkamer. ‘Als tandarts verdiende ik 20 dollar per maand. Je kan nog beter koffers gaan inladen bij een hotel, dan krijg je alleen aan fooien al meer. Nu krijg ik een pensioen van 15 dollar per maand, daar kan niemand van rondkomen. Het grootste probleem van Cuba is de economie. Jongeren zijn wanhopig, ze zien hier geen toekomst. Ik hoop dat dat met de opening naar de VS gaat veranderen. Maar of daarmee de verworvenheden van het socialisme – gratis zorg en onderwijs, en bijstand voor de armen - behouden kunnen blijven, dat is de vraag.’
 

 

17-05-2016, De Correspondent