Ynske schrijft

Ynske Boersma +31645192530

blancodesign

Ecuador ontsluierd

'Ayahuasca, ayahuasca, espiritu santooo!’bezweert de sjamaan. Hij pakt een plastic fles met een ondefinieerbaar goedje van het altaar, neemt een ferme slok en sproeit dan vol overgave over zijn te reinigen discipel heen. Pssst! De sjamaan schreeuwt, onverstaanbare klanken in de nacht. Plots begint het altaar te trillen, gevolgd door een schril geluid. De sjamaan kijkt vertwijfeld. Niet de heilige geest maar een luid rinkelende Nokia vraagt zijn aandacht. Dan grijpt hij zijn telefoon van de offertafel en verlaat het toneel.
 
Fotograaf Elaine en ik slaan het tafereel gade. We zijn bij de Tsa'chilas, een inheemse stam in de gelijknamige Ecuadoraanse provincie, in het tropisch woud tussen de bergen en de kust. De Tsa'chilas staan beter bekend als Los Colorados, de Roodhuiden, vanwege de rode kleurstof waarmee de mannen hun haren insmeren. Twee eeuwen geleden dreigde de gehele stam te worden uitgevaagd door een mazelenepidemie, meegebracht door de Spanjaarden. Ten einde raad wendde de stamleider zich tot de geesten, die hem vertelden hun lichamen in te smeren met het rode sap uit de zaden van de achioteplant. De epidemie stopte, en als eerbetoon verven de mannen vandaag de dag nog steeds hun haren met de
natuurlijke kleurstof.
 
Ook andere aspecten van het uiterlijk van de Tsa'chilas zijn opvallend. Mannen en vrouwen dragen niet veel meer dan een gestreepte omslagdoek om hun heupen. Op hun lichaam tekenen ze zwarte strepen, kruisjes en stippen, die het gevaar
op afstand zouden houden. Ander handelsmerk van de Tsa'chilas zijn hun sjamanistische rituelen, met een hallucinerend drankje genaamd ayahuasca, gemaakt van een plant uit het woud. Het brouwsel, dat behalve een geestverruimend ook een sterk misselijkmakend en laxerend effect heeft, zou helpen bij de spirituele reiniging van lichaam en geest.
 
Vanavond krijgen we dat van dichtbij te zien. Zelf houdt de Tsa'chilagemeenschap maar twee keer per jaar een ayahuascaritueel, maar voor wie graag de
strijd aangaat met zijn demonen organiseren ze op aanvraag ceremonies. Ook wij kunnen meedoen, maar daar besluiten we vanaf te zien − ayahuasca is niet iets wat je even tussendoor neemt, gezien de sterke mentale en fysieke effecten die het kan hebben. En dus kijken we naar een tiental stamleden die in de rij staan voor een dosis van het brouwsel. De sjamaan, stamhoofd José, spreekt ons
toe in het Tsa'fiki, wappert met rook en vraagt ons elkaars handen vast te pakken. In een kringetje staan we rond het rokende hout. Ik vraag me af in hoeverre ik dit nu serieus moet nemen. Dat meerdere telefoons beginnen te rinkelen, helpt niet echt. Daarentegen horen we vervolgens tot diep in de nacht geschreeuw. Nelson, de zoon van José, verklaart de volgende ochtend dat hij kort na zijn portie in de bosjes verdween om over te geven. Hij had malas visiones. Wat die waren mag hij niet zeggen − erover praten zou het effect van de reiniging verstoren.
 
Sinds een jaar of vijftien laten de Tsa'chilas toeristen toe in hun gemeenschap. Naast het ayahuascaritueel krijgen we te zien hoe met het rode sap van achiotezaden het haar van een Tsa'chila-dreumes in de verf wordt gezet en we leren over de medicinale werking van de planten uit het bos. ‘Voor extra
inkomsten, maar vooral om te laten zien wat onze cultuur is,’ zegt José. Hij wijst naar zijn roodgeverfde kuif en blauwwitte omslagdoek. ‘Ik ben geboren als een Tsa'chila, en daar ben ik trots op. Ik schaam me er niet voor om zo naar de stad te
gaan.’ Hij trekt wel een T-shirt aan, dat dan weer wel. Maar voor zijn kinderen is dat anders. Zij willen studeren, een ander leven leiden dan hun ouders. Slechts acht van de ongeveer honderd resterende Tsa'chila-families in Ecuador willen nog
leven volgens de oude tradities, leren we van José. ‘Het leven is moeilijker geworden. Vroeger leefden we van jagen en vissen, hadden we veel land. Maar ons land moesten we inleveren, en de rivier is nu vervuild. De mensen zien het moderne leven, zijn daar gewend aan geraakt. Maar onze cultuur moet
behouden worden. Ik moet er niet aan denken dat die straks niet meer bestaat.’
 
Natuur versus iPhones
 
Onze volgende bestemming ligt aan de andere kantHier zijn we te gast bij de Añangu, een Kichwaindianengemeenschap die in het regenwoud van
nationaal park Yasuní twee ecolodges runt. Om er te komen stappen we in een gemotoriseerde kano, voor een tocht van tachtig kilometer stroomafwaarts
op de Naporivier naar de noordgrens van het reservaat. Yasuni is om meerdere redenen een bijzonder gebied. Je vindt er meer leven dan waar dan ook op aarde, zeggen biologen − een gevolg van zijn ligging op de kruising van de Andes, Amazone en evenaar. Het is er daardoor altijd warm, vochtig en zonnig, met af en toe een flinke plensbui. En dat vindt de natuur fijn. Om een idee
te geven: op één hectare van het reservaat, dat een kwart van Nederland zou beslaan, telden onderzoekers zo’n honderdduizend verschillende insecten en 644 boomsoorten, meer dan in alle Verenigde Staten bij elkaar. Je vindt er de majesteitelijke, tot wel zeventig meter hoge kapokbomen, zeldzame reuzenotters, talloze varianten boomkikkers, sprinkhanen en vlinders, apen, piranha’s en kaaimannen.
 
Maar er is meer. Kort nadat we de Napo zijn opgevaren doemen twee groteske vlammen op aan de horizon, tegen de achtergrond van de groene jungle. ‘Dat zijn de gasbranders van de oliemaatschappijen,’ verklaart onze gids Remigio, geboren
en getogen in Yasuni. ‘Al twintig jaar verdwijnt hier het vrijkomende gas van de olie die op verschillende plekken aan de randen van het reservaat uit de grond wordt gehaald, 24 uur per dag.’ Hij wijst naar de gasbrander. ‘Als ik in de nacht met
een klein zaklampje schijn dan trek ik al vele insecten aan. Probeer je eens voor te stellen hoeveel dieren op een enorme vlam als deze afkomen? De hitte doet elke dag honderdduizenden insecten verbranden. Daardoor sterven weer andere bloemen en planten uit, die door deze insecten worden bestoven.’
 
Tot voor kort werd alleen buiten de grenzen van het park naar olie geboord, maar ruim een jaar geleden besloot president Rafael Correa om ook een afgelegen gebied binnen het reservaat te exploiteren. Het voortbestaan van het park staat
daardoor onder druk. Een noodzaak aldus de president, die het geld nodig zegt te hebben voor de ontwikkeling van Ecuador, een van de armste landen van Zuid-Amerika. Sinds Correa aan de macht kwam is er veel veranderd. Nieuwe wegen,
beter onderwijs, gezondheidszorg. Met dank aan de oliedollars, die ongeveer de helft van het nationale inkomen vormen. Avanzamos Patria! lezen we op
grote billboards langs de weg: ‘We helpen het vaderland vooruit!’ En: ‘Met jouw natuurlijke bronnen bouwen wij wegen.’ We stappen over in een kleine kano en varen over een smalle kreek het woud in. Onze lodge ligt letterlijk midden in de jungle, een anderhalf uur peddelen van de Napo af. We zijn stil, alleen met
de kakofonie van geluiden van het regenwoud. ‘Pas op voor de kaaimannen,’ zegt Remigio opgeruimd, en wijst naar het onheilspellende, donkergekleurde water. Na een paar minuten stopt hij de boot met zijn peddel en wijst naar boven, hoog in de bomen. Een paar aapjes kijken terug en slingeren dan doodgemoedereerd naar de volgende tak. Het zijn kapucijneraapjes, een van de tien apensoorten die in het park leven.
 
Een plons aan de waterkant. In mijn ooghoek zie ik iets uit het donkere water omhoog komen. Ik gil, en spring zo’n beetje bij Elaine op schoot. Remigio
lacht. Het monster blijkt geen kaaiman maar ‘slechts’ een arapaima, de grootste zoetwatervis van de Amazone. Drie meter kan het beest worden, groot genoeg om een nietsvermoedende reisjournalist een klein toeval te bezorgen. Dan verschijnt licht aan het einde van de kreek. We varen een meertje op, met aan de overkant een verzameling rode huisjes met rieten daken. Onze verblijfplaats voor de komende vier dagen. Even na zonsondergang lig ik op mijn rug op de steiger,
starend naar de Melkweg. Vleermuizen en vuurvliegjes schieten voorbij, in het water klinkt geklots van rondspringende vissen. De rode brulaap staakt zijn geroep, een geluid als een windmachine. De nacht in het regenwoud is begonnen. In de
verte licht de hemel op, een naderend onweer. Een flauw schijnsel trekt mijn aandacht. De stad? Het blijkt alweer een gasbrander, een kleine twintig kilometer verderop. Het begint ons steeds duidelijker te worden wat de vernietigende gevolgen van oliewinning hier zijn.
 
Ook de inheemse volken in het gebied, naar schatting tweeduizend Kichwa- en Waorani-indianen, zijn niet meer dezelfde. Ze vestigden zich langs de wegen gebouwd door de oliemaatschappijen, kregen gemotoriseerde kano’s van de regering, er kwam elektriciteit, onderwijs, gezondheidszorg. 'In veel opzichten is het leven beter,’ zegt Remigio, 24 jaren jong. ‘Maar tegelijkertijd is onze cultuur
aan het veranderen.’ Hij is daar zelf een lichtend voorbeeld van. Zijn kleren en schoenen komen uit een winkelcentrum in Quito, in zijn zak prijkt een iPhone. Toch is Remigio in alles een kind van het woud. Hij weet in welke boom de aapjes na een
nacht regen een schuilplaats zoeken, op welke waterkant metersdikke anaconda’s hun diner liggen te verteren en waar ze hun eitjes leggen. Waar wij slechts een stuk boomschors zien, herkent hij een boomkikker, slapende vleermuis of een vogeltje in camouflagekleuren. Sinds een jaar werkt hij als natuurgids bij de lodge waar we vier dagen verblijven, Napo Wildlife Center. Vier op de vijf werknemers komen uit de gemeenschap, een nederzetting op vijf kilometer peddelen van de
lodge. Remigio neemt ons mee naar het community interpretation center, waar de Añangu een modelhuis hebben gebouwd, met een vloer van aangestampte
aarde en een dak van palmbladeren. De schoonzus van Remigio demonstreert hoe haar volk zonder moderne zaken als een koelkast en fornuizen vuur maakt en eten kookt en conserveert met rook. Maar als we daarna langs de gemeenschap varen, zien we een verzameling houten huizen met golfplaten daken. ‘Het dak hebben sommigen nog wel,’ zegt local Vladimir. Wat is er dan nog authentiek
aan wat we zojuist hebben gezien? ‘Mijn grootouders leefden nog wel zo. Maar sinds een jaar of twintig zijn dingen aan het veranderen. Nu hebben
we koelkasten. En Nikes.’
 
Het offer van Ozogoche
 
Op de drempel van een simpel stenen huisje zit Laura. Naast haar staat een grote zak met plukken alpacavacht, waar ze met een klos draden van spint. Een paar meter verderop op de grond zit haar moeder, naast een hok konijnen. Links van haar ligt witte mais uitgespreid op een kleed, rechts de rode variant. Haar verschrompelde gezicht gaat geheel verborgen achter een bolhoedje, dat eens wit geweest moet zijn. Onverstoorbaar sorteert ze de korrels. Wanneer we vragen hoe ze heet, knikt ze vriendelijk, en antwoordt iets in het Kichwa. 
 
Van de Kichwa’s in het regenwoud zijn we drieduizend meter geklommen naar hun verwanten hoog in de Andes, in het vrijwel geheel inheemse bergdorp Guamote. Hier gaan we op pad met Inti Sisa, een Belgische stichting die zich sinds vijftien jaar inzet voor de locals. Zo runnen ze een kleuterschooltje, geven Engels, computer- en naailes. Om inkomsten te genereren openden ze een gastenhuis in het dorp en organiseren ze rondleidingen voor toeristen langs de gemeenschappen die zich nog hoger in de bergen bevinden en leven van de opbrengst van het land en hun dieren. ‘De indigenas zijn lange tijd onderdrukt geweest; pas in 1972 is de laatste feodale wet afgeschaft,’ zegt onze gids Eva. ‘Veel ouderen zijn daarom nooit naar school geweest en spreken alleen Kichwa.’ Ze wijst naar de grillige lapjes grond op de steile hellingen, bewerkt door plukjes bontgekleurde figuren. ‘Alles moet met de hand, een tractor zou zo de berg afzakken.’ We stoppen, om drie vrouwen een lift te geven achterop de pick-up. De weg is onverhard, geen partij voor de eeuwige wind. Met hun rode en groene sjaals vegen ze het stof van hun gezichten af. ‘We zijn vies,’ zeggen ze, met een ietwat schuldbewuste blik. Hier en daar zien we chozas, lemen hutten met een soort rieten daken. Het zijn de traditionele huizen waar veel Kichwa nog in wonen. We stoppen bij een huis van de familie van onze chauffeur Lazaro. Zijn gehele familie woont op letterlijk een steenworp van elkaar, in zowel chozas als stenen huizen. ‘Maar als we mogen kiezen hebben we liever een choza,’ zegt Lazaro. ‘Dat houdt de warmte goed binnen.’ We kijken naar de muren, een halve meter dik, gemaakt van koeienpoep, water en zand. Ramen ontbreken. Binnen is het donker, met weinig meer dan een kast met daarop een kapotte radio, een tweepersoonsbed met een matras van stro en een vuurplaats met twee kookpotten. In de hoek scharrelt een tiental cavia’s, bestemd voor de verkoop op de markt, of eerdergenoemde kookpot.
 
Nog geïsoleerder leven de bewoners van Ozogoche Alto, een gemeenschap van zeventig mensen aan de rand van de bergmeren van Ozogoche en Atillo. Om er te komen volgen we een onverharde weg omhoog de bergen in, waarbij we uitkijken over de toppen van de Andes en valleien gevuld met mist. Bussen komen er niet, alleen eens per week een melkkar. Lokaal staan de meren bekend om het sacrificio de Ozogoche, het offer van Ozogoche. Elk jaar tussen september en oktober vliegen honderden grijs-witte trekvogeltjes uit Alaska, culivi in het Kichwa, zich collectief te pletter in de meren. Waarom weet niemand, maar verklaringen zijn er te over. ‘De vogeltjes zoeken na de lange vlucht over de hoge bergen verkoeling in het meer, maar worden dan gegrepen door de ijskoude golven,’
zegt local Alfredo voor zijn restaurantje aan de rand van het meer, de enige openbare gelegenheid in de wijde omtrek. Om de vogeltjes te eren heeft de gemeenschap een jaarlijkse feestdag in het leven geroepen, waar ze dansen en muziek maken. En vervolgens de beestjes op het vuur gooien en opeten. Ozogoche betekent dan ook deseoso de comer carne, het verlangen om vlees te eten.
 
We laten de jeep achter en gaan te voet op weg naar de meren. De natuur is onbarmhartig en ruig, met kale, rotsachtige bergtoppen, stug gras en lage struiken. Het water heeft een donkere kleur blauw, de wind doet klotsende golfjes tegen de waterkant slaan. Verderop drijven twee meisjes een kudde schapen voort, omhoog tegen de steile helling. Een van de twee heeft een lammetje op haar rug gebonden. Dat het leven hier moeilijk is, kunnen we ons levendig voorstellen. Deze plek is zo afgelegen en het leven zo rauw dat het nog wel even kan duren voor de Ecuadoraanse revolución Ozogoche bereikt.
 
En misschien is dat maar goed ook.
 
Foto Elaine Springford
15-11-2014, Columbus Magazine