Ynske schrijft

Ynske Boersma +31645192530

blancodesign

'Ik ga nooit meer naar een feest'

'Dokter? Dat groene, wat is dat?"

"Dat is je infuus."

"En dat rood?" 

"Dat is bloed." 

"Dokter? Ga ik dood als ik dat infuus eruittrek?" 

"Ja. Doe maar niet." 

Half één, op de afdeling spoedeisende hulp (SEH) van het Sint Lucas Andreas Ziekenhuis. "Ik ben even poetsen hoor," roept een ambulancebroeder tegen zijn collega. "Zodat de volgende patiënt niet in braaksel hoeft te liggen," verklaart hij opgeruimd wanneer hij zijn schoongemaakte brancard terugrijdt naar de ambulance. 

De twee agenten die zijn meegekomen met de ambulance overleggen met SEH-verpleegkundige John Bijlsma. De patiënt in kwestie wilde niet 'coöperatief meewerken,' zoals dat zo mooi heet. De achttienjarige jongen van buiten Amsterdam werd vlak na de jaarwisseling afgevoerd van de EHBO-post op een groot feest in de stad. 

"Bacardi, wodka, whisky," leest Bijlsma hoofdschuddend op van een patiëntstatus. Uit de behandelkamer klinken braakgeluiden. Vermoed wordt dat de jongen ook andere middelen heeft gebruikt, maar dat ontkent hij stellig. 

De feestvierder is niet de enige met een 'alcohol intox', de term van de hulpverleners op de SEH voor een alcoholvergiftiging - één van de meestvoorkomende problemen op avonden als deze. Even voor elven, ruim voor het champagnemoment, wordt de eerste binnengereden, liggend in foetushouding. 

De afdeling werkt vanavond met een bijna dubbele bezetting. "Op een normale zaterdagavond zien we rond de twintig patiënten. Op een nieuwjaarsnacht zijn dat er veertig tot zeventig," zegt SEH-teamleider Pim Philipse, wanneer hij om elf uur de dienst overdraagt aan de nachtploeg. Het zijn vooral gevallen van alcohol- en drugsmisbruik, gevolgd door verwondingen door valpartijen en gevechten. Ongeveer een derde is slachtoffer van vuurwerk. 

Tegen middernacht is de afdeling nagenoeg leeg. Stilte voor de storm. De sfeer onder de artsen en verpleegkundigen in de met oliebollen en kinderchampagne gevulde koffiekamer is er één van jolige gespannenheid. "Om tien over twaalf barst het los," zegt ervaringsdeskundige Philipse. 

Dat valt mee. Om half één komt de stroom patiënten pas echt op gang. Ambulances rijden af en aan en aan de balie melden zich de eerste vuurwerkslachtoffers. Uit een behandelkamer klinkt een luid jammerend gehuil. "Nou, die heeft geen zin in 2014," concludeert een verpleegkundige onaangedaan, en spoedt zich naar de volgende patiënt. 

Voor een behandelruimte verderop staat een groepje jongemannen, de aanhang van een patiënt die is verwond in een vechtpartij. "Dokter, onze vriend heeft last, hij kan niet ademhalen," tiert één van hen. Bijlsma loopt erheen, en legt de jongen uit dat het druk is. Daar neemt de jongen geen genoegen mee. "Wat is dit voor kutziekenhuis? Hij ligt daar dood te gaan, waarom doen jullie niets?" 

Bijlsma laat het verder over aan de twee mannen van de beveiliging, die deze nacht onwelwillende patiënten en vooral de emoties van hun aanhang in toom proberen te houden. Het gezelschap wordt, als zij zich ook in de wachtruimte niet weten te gedragen, verzocht het ziekenhuis te verlaten. 

Toch blijven de gemoederen relatief bedaard tijdens deze jaarwisseling, een nacht die traditioneel berucht is om geweld en agressie tegen hulpverleners. Een enkele patiënt die tegenstribbelt, familieleden die zich kwaad maken over lange wachttijden of medicijnen die niet zomaar mee worden gegeven. Het team kan zich er weinig druk om maken. 

"Agressie is hier geen groot probleem," zegt Philipse. "Oké, er wordt wel eens geduwd en getrokken en er probeert wel eens iemand een rolstoel door het raam te gooien als alles niet snel genoeg gaat. Maar meestal blijft het bij schelden, en ach, dat doet geen pijn. We maken eigenlijk alleen een melding bij fysiek geweld, als ze tegen de koffieautomaat gaan aanschoppen bijvoorbeeld." 

Echt druk zal het niet worden deze nacht. De SEH ziet 45 patiënten, niemand met ernstig letsel. Vijftien van hen hebben lichte brandwonden door vuurwerk. Vier feestvierders blijven overnachten om hun roes uit te slapen. 

De dronken achttienjarige is, drie uur na aankomst, al flink ontnuchterd. "Sorry iedereen," roept hij vanachter het gordijn, tegen niemand in het bijzonder. "Dat siert hem dan wel, ondanks zijn toestand," zegt een beveiliger. Zo probeerde de patiënt eerder in te loggen op de computer van het personeel en trok hij herhaaldelijk zijn infuus uit zijn arm. 

Arts-assistent van de interne geneeskunde Serge Zweers overlegt wat te doen met de jongen. Hem in deze staat de straat op sturen lijkt de artsen geen verantwoord idee. "Dan loopt hij zo onder een tram." Opnemen dan maar? Dat is wel erg duur voor een uit de hand gelopen stapavond. Zweers: "Dan jaag je er in één keer je eigen risico doorheen." Hij stelt de meegekomen vriend van de patiënt voor om een taxi te bellen. "Maar dan moet jij wel met hem mee naar huis." De vriend knikt, met beteuterd gezicht. 

Uiteindelijk wordt besloten de ouders in te lichten en hun te verzoeken hun zoon te komen ophalen. Het duo verhuist naar de wachtkamer, de patiënt gewapend met een spuugbak. "Ik ga nooit meer naar een feest," verklaart hij plechtig, wankelend en met een vinger in de lucht.

Foto: Maarten Brante

02-01-2014, Het Parool