Ynske schrijft

Ynske Boersma +31645192530

blancodesign
Kan de gemeente de jeugdhulp aan?

20-01-2014, Het Parool

Vanaf 2015 komen alle vormen van jeugdzorg in handen van de gemeente. Kinder- en jeugdpsychiater Chaim Huyser ziet grote gevaren.

Een voorbeeld. Een jongetje wast wel honderd keer per dag zijn handen. De huisarts verwijst het kind door naar de Bascule, het academisch centrum voor kinder- en jeugdpsychiatrie in Amsterdam, de enige plek in het land met een gespecialiseerde afdeling voor kinderen met dwangstoornissen. Nu kunnen alle kinderen uit het land daar nog terecht. Volgend jaar, wanneer met het ingaan van de nieuwe Jeugdwet alle taken op gebied van jeugdzorg overgaan naar de gemeenten, krijgt het kind alleen een behandeling als zijn gemeente dat betaalt. 

Chaim Huyser, kinder- en jeugdpsychiater en geneesheer-directeur van de Bascule, maakt zich grote zorgen. Hij was één van de eerste ondertekenaars van de petitie Zorg over de jeugd-GGZ, waarmee de initiatiefnemers willen voorkomen dat de geestelijke gezondheidszorg voor jongeren verdwijnt uit de zorgverzekeringswet. De petitie is inmiddels meer dan 85000 keer ondertekend. 

De tegenstanders vestigen hun hoop op de Eerste Kamer, waar meer weerstand tegen de wet lijkt te bestaan dan bij hun collega's in het parlement. De wet wordt waarschijnlijk 11 februari behandeld in de senaat.

Wat gaat er veranderen?

"Nu worden kinderen met psychische problemen doorverwezen door bijvoorbeeld de huisarts, en dan krijgt het kind de hulp die het nodig heeft, betaald uit de zorgverzekering. Vanaf 2015 moet de gemeente die zorg inrichten en bekostigen. In Amsterdam wordt nu een systeem opgetuigd met wijkteams, waarin 'ouder-en-kindregisseurs' bepalen welke hulp een kind nodig heeft. Ouders en kind worden daarbij gestimuleerd om zo veel mogelijk zelf en in hun eigen netwerk de problemen op te lossen."

Welke gevaren voorziet u als de plannen doorgaan?

"Deze wet komt voort uit de problemen die nu in de jeugdzorg bestaan. De jeugdhulpverlening is versnipperd, waardoor hulpverleners niet goed samenwerken. Een ander punt is de toegenomen druk op de specialistische jeugdzorg en -psychiatrie. De kosten zijn te hoog geworden. Vanaf volgend jaar heeft de gemeente één pot geld, waaruit alle zorg moet worden betaald. De focus van de gemeente is daarbij gericht op een integrale gezinsaanpak met één regisseur per gezin. Dat zou de hulp efficiënter moeten maken." 

"Die samenwerking tussen hulpverleners kan inderdaad beter, maar het beeld dat de overheid schetst, is vertekend. In de regio Amsterdam krijgen zo'n 18.000 kinderen geestelijke gezondheidszorg. Hooguit twintig procent van hen heeft ook te maken met hulpverleners van andere vormen van jeugdzorg; de zogeheten multiprobleemgezinnen betreffen zo'n tien procent van de gevallen." 

"Voor die doelgroep werkt een integrale gezinsaanpak heel goed, maar men ziet over het hoofd dat dit maar een kleine groep is. Nu dreigt de rest van de kinderen te worden meegezogen in de hulp die is toegespitst op die probleemgezinnen." 

"Daarbij is het de vraag of de zorgregisseurs van de gemeente lastig in beeld te brengen stoornissen als autisme zullen herkennen. Het gevaar bestaat dat dan kinderen te lang blijven hangen in de lichte zorg van de wijkteams, voordat ze toegang krijgen tot specialistische hulp. In de wijkteams wordt wel samengewerkt met specialisten, maar het is nog niet duidelijk hoe dat in de praktijk zal gaan." 

"Een andere zorg is dat gemeenten de vrijheid houden om van beleid te veranderen. Zij bepalen welk gedeelte van hun budget ze aan de geestelijke gezondheidszorg willen besteden. Als dat te weinig is, zullen er wachtlijsten ontstaan. Wethouders wisselen om de vier jaar, dus straks krijg je een jeugdzorg die afhankelijk is van de politieke kleur van de zittende wethouder. Het wordt dan lastig om de kwaliteit van de hulp te waarborgen."

Problemen worden gemedicaliseerd, zegt staatssecretaris Van Rijn. Hij denkt dat veel kinderen ook wel met lichtere hulp afkunnen.

"Soms krijgt een kind te weinig pillen, soms te veel, of te gemakkelijk. Om dat te verbeteren moeten we professionaliseren, niet demedicaliseren. Demedicaliseren suggereert dat medische zorg niet nodig is, dat we de psychische problemen als ADHD ook wel kunnen oplossen met een opvoedcursus. De overheid stelt het met de term medicaliseren voor alsof we alleen maar etiketten plakken en pillen geven."

Het recht op zorg vervalt. Als kinderen straks niet de gewenste behandeling krijgen, zijn hun ouders aangewezen op een bezwaarprocedure bij de gemeente.

"Dat is een pijnlijk punt, ja. Zorg laat niet op zich wachten; het lijkt me bezwaarlijk als we daarvoor naar de rechter moeten stappen."

Gemeente doet alles

Zorg van de gemeente is niet nieuw, zo komen de schoolarts en het consultatiebureau al uit het gemeentebudget. Maar vanaf volgend jaar is de gemeente verantwoordelijk voor álle vormen van jeugdhulp, dus ook de jeugdzorg, jeugd-GGZ, jeugdreclassering en de hulp voor verstandelijk beperkte jongeren. Deze decentralisatie gaat gepaard met een flinke bezuiniging: de ongeveer 270 miljoen die nu beschikbaar is voor de Amsterdamse jeugdhulp, moet in 2017 zijn teruggeschroefd naar 236 miljoen. Voor het inrichten van het nieuwe jeugdzorgsysteem heeft de gemeente ruim 12 miljoen uitgetrokken.

'Specialist blijft'

De reactie van Rutger Hageraats, die verantwoordelijk is voor de uitvoering van de wet op de jeugdzorg in Amsterdam: 

"De zorgregisseurs in de wijkteams werken samen met specialisten uit de jeugd-GGZ. Wanneer de regisseur er bij het beoordelen van een hulpvraag niet uitkomt of signalen krijgt dat er een psychisch of medisch probleem is, roept hij de hulp van een specialist in. Er zijn zowel teams speciaal voor de multiprobleemgezinnen als teams voor de reguliere jeugdzorg. Voor de bezwaarprocedure hebben we nog geen oplossing, die moeten we nog inrichten en die willen we zo simpel mogelijk houden. Daarbij kunnen ouders altijd met hun kind naar de huisarts, die mag ook na de invoering van de nieuwe wet blijven doorverwijzen."

 

 

 

 

 

 
De eerlijke smartphone komt eraan

11-05-2013, Het Parool

Mineralen uit conflictmijnen, kinderarbeid en een groeiende berg 'e-waste'; de smartphone leidt tot veel ellende. Uit Amsterdam komt een verantwoord alternatief, de Fairphone. De voorverkoop begint deze week.

Bas van Abel (35) is één van die zeldzame figuren die geen mobiele telefoon heeft. "Niet uit principe hoor," zegt hij er snel achteraan. "Ik zou zo'n ding maar verliezen." 

Toch weet Van Abel vermoedelijk meer over smartphones dan menig topman van Apple of Samsung. Hij en zijn zevenkoppige team van Waag Society in Amsterdam ontwikkelden de eerste duurzame en eerlijk geproduceerde smartphone ter wereld: de Fairphone. 

De telefoon gaat 325 euro kosten en is volgens Van Abel vergelijkbaar met een reguliere smartphone van diezelfde prijs. KPN heeft reeds toegezegd de 'schone' telefoon in zijn portfolio op te nemen, met een aantal andere providers is Fairphone in onderhandeling. 

De voorverkoop begint volgende week. Meer dan twaalfduizend mensen hebben ingetekend voor de telefoon, die in het najaar geleverd zal worden. 

Maar wat is er eigenlijk zo fout aan de bestaande telefoons? Veel dus. De ellende begint al bij de grondstoffen die onze smartphones zo slim maken. Mineralen als tin en kobalt en edelmetalen worden veelal onder belabberde arbeidsomstandigheden gewonnen en dragen bij aan de instandhouding van gewapende conflicten, met name in Congo. 

Ook in de fabrieken is van alles mis. Zo kreeg vooral Apple de afgelopen jaren veel kritiek over zich heen vanwege de dramatische arbeidsomstandigheden in de Foxconnfabrieken in China, waar niet alleen slechtbetaalde arbeiders werkweken van tachtig uur draaiden, maar ook minderjarigen de nieuwste iPads en iPhones in elkaar bleken te knutselen. 

Een ander probleem is de 'e-waste', ofwel de afvalberg van niet-recyclebare afgedankte telefoons die vaak in ontwikkelingslanden gedumpt worden, met de nodige milieuvervuiling tot gevolg. Het systeem van providers dat bij elke abonnementsverlenging een 'gratis' telefoon wordt aangeboden, helpt daar niet echt bij. 

Het verhaal van Fairphone begon drie jaar geleden bij Waag Society als een 'campagne voor bewustwording' rond misstanden in de telefoonindustrie. Van Abel: "Toen bedachten we dat een campagne weinig zin had zolang er geen alternatief was. Dus waarom maken we die telefoon niet zelf?" 

Dat klinkt vele malen simpeler dan het is. "De telefoon is onderdeel van een enorm complex economisch systeem," zegt Van Abel. "Je hebt te maken met de grootste bedrijven ter wereld, met regeringen die hun zaken niet op orde hebben, landen waar oorlog woedt. En over wat wij hier eerlijk vinden, hebben ze in China weer heel andere ideeën. " 

Een verziekt economisch systeem, vindt Van Abel. "We zijn zo vervreemd van onze producten dat niemand nog enig besef heeft wat er bij komt kijken om zo'n ding te maken." 

Zelfs fabrikanten weten veelal nauwelijks hoe hun toestellen tot stand komen, aldus Van Abel. "De productieketen is door principes van arbeidsdeling en winstmaximalisatie zo versplinterd geraakt dat niemand meer weet waar de grondstoffen precies vandaan komen, of wat gaande is in de fabrieken." 

De mensen achter Fairphone hebben elke schakel in de productieketen ontrafeld. Zo zat Van Abel naar eigen zeggen 'bovenop de mijn in Congo' om voor elkaar te krijgen dat er geen 'bloedmineralen' zouden worden ingekocht. "We weten precies welke mineralen er in onze telefoon zitten, wie ze uit de grond haalt, en dat er wordt gewerkt aan verbeterde arbeidsomstandigheden voor de mijnwerkers." 

Ook is hij net terug uit China, waar hij een staatsbedrijf bereid vond de eerste tienduizend Fairphones in productie te nemen. Het bleek een taaie opgave een fabriek te vinden waar de telefoons onder acceptabele arbeidsomstandigheden in elkaar gezet konden worden. 

Helemaal schoon is de Fairphone nog niet. Van Abel: "Het zou naïef zijn te denken dat we meteen een honderd procent eerlijke telefoon kunnen maken. Daarvoor zouden we eerst wereldvrede moeten stichten." 

Dat is ook niet erg. "De telefoon is geen doel op zich, maar het begin van een beweging om meer transparantie te brengen in de productieketen en de discussie aan te zwengelen over ons losgeslagen economisch systeem. Als dat lukt, denk ik dat we ook andere bedrijven kunnen inspireren het anders te doen." 

Dat klinkt allemaal mooi, maar uiteindelijk moet de Fairphone wel verkocht worden. De voorverkoop is tegelijkertijd een vorm van crowdfunding, legt Van Abel uit. Als vijfduizend van de twaalfduizend intekenaars hun telefoons hebben betaald, kan de productie worden gestart.

'Daarna hebben ze er gepoept'

09-11-2012, Het Parool

Hebe Kohlbrugge (98) en Ruth Wallage-Binheim (87) zitten in een hoekje van de kamer voor de open haard. Tussen hen in staat een klein tafeltje met daarop twee glaasjes likeur. Af en toe staat Hebe op om nog een blok op het vuur te gooien, onder protest van Ruth. “Hebe! Zou je dat nou wel doen?” Daar trekt Hebe zich niets van aan. “Die laat zich niets uit handen nemen,” zegt Ruth. Ze pakt de hand van haar vriendin, en laat die niet meer los. 

Ruth en Hebe ontmoetten elkaar vele jaren geleden in de synagoge in Utrecht. Ze bleken allebei in het vrouwenkamp Ravensbrück te hebben gezeten. “Dan ga je praten,” zegt Hebe. “Als je allebei in een kamp bent geweest, dan is er een verstandhouding. Er zijn niet zoveel mensen die dat hebben meegemaakt en nog leven.”

De Utrechtse Hebe stak in 1936 de grens naar Duitsland over om het opkomende nationaalsocialisme van dichtbij te bestuderen. Ze raakte betrokken bij de protestantse verzetsbeweging. Tot 1944, toen de Gestapo haar vervalste persoonsbewijs doorzag, en ze de rest van de oorlog in een strafkamp moest doorbrengen. “Ze heeft Amerikaanse vliegeniers naar Zwitserland gesmokkeld,” vertelt Ruth, met onverholen trots.

“Na de oorlog heeft ze allemaal Amerikaanse onderscheidingen gekregen,” zegt Ruth over haar vriendin. “Zij is echt een belangrijk  mens, ik niet. Ik ben maar een slachtoffer van de Jodenvervolging. Als je haar naam intypt op Google dan krijg je zo’n verhaal.” Ter illustratie houdt ze haar handen een eind uit elkaar. “Zo interessant, en zo de moeite waard. En dat is mijn vriendinnetje geworden.” 

De Duitse Ruth groeide op in een joods gezin in Hannover, waar haar vader een manufacturenwinkel had. Dertien jaar oud was ze toen de verwoestende nacht plaatsvond, op 9 november in 1938. “Na de Kristallnacht hebben ze onze hele winkel vernield,” zegt Ruth. Wie goed luistert hoort nog steeds een heel licht Duits accent in haar stem. “Dat was voor mijn ouders het teken om ons drie kinderen- mijn twee jaar oudere broer, anderhalf jaar jongere zus en ik, op het laatste kindertransport naar Nederland te zetten. Het was de eerste keer dat ik mijn vader zag huilen. En we hebben elkaar nooit meer gezien.”

“Eigenlijk zouden we met het hele gezin naar Amerika emigreren,” zegt Ruth. Maar toen mijn ouders papieren aanvroegen om daarheen te kunnen,  was het al te laat. De wereld was niet meer zo happig om joden op te nemen”

“Mijn ouders zijn vermoord in Auschwitz. Mijn broer is vermoord in Mauthausen. En weet je waarom? Omdat ze in de verkeerde wieg lagen. Omdat ze joden waren. En dat wil er bij mij nog steeds niet in. De haat was zo groot tegen de joden. Niemand mocht blijven leven.”

Ook Ruth en haar zusje Hanna belandden in Auschwitz. Van de duizend vrouwen waarmee ze naar het concentratiekamp werden gedeporteerd, overleefden er zes. Hanna woont nu in Californië, Ruth in Bosch en Duin.  Beiden hebben twee kinderen en vier kleinkinderen. “Nu zijn wij de gelukkigste vrouwen van de wereld,” zegt Ruth. “Ik zeg wel eens, als je nooit diepte hebt gekend, weet je ook niet wat het is om in de hoogte te leven.”

Dit jaar herdenkt ze de Kristallnacht door een krans te leggen bij de Hollandsche Schouwburg, samen met twee van haar kleinkinderen. “Het is voor het eerst dat ze erbij betrokken zijn. Dat is voor mij de reden om dit nog te willen doen. Er zijn al zoveel mensen die mijn verhaal kennen, dat ik het niet meer hoef te vertellen. Het staat nu in boeken, op video’s, en ik heb op heel veel scholen gesproken. Het is wel goed zo.”

Wat betekent de Kristallnacht voor haar (klein)kinderen? “Ik geloof niet dat hun leven daardoor beïnvloed is. Hier in huis heb ik bewust nooit over het kamp gesproken. Mijn jongste zoon zei laatst: ‘Mam, wat heb ik een heerlijke jeugd gehad. En wat was je een geweldige moeder. Dat mag toch een keer gezegd worden,’ zei hij.”

“Ik begrijp ook niet dat mensen hun kinderen en kleinkinderen meenemen naar Auschwitz, alleen omdat zij daar zelf geweest zijn. Dat hoeft voor mij niet. Ik heb wel op de school van mijn kleinkinderen mijn levensverhaal verteld. Ik zeg dan tegen mezelf, als twee van die dertig kinderen daar later nog eens aan terugdenken, dan heb ik mijn plicht gedaan.”

Ook Hebe was ten tijde van de Kristallnacht in Duitsland. “Maar ik zat in een stadje waar bijna geen joden woonden. Daar gebeurde dus niets. De dominee, die alles op de radio had gehoord, rende direct naar de enige Jood in dat stadje. Maar die had ook niets gemerkt.”

“Hebe is geen Jodin,” verduidelijkt Ruth. 

Hebe: “Toen gingen we naar Berlijn, de dominee en ik. We liepen over de Kürfurstendamm, een schitterende straat met allerlei joodse winkels, met van die hele grote kristallen ruiten. Álles lag over de straat, één ravage, één puin van kristal. Verbijsterd zijn we door die straat gelopen. Maar je bent dan nog te dom om te beseffen wat er werkelijk aan de hand is. Je vind het vreselijk, maar je kunt niet verder denken dan dat.”

“Maar Hebe, jullie hebben daarvoor al toch ook die toespraken van Hitler op de radio gehoord? Dat de Joden uitgeroeid moesten worden, dat ze stonken?” vraagt Ruth. “Maar natuurlijk,” antwoordt die. Ruth: “Wat ik bedoel, is dat ik niet wil geloven dat mensen het niet geweten hebben. Als je luisterde naar Hitler, alleen al naar het geluid van dat gebral, dan moet je dat geweten hebben.” Hebe: “Ik was nog jong, in de twintig. Ik kon niet beseffen dat het op iets als Auschwitz zou uitlopen.”

Ruth: “Wij woonden op een hoek, boven de winkel. Tijdens de nacht was er nog niets gebeurd bij ons. De dag erna liepen Hanna en ik naar onze joodse school. Halverwege kwamen we voorbij een joodse winkel met daarop een groot hakenkruis getekend, daar schrokken we heel erg van. Toen liepen we voorbij de winkel van een tante. Zij zei, ‘jullie moeten gauw terug naar huis want de synagoge staat in brand.’ Die nacht was haar man opgepakt en naar Buchenwald gestuurd, vertelde ze.”

“We keerden om. Vlakbij onze winkel stonden een paar mannen. ‘Bij de Jood Binheim zijn we nog niet geweest,’ hoorde ik één van hen zeggen. Hij blies op een fluitje, en in een ommezien kwam er een overvalwagen met van die bruinhemden die allemaal een bijl in de hand hadden, en die sloegen onze zaak kapot. Daarna hebben ze er gepoept.”

“Hanna en ik konden nog net naar boven komen. We zagen dat de mensen buiten zich niet verroerden. Ik dacht wel, waarom helpt niemand? Daarna werd er aan de deur gebeld, en werd ons gesommeerd om de rotzooi op te ruimen. We gingen met bezems aan de gang. Er stonden allemaal mensen omheen, en daar waren ook vast wel klanten van mijn vader bij. Maar niemand die een hand uitstak.”

“Verlamming,” volgens Hebe. “In plaats van woedend te raken, versteende je.” Ruth is niet overtuigd. “Ongeïnteresseerdheid,” zegt ze. 

Waarom ze toch nog over haar verleden wil praten? “Om te vertellen waartoe haat kan leiden. Die gruwelijkheden die door de meerderheid van de mensen getolereerd zijn. Ik ken geen haat. Niet om wat er gebeurd is. Dat voel ik alleen voor de mensen die mijn ouders en mijn broer vermoord hebben. Maar ik wil niet generaliseren, want het is niet allemaal zo zwart-wit.”

Maar vergeten zal ze het nooit. “Wij hebben levenslang. Ik praat niet er niet graag over, maar ik denk er vaak aan. Het blijft een trauma, en daar kunnen we niet van bevrijd worden. Dat neem je mee in het graf.”

Kader: 

Tijdens de Kristallnacht, in de nacht van 9 op 10 november 1938 in nazi-Duitsland, werden honderden synagogen en duizenden winkels en huizen van Joden in brand gestoken en geplunderd. 92 Joden werden vermoord. De golf van geweld wordt beschouwd als het voorportaal van de massale vervolging en vernietiging van Joden in Europa die in de jaren daarna zou volgen. 

In 1992 organiseerde Nederland Bekent Kleur de eerste herdenking van de Kristallnacht, bij het monument van het Joodse verzet naast het stadhuis. Ze wilden daarmee aandacht vragen voor de toename van racisme en discriminatie in Europa. Sinds 2003 herdenkt ook het Centraal Joods Overleg (CJO) de gebeurtenissen van de beruchte nacht. 

De herdenking van het CJO vond in verband met de sabbat gisteren al plaats. Onder anderen Job Cohen en Ruth Wallage Binheim hebben gesproken bij de bijeenkomst in de Portugese synagoge. 

Vanavond is de tweede herdenking, georganiseerd door het Platform tegen Racisme bij het stadhuis in Amsterdam. De herdenking begint om half acht. Sprekers zijn onder anderen Hedy d’Ancona, Abdelkader Benali en Lalla Weiss. 

foto Jean-Pierre Jans