Ynske schrijft

Ynske Boersma +31645192530

blancodesign
Elke Argentijn drinkt mate

zomer 2016, Bouillon Magazine

Waar wij niet zonder onze koffie kunnen, zijn de Argentijnen, Uruguayanen, Brazilianen en Paraguayanen verslingerd aan hun mate. De bittere kruidenthee, gemaakt van de gedroogde en fijngehakte blaadjes van de yerba mate plant, vormt zo’n beetje het fundament van het Zuid-Amerikaanse sociale leven. Vriendschappen en liefdes beginnen met het delen van een mate, familiefeesten kunnen niet zonder, ruzies opgelost, kinderen groeien ermee op. Bij rijk en arm, jong en oud. ‘Drink je mate?’ is de eerste vraag waarmee een nieuwe relatie wordt aangegaan. ‘Met of zonder suiker?’, de tweede. Al vinden de puriteinse Uruguayos die suiker dan weer een gotspe. De ware drinker neemt hem immers bitter.

Talloze eigenschappen krijgt de kruidenthee toegedicht. De Zuid-Amerikaanse Indianen dronken hem al. Zo zou het brouwsel een zowel opwekkend als rustgevend effect hebben, de honger stillen en bovendien talloze vitaminen en mineralen bevatten. Het helpt je de dag door, om het maar op zijn Koffietijds te zeggen. En dat nemen de Latino’s zeer serieus. Met name de Uruguayanen staan ermee op en gaan ermee slapen, en gaan nooit de deur uit zonder een gevulde thermosfles onder de oksel en een matepot in de hand, om ook onderweg niet van hun geliefde brouwsel verstoken te zijn. Op het werk, in het park, thuis of op straat, kijk om je heen en je ziet werkelijk overal matepotten.

In het begin vond ik het maar aanstellerij, dat gedweep met die kalebasjes. Wat kon er nou zo bijzonder zijn aan een potje thee? Tot het moment dat mijn Argentijn voor het eerst een mate met me deelde. Het heeft iets geruststellends, zoals de blaadjes met elke keer opgieten weer tot leven komen, waarna je met kleine slokjes de mate naar binnen werkt, zachtjes slurpend door het rietje, terwijl je hand het rondgebuikte matepotje omsluit. ‘De groene long voor de eenzamen,’ noemde de Argentijnse schrijver Julio Cortazar zijn geliefde brouwsel in Rayuela, een hinkelspel, een boek dat iedereen zou moeten lezen.

Maar mate is boven alles een sociale gebeurtenis, gebonden aan een reeks ongeschreven en voor de vreemdeling haast onnavolgbare regels. Zo drinkt het hele gezelschap uit dezelfde mate, en ja, ook door hetzelfde rietje, oftewel de bombilla. Binnen de groep is er maar één persoon die de mate bijvult met heet water en met de klok mee ronddeelt. Daar bestaat zelfs een speciaal werkwoord voor: cebar. Wanneer je de mate krijgt toebedeeld dan neem je die zwijgend aan - wie de mate teruggeeft met een dankwoord, geeft daarmee aan genoeg te hebben gehad. En tot slot: Un mate no se niega a nadie, oftewel, een mate ontzeg je aan niemand.

Hoe bereid je mate?

De meeste mates zijn gemaakt van uitgeholde kalebaspompoenen, al vind je ze ook van hout of plastic. Het rietje is van metaal en heeft gaatjes aan de onderkant, zodat de blaadjes achterblijven in het potje. Om de mate te bereiden vul je de de pompoenpot tot driekwart met yerba mate, waarna je de helft overgiet met een beetje warm water. Geen kokend water, want daarmee verpest je de mate. Vervolgens stop je liefdevol het rietje in de natte blaadjes, en giet je zoveel water op de blaadjes dat ze net niet onder staan. Je eerste mate is klaar om te drinken. Herhaal het opgieten tot de blaadjes beginnen te drijven, dat is het moment om de yerba te vervangen.

foto Ynske Boersma

Mate in Nederland: Verschillende Nederlandse webshops verkopen yerba, kalebassen en bombillas, geïmporteerd uit Zuid-Amerika. Je kunt kiezen uit yerba mate mét en zonder de takjes van de yerba plant, palo genoemd. De Uruguayos drinken hem zonder, de Argentijnen met.

 
Hoe gaat het nu met Cuba?

17-05-2016, De Correspondent

'Strijder voor de revolutie.’
 
Dat staat op het beduimelde pasje dat Emilio Terrero (75) tevoorschijn haalt in een vissersdorp aan de oostkust van Cuba. Vijftig jaar bracht hij door op zee, vissend voor de Cubaanse staat. Hij maakte het allemaal mee: de dictatuur van Batista,  de revolutie waarmee Fidel Castro Batista’s regime omverwierp en de socialistische republiek die hij vervolgens op Cuba installeerde. Het waren tijden van hoop en voorspoed voor Terrero’s familie, die onder Batista in diepe armoede had geleefd.
‘Maar van het socialisme is weinig meer over,’ zegt Terrero gelaten. Nu is hij met pensioen en brengt hij zijn dagen door op deze veranda in Boca de Miel, zittend op een houten schommelstoel, zijn voeten gestoken in twee verschillende badslippers. Zijn gehele pensioen van omgerekend 8 euro per maand gaat op aan eten en medicijnen. ‘Het is een strijd. Maar om te overwinnen mogen we de strijd niet opgeven.’
 
Terrero lijkt een reliek uit het verleden. Buiten de wereld van zijn vissersdorp zijn grote veranderingen gaande, ingezet door het regime van de Castro’s zelf. Sinds Raúl Castro zijn broer Fidel opvolgde in 2008, zette hij een reeks hervormingen in gang om het economisch in zwaar weer verkerende Cuba uit het slop te trekken. De inefficiënte Cubaanse planeconomie werd deels geliberaliseerd, reisbeperkingen voor de Cubanen opgeheven én de onbetaalbaar geworden socialistische verzorgingsstaat werd hervormd. Dat alles zonder de totale politieke controle van de eenpartijstaat uit handen te geven. 
 
En zelfs de ‘imperialistische vijand’ is terug in beeld. Anderhalf jaar geleden kondigden de presidenten Raúl Castro en Barack Obama een herstel van de diplomatieke banden tussen de twee landen aan. Het bleef niet bij woorden. Het Amerikaanse handelsembargo tegen Cuba werd versoepeld, reisbeperkingen deels opgeheven en politieke gevangenen over en weer uitgewisseld. Daarbij mogen Cubanen in de VS nu grotere sommen geld naar hun familieleden sturen. Ambassades werden heropend, en maart dit jaar was Obama de eerste Amerikaanse president sinds de revolutie om een bezoek te brengen aan Cuba.
De resultaten zijn al merkbaar. Buitenlandse investeerders staan te dringen om hun graantje mee te pikken van de verwachte ontwikkeling van het economisch bijna ongerepte eiland. Het toerisme, Cuba’s voornaamste inkomstenbron, explodeerde het afgelopen jaar met een recordaantal van 3,1 miljoen bezoekers. 17 procent meer dan het jaar ervoor, schreef Cubaanse staatskrant Granma.
 
Maar wat merken de ‘gewone Cubanen’ van deze veranderingen? Is hun leven er beter op geworden? Hoe bezien zij de politieke en economische ontwikkelingen en wat verwachten ze van de toekomst? Met deze vragen in mijn hoofd vertrok ik voor drie weken naar Cuba. Op straat, in de particuliere B&B’s waar ik verbleef, in de collectieve taxi, kippenbus of in het café, overal bleken de Cubanen gretige gesprekspartners. Met uiteenlopende verhalen tot gevolg.
 
‘Verandering door de verbeterde relatie met de Amerikanen? Was het maar waar!’ verzuchten René (31) en Argelio (32) in een cafetaria in het noordoostelijke Gibara. René werkt achter de bar van het café, voor 25 Cubaanse peso’s (1 euro) per dag. Argelio werkt in een cultureel centrum van de overheid, voor nog minder. Je kan ervan eten, maar meer ook niet, zeggen de twee vrienden. Ze willen niet met hun achternamen in dit verhaal.
 
‘Degenen die profiteren van de verbeterde relatie met Amerika zijn dezelfden als altijd,’ zegt Argelio. ‘Politiek is zakendoen, met ideologie heeft het niets te maken. De overheid heeft geld nodig, daarom gooien ze de grenzen open voor investeerders. En van alle extra inkomsten door het toerisme gaat het merendeel naar de staat, die het grootste deel van de toeristenindustrie runt. Maar voor de werkende klasse verandert er niets. Wij verdienen nog steeds even weinig. Het is overleven.’
 
Inderdaad wordt het grootste deel van de Cubaanse toeristenindustrie gerund door el Grupo de Administración Empresarial (GAESA,) een concern  van minstens 57 grote bedrijven in handen van het Cubaanse leger. Het concern zou goed zijn voor 50 tot 80 procent van de bedrijfsopbrengsten in Cuba. Het concern wordt gerund door Raúl Castro’s schoonzoon Luis Alberto Rodriguez, een generaal uit het Cubaanse leger. Dezelfde Rodriguez is de baas over de nieuwe vrijhandelszone Mariel, waar de komende jaren honderden buitenlandse bedrijven een vestiging moeten openen.
 
René en Argelio zijn wat politiek betreft nog sceptischer. ‘Er zal niets veranderen. Cuba is en blijft een eenpartijstaat, of beter gezegd: een dictatuur. Wat dit land echt nodig heeft, is een nieuwe revolutie, één om het regime van de Castro’s te laten vallen. Maar dat durft niemand hardop te zeggen. Oppositie voeren is onmogelijk, elke kritiek op het regime wordt als een aanval op de waarden van de revolutie beschouwd en daarvoor ga je de gevangenis in. Het vormen van verenigingen met andere politieke ideeën is verboden. Van hen kunnen we simpelweg niet winnen,’ zegt Argelio.
Toch zien ze wel verbeteringen. Het internet dat sinds kort in alle steden aanwezig is, is weliswaar duur (twee dollar per uur), maar we hebben nu tenminste wel toegang, zegt René. ‘Het is iets.’
 
Een nieuwe caféganger, Pasi, mengt zich in het gesprek. ‘Maine, USA,’ meldt zijn petje. Hij is een van de naar de VS geëmigreerde Cubanen die met de nieuwe regeling voor vertrekkers uit 2012 mag terugkeren mét behoud van zijn Amerikaanse nationaliteit. Nu leeft hij comfortabel van zijn Amerikaanse spaargeld. Pasi, die zijn achternaam niet wil zeggen: ‘De Cubanen die vertrokken naar het buitenland nemen doorgaans veel geld mee terug. Raúl is een stuk pragmatischer dan Fidel, die de emigranten als ‘wormen’ bestempelde. Cubanen gaan weg om de economie, meer dan om de politiek. Maar uiteindelijk willen ze weer terug naar waar ze vandaan komen.’
 
‘De regering had geen andere keus dan het aanhalen van de banden met de VS,’ zegt Yoel (33), flamencoleraar in Santiago de Cuba. ‘Nadat ze tientallen jaren het verhaal hebben verteld van de boze imperialistische vijand, wil de jongere generatie zelf uitzoeken hoe het daar is. Zouden de Castro’s de grenzen gesloten houden, dan zou op den duur een nieuwe revolutie zijn uitgebroken.’ Ook Yoel wil niet met achternaam genoemd worden, ook zijn uitspraken doe je beter niet hardop in Cuba.
Ook al is de economie sinds de verbeterde relatie met Amerika met 4,7 procent 
gegroeid, voor veel Cubanen kunnen de economische ontwikkelingen niet snel genoeg gaan. Ze willen meer welvaart en meer toekomstperspectief dan het socialistische Cuba ze te bieden heeft. ‘De transitie naar een kapitalistische consumptiemaatschappij is niet meer te stoppen,’ zegt Yoel. ‘We denken als bewoners van dit derdewereldland: we willen merkkleding, technologie en auto’s, maar die kunnen we ons bijna niet veroorloven. Ik denk dat in tien jaar niets over zal zijn van wat je nu ziet.’
 
Wie een paar dagen over het eiland reist, begrijpt wat Yoel bedoelt. De ijswinkels van de staat hebben hooguit drie smaken (‘soms hebben ze chocola,’ zegt iemand die ook in de rij staat), het eten in de staatsrestaurants is inspiratieloos en achter de geblindeerde ruiten van de staatswinkels is het aanbod beperkt en voor de meeste Cubanen niet te betalen.
 
De meesten die ik spreek, zijn daarom wel blij met de nieuwe relatie met de noorderburen. ‘Cuba is een eiland en daarom altijd afhankelijk geweest van de relatie met andere landen,’ zegt econome Lianne Rodriguez (40), uit Santiago de Cuba. ‘Met de opening kan Cuba nieuwe investeerders aantrekken, dat is goed voor onze economie. Maar pas als de VS het handelsembargo helemaal opheffen, zullen de Cubanen er echt iets van merken.’
 
Sinds Fidel Castro in 2011 economische hervormingen doorvoerde, werken ongeveer 1 miljoen Cubanen in de particuliere sector - één vijfde van de totale werkzame bevolking. Een van hen is Yuri (40). Tot voor kort werkte hij in een staatsslagerij voor zo’n 12 dollar per maand. Nu runt hij vanuit zijn huis in het centrum van Havana een van de kleine geïmproviseerde cafeetjes zoals je die nu overal op Cuba tegenkomt. Vanuit zijn raam serveert hij kleine kopjes koffie uit een thermoskan, broodjes en frisdrank.
 
Maar de overheid maakt het kleine zelfstandigen niet makkelijk. ‘Er zijn veel bureaucratische hindernissen,’ zegt Yuri. ‘Voor elke kleine uitbreiding moet betaald worden. Als ik spaghetti wil serveren, heb ik een andere vergunning nodig dan voor hamburgers. Daarbij mag ik alleen de dure producten van de staat inkopen en zijn mijn prijzen vastgesteld door de overheid. Daarom kan ik nauwelijks winst maken.’
De nieuwe relatie met de Amerikanen doet hem weinig. ‘Het zorgt ervoor dat er meer geld binnenkomt, vooral in het toerisme. Maar voor de gewone man verandert er niets.’
 
Sterker nog: de sociaal-economische verschillen worden alleen maar groter. ‘In theorie zijn we allemaal gelijk in Cuba, maar in de praktijk zijn er grote inkomensverschillen tussen wie nationale peso’s en wie inwisselbare peso’s verdient, of geld krijgt uit het buitenland,’ zegt Yoel. ‘Met de opening met de VS zullen die verschillen groter worden.’ 
 
Daarbij zijn de verworvenheden van de socialistische verzorgingsstaat op hun retour. De gratis huizen voor arme Cubanen zijn grotendeels verleden tijd, waardoor jongeren noodgedwongen bij hun ouders blijven wonen. Het sterk gesubsidieerde openbaar vervoer is zo overbelast dat de meesten met het duurdere particulier vervoer moeten reizen. En zelfs de gratis zorg is niet zo heel erg gratis, hoor ik van vele kanten. De dokter wordt zo slecht betaald, dat hij prioriteit geeft aan de patiënten die hem wat extra’s toestoppen.
 
‘Onze regering is een socialistische gever, en een kapitalistische nemer,’ vat Lazaro (60) samen. Hij is eigenaar van een particuliere B&B in Havana, en runt daarnaast een clandestiene tandartspraktijk in zijn badkamer. ‘Als tandarts verdiende ik 20 dollar per maand. Je kan nog beter koffers gaan inladen bij een hotel, dan krijg je alleen aan fooien al meer. Nu krijg ik een pensioen van 15 dollar per maand, daar kan niemand van rondkomen. Het grootste probleem van Cuba is de economie. Jongeren zijn wanhopig, ze zien hier geen toekomst. Ik hoop dat dat met de opening naar de VS gaat veranderen. Maar of daarmee de verworvenheden van het socialisme – gratis zorg en onderwijs, en bijstand voor de armen - behouden kunnen blijven, dat is de vraag.’
 

 

Deze gevangenis lijkt zoveel mogelijk op de buitenwereld (en dat werkt)

07-01-2016, De Correspondent

Hett is spitsuur in de bakkerij. Broodjes gaan over de toonbank, terwijl het bijbehorende eetzaaltje zich vult met families voor de lunch. Bakker Fabián Rodríguez (40) loopt ondertussen af en aan met flessen cola, terwijl zijn vrouw de bestellingen opneemt. Een kind zeurt om een ijsje.

Niets doet vermoeden dat we hier in een gevangenis zijn.

Waarom we daar zijn? Omdat het leven binnen deze Punta de Rieles-gevangenis in de Uruguayaanse hoofdstad Montevideo zo veel mogelijk op het leven in een doodgewoon dorp lijkt.

Dus hebben de ruim 500 gevangenen overdag alle vrijheid om te gaan en staan waar ze willen. Zijn cellen alleen om te slapen - en blijven die in de meeste gevallen nog open ook. Een misdadiger is een product van zijn omstandigheden, is de filosofie daarachter. Wat levert deze filosofie concreet op?

De gevangenis die een dorp is

‘Mijn missie is een omgeving creëren waarin de waardigheid van de gevangene wordt gerespecteerd,’ zegt Luis Parodi (65), sinds een jaar directeur van Punta de Rieles en een van de twee bedenkers van het gevangenisdorp. ‘Dat, en de mogelijkheid om te werken, studeren en andere activiteiten te ontplooien, genereert nieuwe perspectieven.’

Parodi vindt contact met de buitenwereld namelijk heel belangrijk. ‘Ik geloof dat een gevangenisomgeving zo veel mogelijk op de buitenwereld moet lijken, met zowel haar goede als slechte aspecten. Conflicten horen daar ook bij, de uitdaging is om ze op te leren lossen. Want één ding is zeker, deze mensen komen ooit een keer vrij, of we dat nu willen of niet. Hier bereiden we ze daarop voor, in een omgeving die zo veel mogelijk op een leven in vrijheid lijkt.’Zo kunnen de gevangenen - van jonge veelplegers tot veroordeelden voor moord - binnen de muren van het ‘dorp’ werken, boodschappen doen, een potje voetballen, naar school of te kerk gaan, of gewoon een paar matés drinken met hun medegevangenen of familieleden. Ook heeft het ‘dorp’ een eigen radiozender, een ongecensureerde gedetineerdenkrant en bezit elke gevangene een telefoon met beperkt toegang tot internet.

Waarom Parodi zo vooruitstrevend kan zijn? Voor een antwoord op die vraag moeten we even terug in de tijd.

Na het uitkomen van een vernietigend VN-rapport Lees hier meer over dat VN-rapport. over de onmenselijke omstandigheden in de Uruguayaanse gevangenissen in 2009 - zo schreef de rapporteur over overbevolkte gevangenissen waar veroordeelden tot 24 uur opgesloten zaten en veelal gewelddadig werden onderdrukt door gevangenisbewakers - gaf de Uruguayaanse overheid in 2010 het startschot tot een grootscheepse hervorming gericht op resocialisatie en humanisering van het gevangeniswezen.

Inmiddels zijn alle 29 gevangenissen ondergebracht bij een nieuw opgericht Nationaal Instituut voor Rehabilitatie. Het hervormde gevangenisbeleid voorziet nu in mogelijkheden om te werken en te studeren voor de gevangenen, programma’s voor de mentale gezondheid van de gedetineerden, een speciale eenheid voor moeders met kinderen en taakstraffen.

In het kader van datzelfde beleid kregen Parodi en zijn voorganger Rolando Arbesun in 2012 de vrijheid om binnen de muren van Punta de Rieles te pionieren met het model van een gevangenisdorp dat ze voor ogen hadden – een uitvloeisel van vele jaren ervaring in het werken met delinquente adolescenten, in het geval van Parodi. Ook elders in het land wordt geëxperimenteerd met meer vrijheden voor gedetineerden. Zo functioneren een paar gevangenissen als boerenbedrijven, met gevangenen die vrij op het land werken.

De gevangenis waar je een bedrijf op kan zetten

Terug naar Punta de Rieles. Waar de gevangenen zelf werkgelegenheid creëren: 32 van de 36 ondernemingen binnen de muren zijn eigendom van de gedetineerden. Zo zijn er een kruidenier, een bakker, enkele eethuisjes, een kapper, koffietent en zelfs een tattooshop. Wie iets nieuws wil beginnen, dient een ondernemingsplan in, waarna de (renteloze) gevangenisbank al dan niet een lening verstrekt en de ondernemer van start kan.

En dat is een bijzondere transformatie, als je bedenkt dat het voor het gros van de gevangenen hun eerste werkervaring is. Want die vertellen allemaal hetzelfde verhaal. Opgegroeid in een marginale buurt of sloppenwijk, school voortijdig afgebroken, omringd door werkloosheid, criminaliteit en vooral, uitzichtloosheid. Tsja, wat doe je dan?

‘Dan ga je roven, net als de oudere jongens uit de buurt,’ zegt Matias (23), voor de cafetaria waar hij als keukenhulp werkt. Zijn ogen vanonder het witte Nike-petje kijken me vriendelijk aan. Mamá, leest de tatoeage op zijn onderarm. Op zijn negentiende werd hij veroordeeld tot zes jaar voor een overval. ‘Ik praat het niet goed, maar de criminaliteit was het enige voorbeeld dat ik had,’ zegt hij nu.

Arellano was drie jaar geleden met de opening van zijn kruidenierszaak de eerste gevangene om een onderneming te beginnen in Punta de Rieles. Zijn grootste trots zijn twee grote koelkasten, waarvoor hij een sponsorcontract met Coca-Cola wist binnen te halen. Met de inkomsten van de winkel ondersteunt hij zijn familie buiten de gevangenis.‘De realiteit in Uruguay is dat wanneer je opgroeit zonder onderwijs, je uiteindelijk in de cel eindigt,’ zegt ook Antonio Arellano (36), veroordeeld voor een gewelddadige overval. Vijf jaar geleden werd hij overgeplaatst naar Punta de Rieles. Net als Matias belandde hij voor zijn twintigste in de gevangenis.

‘In andere gevangenissen had ik nooit zo ver kunnen komen,’ stelt hij. ‘In Libertad [een zwaarbewaakte gevangenis in Montevideo, YB] zat ik 23 tot 24 uur per dag opgesloten en praatte ik met bijna niemand. Hier heb ik die sociale vaardigheden weer teruggewonnen, nieuwe aangeleerd en mijn middelbare school afgemaakt.’

De gevangenis waar geen bewakers zijn (maar sociaal werkers)

En dat geldt eigenlijk voor iedereen die ik tegenkom op mijn wandeling over het gevangenisterrein. Allen willen graag vertellen over hun ervaringen, niemand heeft problemen met een foto. Spanning is afwezig, de sfeer is vooral gemoedelijk, er worden grappen gemaakt. Wat nog meer opvalt: het gebrek aan geüniformeerde bewakers binnen de muren. Punta de Rieles was in 2012 de eerste gevangenis in Uruguay gerund door maatschappelijk werkers.

Het tweetal Parodi en Arbesun besloot bij hun aantreden in 2012 namelijk alle politiebewakers binnen de muren te vervangen door 110 civiele gevangenismedewerkers: maatschappelijk werkers, onderwijzers en psychologen, onder andere, waarvan 80 procent vrouw. Een deel van hen houdt de veiligheid in de gaten, terwijl anderen een educatieve of sociale functie hebben.

Al het personeel binnen de gevangenis is nu ongewapend. Alleen de legerbewakers op de wachttorens dragen een wapen, net als de politiemedewerkers bij de ingang. Wanneer een conflict dreigt tussen de gevangenen, proberen de medewerkers dat in eerste instantie op te lossen door te bemiddelen tussen de ruziemakers. Loopt het toch uit de hand, dan is de politie dichtbij.

De komst van de maatschappelijk werkers verbeterde niet alleen de relatie tussen de bewakers en de gevangenen – ‘de politie is er om ons te arresteren en te onderdrukken, niet om ons te resocialiseren,’ aldus eerdergenoemde Arellano – maar zorgde ook voor een aanzienlijke vermindering van corruptie binnen de gevangenis, een hardnekkig probleem binnen de Latijns-Amerikaanse politiestructuren. De invloed van ‘buiten,’ in de vorm van de civiele medewerkers, hielp dergelijke structuren open te breken.

En de gevangenis waar iedereen welkom is

In principe zijn alle soorten delinquenten welkom – minus plegers van seksuele delicten – op voorwaarde dat ze de regels respecteren en initiatief tonen tot het ontplooien van activiteiten. In de praktijk blijkt dat één op de vier moet worden teruggestuurd naar de gevangenis waar hij vandaan kwam. ‘Wie geweld gebruikt of drugs verhandelt, moet weg,’ zegt Parodi. Ook wie na een paar maanden nog geen enkel initiatief vertoont, moet vertrekken.

Hoewel agressie binnen de gevangenis weinig voorkomt, ging het ook hier een keer flink mis. Een jaar geleden vermoordde een veroordeelde een medegevangene, vermoedelijk om een openstaande drugsschuld. ‘Het rechtvaardigt het niet, maar we kunnen niet alles onder controle hebben. Bij een dorp hoort helaas ook een begraafplaats,’ zegt Parodi.

Hoe erg ook, het blijft een uitzondering. Wie een tijdje rondloopt over het terrein zal merken dat er een sfeer van respect heerst en dat de gevangenen er vooral iets van willen maken. Dat blijkt ook uit het recidivecijfer, dat na drie jaar vooralsnog blijft steken op 3 procent, tegen meer dan 50 procent gemiddeld in Uruguay.

Directeur Parodi bevestigt de veel lagere terugval, maar waarschuwt niet te vroeg te juichen. ‘Dat ze nog niet terug zijn, betekent niet dat ze aan het werk zijn. Ze kunnen nog zoveel leren hier, maar wanneer ze vrijkomen wacht hen vooralsnog weinig toekomstperspectief. Het ontbreekt in Uruguay nog aan rehabilitatieprogramma’s na de straf. Dan zijn het kleine dingen die hen weer kunnen laten ontsporen.’

Argentinië komt toch weer op stoom

24-10-2015, Het Parool

Argentinië kiest morgen een nieuwe president, waarmee een einde komt aan twaalf jaar kirchnerismo, de links-populistische regeringsstijl vernoemd naar het presidentenduo Christina en wijlen Nestor Kirchner. Hoe laten zij het land achter?

Je houdt van haar of je haat haar. Nu na twee regeertermijnen een einde komt aan het bewind van Christina Fernández de Kirchner (62), zorgt de flamboyante president nog steeds voor verdeeldheid. Volgens de opiniepeilingen is ze onverminderd populair onder bijna vijftig procent van de Argentijnen, en wordt ze verafschuwd door de rest. Ze roemen haar zorg voor de armen en strijdvaardigheid op het internationale toneel, of verdoemen haar autoritaire trekjes en populistische politiek.

Morgen gaan de Argentijnen naar de stembus om een nieuwe president te kiezen, waarmee een einde komt aan de regeerperiode van Kirchner en haar in 2010 overleden man en voorganger Néstor Kirchner. Volgens de grondwet moet een president na twee termijnen aftreden. Welke erfenis laten de Kirchners na? 

Over één ding is iedereen het eens: Het was het onorthodoxe economische beleid van Néstor Kirchner dat Argentinië uit de ergste crisis ooit haalde. In 2002 ging Argentinië failliet met een buitenlandse schuldenlast van 132 miljard dollar, na jaren op krediet te hebben geleefd. Wat volgde was een noodgedwongen devaluatie van de peso, waarmee de Argentijnen een groot deel van hun spaargeld zagen verdampen. 

Met het aantreden van Kirchner in 2003 begon de economische en politieke ommekeer. Kirchner besloot de schuldeisers te negeren en spendeerde de Argentijnse reserves in plaats daarvan aan een uitgebreid pakket van sociale plannen en subsidies voor onder andere levensmiddelen en brandstof, om zo de binnenlandse consumptie weer aan te jagen. En hoewel de eerdere devaluatie meer dan de helft van het land in diepe armoede had gestort, zorgde het er ook voor dat de nationale industrie weer winstgevend kon worden. 

Om de staatskas te spekken, verhoogde Kirchner de belastingen en voerde hij nieuwe exportheffingen in. "Daardoor ontstonden op zowel de begroting als de betalingsbalans overschotten," zegt José Maria Rinaldi, hoogleraar economische politiek aan de Universiteit van Córdoba. 

Toen de economie weer op toeren kwam, ging Kirchner over tot het herstructureren van de schuldenlast. In 2005 bood hij de particuliere schuldeisers aan 25 procent van de schuld terug te betalen, waar uiteindelijk 93 procent mee akkoord zou gaan. 

Eind dat jaar verraste hij het IMF door de openstaande schuld in één klap vervroegd af te betalen, waarna hij het instituut definitief de rug toekeerde. Rinaldi: "Het was een draai van 180 graden ten opzichte van de traditionele economische doctrine dat landen moeten bezuinigen om hun schulden af te lossen, zoals nu met Griekenland gebeurt." 

Met een economische groei van jaarlijks zeven procent nam ook de werkloosheid af en werd de armoede meer dan gehalveerd. Ondertussen bouwde Kirchners vrouw Christina, die in 2007 het stokje overnam, gestaag verder aan de uitbreiding van de welvaartsstaat. Grootste wapenfeiten waren de invoering van kinderbijslag voor gezinnen met lage inkomens, gekoppeld aan een onderwijsplicht voor de kinderen, de uitbreiding van het pensioenstelsel en Futbol para Todos, dat alle voetbalwedstrijden in de hoogste divisie gratis uitzendt op de publieke omroep. 

Daarbij voerde ze progressieve wetten door als de invoering van het homohuwelijk, een vereenvoudigde echtscheidingsprocedure en een pensioenstelsel voor huisvrouwen. Ongekende veranderingen voor een katholiek, conservatief land als Argentinië. Tot slot renationaliseerde ze de in de jaren negentig geprivatiseerde staatsbedrijven zoals oliemaatschappij YPF, die met de pas ontdekte gasvelden in Patagonië weer nieuwe staatsinkomsten moet opleveren. 

Maar critici verwijten de Kirchners, en dan met name Christina, van het irrationeel spenderen van de overheidsuitgaven voor electoraal gewin. "Neem Futbol para Todos. Met het idee van gratis voetbal voor iedereen is niets mis. Maar in plaats van de uitzendingen te financieren met commerciële reclame, vult ze de reclametijd met pure staatspropaganda, betaald met belastinggeld," zegt politiek analist en columnist Claudio Fantini. "Zo betalen we allemaal voor de propaganda van Christina." 

"Kijk, de Kirchners hebben vele positieve hervormingen doorgevoerd - het homohuwelijk, het afschaffen van de amnestiewetten van de dictatuur, de kinderbijslag - met een voor Argentinië ongekende politieke energie en vrijmoedigheid," zegt Fantini. 

"Maar al die goede dingen verliezen hun glans door de manier waarop ze zich de staat hebben toegeëigend. De Kirchners lijken progressief, maar in de jaren negentig waren zij het die tot het laatste moment het rechtse neoliberalisme van president Carlos Menem steunden. Het zijn pragmatici; alles staat in het teken van het behouden van de macht." 

Kirchner vertegenwoordigt volgens Fantini 'een vorm van hedendaags autoritarisme'. "Een egocratie, waarin zij het middelpunt van de macht vormt. Een macht gemaskeerd met een revolutionair discours, appellerend aan iconen als Evita, Fidel en Che Guavara, en aan 'vijanden' als de VS of het kapitalisme, de lijst is lang. Het is ideologische masturbatie voor de middenklasse. Niet voor de armen, want die stemmen vooral voor de subsidies." 

Bovendien komen niet al die subsidies even goed terecht, zeggen zowel aanhangers als tegenstanders van het kirchnerisme. Zo gelden de subsidies voor gas en elektriciteit voor iedereen. "De rijken verwarmen hun binnenbaden met gas dat door de staat wordt gesubsidieerd," schertst econoom Rinaldi, die in 2005 meeschreef aan Kirchners schuldsaneringsplan. "Maar dat is iets waar de volgende regering iets aan zal doen." 

Daarnaast begonnen na jaren van begrotingsoverschotten sinds 2011 de tekorten weer op te lopen, een gevolg van verminderde exportinkomsten door dalende prijzen van met name soja op de wereldmarkt, een belangrijke inkomstenbron voor de overheid, en door verder toegenomen overheidsuitgaven. Als gevolg daarvan stijgen de prijzen jaarlijks tussen de twintig en dertig procent en daalt de peso steeds verder in waarde. 

In de Argentijnse steden merk je weinig van die problemen. De terrassen zijn vol, net als de winkelstraten, waar nauwelijks lege panden te zien zijn. In een wereld in crisis lijkt het Argentinië nog niet zo slecht te gaan. Maar schijn bedriegt, beweren veel rechtse economen. "Het is een fictieve economische realiteit," zegt Alejandro Gay, hoogleraar economie aan de Universiteit van Córdoba. "De economie is oververhit geraakt, maar de regering weigert te snijden in de overheidsuitgaven. In plaats daarvan remmen ze de inflatie door de prijs van de dollar kunstmatig laag te houden en de import te beperken. Het gevolg daarvan is dat investeerders vertrekken." 

Om kapitaalvlucht te voorkomen, legt de overheid sinds 2011 de dollarverkoop aan banden. Daardoor is er een bloeiende zwarte handel in dollars ontstaan. De koers ligt daar nu op bijna 16 peso, tegen een officiële koers van 9,50 peso. 

Door het conflict met de schuldeisers die in 2001 weigerden in te stemmen met het schuldsaneringsplan, is Argentinië bovendien technisch failliet. Hierdoor heeft Argentinië nauwelijks toegang tot internationale geldmarkten voor nieuwe leningen, nodig om de tekorten te financieren. 

De oppositie stuurt aan op een nieuwe devaluatie en een oplossing voor het conflict met de schuldeisers, door Kirchner 'aasgierfondsen' gedoopt. "Devaluatie is onvermijdelijk," stelt Gay. "Het lijkt geen crisissituatie, maar er komt een moment dat de bom barst." 

"Het zijn de argumenten van het rechtse establishment," relativeert journalist en documentairemaker Federico Robles. "Hoe je het ook wendt of keert, de Kirchners laten een land in opkomst na. Misschien nog niet in volle groei, maar wel op stoom, met een buitenlandse schuldenlast die bijna is opgelost. Dat is niet niks, nadat we volledig ten onder gegaan waren aan een bruut yankee-kapitalisme. Die dollars, die komen wel weer."

Voormalige vicepresident Scioli in peilingen aan kop

Morgen gaan de Argentijnen naar de stembus, voor de eerste ronde van de presidentsverkiezingen. Favoriet is Kirchners beoogde opvolger binnen de verkiezingscoalitie 'Front voor de Overwinning', voormalig vicepresident Daniel Scioli, die volgens de peilingen rond 38 procent van de stemmen krijgt. Dat is net niet genoeg om in één ronde te kunnen winnen, waarvoor minimaal veertig procent plus tien procentpunten verschil met de nummer twee nodig is. 

Nummers twee en drie in de peilingen zijn Mauricio Macri, van de rechtse coalitie 'Laten we veranderen', die op 28 procent van de stemmen staat, en Kirchners voormalige kabinetchef Sergio Massa, die met zijn 'Front voor Vernieuwing' inzet op de politieke middenweg, maar vooralsnog te weinig stemmen trekt om door te kunnen naar de tweede ronde. 

Hoewel Scioli 'continuïteit' belooft, staat hij bekend als conservatiever en diplomatieker dan de huidige president. Verwacht wordt dat hij zal snijden in de overheidsuitgaven en de onderhandelingen met de resterende schuldeisers zal heropenen.

Argentijnse burgers stoppen de bouw van Monsanto's maiszaadfabriek

22-09-2015, OneWorld

Met een illegale vergunning begon Monsanto aan de bouw van wat de grootste GMO-maiszaadfabriek ter wereld moest worden, in het Argentijnse stadje Malvinas. Maar op verzet van de bewoners hadden ze niet gerekend. Al twee jaar ligt de bouw stil.

ACHTERGROND – “Fuera Monsanto!” “Weg met Monsanto uit Malvinas, uit Argentinië, uit Latijns-Amerika, weg uit de hele wereld”, besluit de zangeres haar optreden op het derde Lente zonder Monsanto festival afgelopen zaterdag in Malvinas, een stadje zo'n 700 kilometer ten noordwesten van de hoofdstad Buenos Aires. “Fuera!” antwoordt een plein vol festivalgangers in koor, met gebalde vuisten in de lucht. 

In juni 2012 presenteerde de Amerikaanse agrochemische, biotech-multinational Monsanto zijn plannen voor de bouw van de grootste fabriek voor genetisch gemodificeerde maiszaden ter wereld in Malvinas, een slaperig voorstadje van provinciehoofdstad Córdoba.

Argentinië is het land met relatief de grootste oppervlakte transgene gewassen ter wereld, waarvan het overgrote deel geïntroduceerd door Monsanto. Veel onkruidverdelgers waarmee de pesticide resistente gewassen worden besproeid, komen uit de koker van dezelfde biotech-gigant.

Voor de bewoners van Malvinas kwam de aankondiging echter als een totale verrassing. “We hoorden erover op het landelijke nieuws, in een verklaring van de presidente”, zegt bewoonster Vanesa Sartori (29), die nog steeds verontwaardigd is. “Tot op dat moment wisten we van niets, terwijl de gemeente de vergunning om te beginnen met de werkzaamheden al had afgegeven.”

Milieurisico's

Maar met wat daarna gebeurde hadden noch Monsanto, noch de autoriteiten rekening gehouden: de bewoners verzetten zich. Ze vroegen lokale milieuorganisatie FUNAM om de milieueffecten van de toekomstige fabriek te analyseren. De uitkomsten van dat onderzoek maakten de onrust alleen maar groter: de onderzoekers vonden elf mogelijke milieurisico’s, waarvan Monsanto geen of onvoldoende melding had gemaakt bij zijn kennisgeving over het project.

Zo worden de maiszaden behandeld met een bad van pesticiden, waarvan het gebruik bij volledige productiecapaciteit kan oplopen tot 1750 duizend liter per jaar. Een gedegen plan voor de afvoer van die pesticiden ontbrak echter. Ook van de giftige stoffen die bij het drogen van de met pesticiden bewerkte zaden naar het dorp kunnen waaien, op 700 meter afstand van de fabriek, werd geen melding gemaakt door Monsanto.

Risico’s die de autoriteiten hadden moeten evalueren voordat ze de vestiging van de fabriek goedkeurden, volgens de nationale Algemene Milieuwet. Daarbij had de gemeente nagelaten de bewoners te raadplegen over de komst van de fabriek, een tweede voorwaarde van dezelfde wet bij projecten die mogelijk de gezondheid van de omwonenden kunnen schaden.

Nu zijn dergelijke slordigheden doorgaans geen bezwaar in Argentinië, waar belangen van multinationals, landbouwproducenten en de nationale schatkist in de regel zwaarder wegen dan de gezondheid van  zijn inwoners of het milieu. Maar dit keer lagen de kaarten anders. De aankondiging viel samen met een geruchtmakende rechtszaak tegen een producent van genetische gemodificeerde soja tien kilometer verderop in Ituzaingó, een buitenwijk van Córdoba waarvan de bewoners claimden ziek te worden van de vele pesticiden waarmee de velden rondom hun buurt bespoten werden. 

Kortom, voor Monsanto had de timing niet slechter kunnen zijn. In navolging van de protestbeweging van Ituzaingó richtten de bewoners van Malvinas in juli 2012 de bewonersraad Asamblea Malvinas Lucha por la Vida op. Naast het organiseren van protestmarsen en bijeenkomsten begon de bewonersraad een rechtszaak tegen de gemeente Malvinas, die volgens hen Monsanto een illegale vergunning had verstrekt voor het beginnen van de werkzaamheden. “We voelden ons verraden door onze eigen burgemeester”, aldus raadslid Sartori.

Protestfestival

Op dat moment waren de bouwwerkzaamheden al in volle gang, tot frustratie van de bewoners. Terwijl de rechtszaak voortsleepte, besloot de bewonersraad  in september 2013 tot drastischer middelen over te gaan: een permanente blokkade van de fabriek met een kampement. Om de aandacht af te leiden organiseerden ze 19 september een festival voor de poorten van het fabrieksterrein: Het eerste Lente zonder Monsanto festival was geboren.

We konden natuurlijk niet zomaar een kamp neerzetten”, verklaart Sartori. “Dus bij het opbouwen van het festival zetten we ook een paar tenten op, zogenaamd ter bewaking. Na het festival bleven die tenten achter, samen met een honderdtal activisten. Dat was het begin van de blokkade.”

Sindsdien liggen de werkzaamheden op het terrein stil, tot grote ergernis van Monsanto en de gemeente. Ondanks diverse gewelddadige repressies door de politie kwam het nooit tot een ontruiming van het kamp, waar vandaag de dag nog altijd een dertigtal activisten bivakkeert.

Steun van beroemdheden

“De solidariteit met de blokkade was overweldigend”, zegt Sartori. “Elke repressieactie kwam als een boemerang weer terug voor Monsanto en de autoriteiten, met nog grotere steun voor het protest. We hebben bezoek gehad van beroemdheden als Manu Chau, Nobelprijswinnaar Adolfo Perez Esquivel en de Grootmoeders van Plaza de Mayo. Dat heeft veel geholpen om de beweging zichtbaar te maken.”

In januari 2014 behaalden de bewoners hun volgende overwinning. In hoger beroep verklaarde de lokale rechtbank de door de gemeente verleende vergunning aan Monsanto illegaal, en dwong Monsanto de werken stil te leggen tot aan alle voorwaarden van de milieuwet – het evalueren van een milieu-effectenstudie en het raadplegen van de bewoners – was voldaan.

Een maand later presenteerde Monsanto de gevraagde milieu-effectenstudie aan de provinciale regering. Het bleek de genadeklap voor Monsanto: het provinciale ministerie van Milieu wees het rapport af, waarmee de eerder afgegeven toestemming kwam te vervallen.

Geen plan B

Anderhalf jaar later geeft Monsanto zich nog altijd niet gewonnen. “Er is geen plan B. Monsanto is vastbesloten zich in Malvinas te vestigen”, aldus een woordvoerder van Monsanto. Het bedrijf kondigde aan eind dit jaar een nieuwe milieu-effectenstudie te zullen presenteren, ditmaal uitgevoerd met de 'vereiste technische grondigheid, en met raadpleging van de bewoners.'

Daarbij beklaagt het bedrijf zich over ‘het gebrek aan actie van de lokale autoriteiten’ tegen de ‘dertig fanatici’ die sinds twee jaar de toegang tot de fabriek blokkeren, aldus Fernando Giannoni, directeur Corporate Affairs voor Monsanto in Argentinië, in een gesprek met het lokale La Voz del Interior van deze maand. “Zorgwekkender dan het gedrag van die fanatici is de passiviteit van de autoriteiten, die geen enkele actie ondernemen om ervoor te zorgen dat we kunnen doorgaan met de bouw van onze fabriek.”

De autoriteiten houden de deur voorlopig op een kier. “Het woord is aan de bewoners”, stelde de nieuwe burgemeester van Malvinas, na het behalen van de verkiezingsoverwinning afgelopen juni. Maar de kans dat die ’ja’ zullen stemmen is gering. De resultaten van de laatste poll van wetenschappelijk onderzoeksinstituut CONICET waren als volgt: 65 procent van de bewoners is tegen de komst van de fabriek, 20 procent stemde voor de komst van Monsanto.

Bij een rondgang in het stadje stellen alle gevraagde bewoners tegen te zijn. “De banen die de fabriek oplevert zouden we goed kunnen gebruiken”, zegt een bewoner voor de ingang van de lokale kerk. “Maar aan werk dat ons vergiftigt hebben we niets.”

Dat Monsanto juist in Córdoba, de provincie met de aller slechtste milieuwetten en de meeste straffeloosheid van Argentinië, terrein verliest, is veelzeggend

“Wat Monsanto in deze zaak de nek heeft omgedraaid, is hun arrogantie”, zegt bioloog Raúl Montenegro van milieuorganisatie FUNAM. “Als ze vanaf het begin goede studies hadden geleverd, dan was een andere weg mogelijk geweest. Dat Monsanto juist in Córdoba, de provincie met de aller slechtste milieuwetten en de meeste straffeloosheid van Argentinië, terrein verliest, is veelzeggend.

Foto Federico Cabrera

 
Kweken mag, maar er is geen zaad

22-08-2015, Het Parool

'Paradise Seeds Amsterdam' lonkt een stapel folders op de toonbank van growshop Urugrow, in het centrum van Montevideo. De brochures bevatten beschrijvingen van een dertigtal Nederlandse wietsoorten die de Uruguayanen sinds vorig jaar legaal thuis mogen telen. 

Alhoewel, legaal? "Als de inspectie langskomt, ben ik alles kwijt," verzucht growshophouder Juan Manuel Varela (26) terwijl hij aan een waterpijp lurkt. "Het kweken van wietplanten mag dan al een jaar zijn toegestaan, de overheid heeft nog steeds geen zaden goedgekeurd. Alles wat ik verkoop is illegaal."

Mei 2014 tekendede toenmalige president José Mujica de veelbesproken wietwet, waarmee Uruguay zowel de teelt als de verkoop van cannabis legaliseerde. De wet voorziet in drie manieren om legaal aan wiet te komen: na registratie bij de overheid mogen de Uruguayanen maximaal zes planten thuis kweken, of tot 99 planten in groepsverband, met een zogenoemde cannabisclub. Wie daar geen zin in heeft, kan bij de apotheek terecht, waar voor ongeveer een dollar per gram 'staatswiet' wordt verkocht. 

Ruim vijftien maanden na het tekenen van de wet is er echter nog geen staatswietzaadje de grond in gegaan. Bovendien is het zaaigoed voor eigen teelt nog altijd niet gereguleerd, waardoor growshops genoodzaakt zijn illegaal cannabiszaad te importeren. Procedures voor de registratie van de cannabisclubs verlopen moeizaam door een gebrek aan personeel en geld bij de nieuwe handhavingsinstantie Instituto de Regulación y Control del Cannabis (IRCCA). 

Zo zijn er van de twintig zogenoemde 'cannabisclubs' die zich aanmeldden pas drie goedgekeurd. Growshopeigenaar Varela is voorzitter van zo'n club. "Een maand nadat we ons hadden aangemeld, hadden we nog steeds geen antwoord. Ondertussen deed een buurman aangifte van illegale teelt, waarna de politie al onze tweehonderd planten in beslag heeft genomen. Uiteindelijk gaf de rechter ons gelijk, maar toen was alles al verpieterd." 

Martin Gaibisso, voorzitter van Cannabisclub El Piso, had meer succes. "In mei, na een maandenlang bureaucratisch proces, kregen we groen licht van het IRCCA." Sindsdien mogen de 45 leden van de club elke maand veertig gram wiet ophalen, meldt een tevreden Gaibisso. "Voorheen waren we veroordeeld tot de slechte illegale Paraguayaanse wiet die op straat wordt verkocht. Nu roken we topkwaliteit legale wiet. Zo goed dat we er dit jaar de Cannabiscup mee hebben gewonnen." 

"We hebben wat vertraging opgelopen," erkent een hooggeplaatste Uruguayaanse ambtenaar, die officieel geen interviews mag geven. "Uruguay is het eerste land ter wereld om alle aspecten van marihuanagebruik te reguleren. Dat is een complex proces, en bovendien moet de nieuwe regering ons budget nog vaststellen." 

"We zijn begonnen met registratie van de thuistelers, want die waren er al jaren. Inmiddels hebben 2800 kwekers zich ingeschreven, van de geschatte tienduizend in totaal." 

Wettelijk gezien kunnen die niet legaal aan wietzaadjes komen, bevestigt hij. "Het reguleren van de zaadverkoop is lastig, omdat we daarvoor zaaigoed willen verkrijgen dat alleen in Uruguay geteeld kan worden. Op die manier kunnen we wanneer de goedkope Uruguayaanse wiet de grens overgaat, de smokkelwaar traceren tot de bron. Maar een dergelijke genetische exclusiviteit is moeilijk te vinden - het Nederlandse Paradise Seeds vroeg een miljoen dollar voor zo'n zaadje." 

Ook voor de teelt van staatswiet heeft de overheid vooralsnog geen geschikte producenten kunnen vinden. Naar schatting zeventig procent van de Uruguayaanse gebruikers die niet zelf teelt, is daardoor nog altijd veroordeeld tot de illegale drugshandel - die de overheid met de wietwet juist wilde uitbannen. 

"Er is helaas weinig animo om voor een dollar per gram wiet te produceren, de prijs die we als overheid hebben vastgesteld voor de verkoop in apotheken. Aanvankelijk hadden we 22 geïnteresseerde private partijen, afkomstig uit zowel de illegale marihuanateelt als agrarische bedrijven. Maar inmiddels zijn er al twee termijnen verstreken om de benodigde documenten te leveren. 25 augustus loopt de laatste termijn voor registratie af. Wat we dan gaan doen? Dat is de million dollar question." 

Growshophouder Varela heeft er weinig vertrouwen in. "Het IRCCA heeft goede bedoelingen. Maar de wet stamt uit de tijd van Mujica. Nu hebben we een veel conservatievere regeringen en is er veel weerstand tegen marihuanagebruik." 

Toch is de wet een vooruitgang, vindt hij. "Vroeger moest je de gevangenis in als je werd betrapt op thuisteelt, nu nemen ze hooguit je planten in beslag als blijkt dat je niet bent ingeschreven."

 
Te veel vlees

08-08-2015, Zomercolumn Het Parool

De stad was uitgestorven, de lucht zwaar van de hitte en de geur van gloeiend houtskool. We reden de smeltende stadsjungle van Córdoba uit, de omringende sierra in. Aan de oever van de rivier waar we een half uur later aankwamen, stond het al blauw van de rook, elke stenen campingtafel bezet door een voltallige Argentijnse familie, wachtend tot de pater familias de eerste chori van het rooster haalt.
 
"Hoy es un día peronista," zegt mijn vriendje plechtig op zulke zonovergoten zomerdagen, doorgebracht met vrienden en familie en het roosteren van enorme hoeveelheden vlees. Het ware geluk, aldus Péron. En daar had de oude generaal een punt, want veel meer is er niet voor nodig om een Argentijn gelukkig te maken. Op een scorende Messi na dan. 
 
Het was in december, het begin van mijn eerste Argentijnse zomer. De feestdagen kwamen eraan, en aldus werd ik meegesleept van het ene naar het andere eetfestijn. Wat in Argentinië synoniem is voor asado - oftewel een barbecue, maar noem het vooral niet zo - en een asado is geen asado als er geen halve kilo vlees de man op het vuur gaat, weggespoeld met literpullen cola gemixt met Fernet Branca. Dat smaakt als cola met hoestdrank, maar begin ook daar niet over. 
 
Mijn integratie verliep aldus vlotjes, maar na drie van die geheel identieke carnivore schranspartijen in één week was ik er wel een beetje klaar mee. Of ze dan nooit iets anders willen eten, vroeg ik voorzichtig aan mijn Argentijn. "We hebben het beste vlees ter wereld, dus waarom zouden we," antwoordde hij gepikeerd. En daarmee was de kous af. 
 
Mijn redding kwam op 2 januari, de dag dat de Argentijnen massaal de vaca gaan. Vroeger gingen ze daarvoor graag naar het buitenland, zeker in de jaren negentig - toen de peso nog een dollar waard was en de Argentijnen de koning te rijk waren buiten de grenzen. Maar toen knapte de bubbel en sindsdien is de vakantie in eigen land weer en vogue. Of in de eigen provincie, in het geval van de Cordobeses, die simpelweg hun klapstoel opzetten aan een rivier in de eerdergenoemde sierra. 
 
Enfin, binnen een paar dagen stroomde de stad leeg en was het daarbinnen dus gedaan met de asado's. En zelfs de man leek zijn portie wel gehad te hebben. "Mami, het is al de derde asado deze week, het wordt me wat te veel," hoor ik hem tegen zijn moeder zeggen. "Laten we ook wat groenten roosteren."
 
Foto Federico Cabrera
Argentijnen doodziek van pesticiden op soja

30-07-2015, OneWorld

Sinds de introductie van Monsanto’s pesticideresistente gengewassen in 1996 in Argentinië, is het gebruik van bestrijdingsmiddelen met het negenvoudige toegenomen. Omwonenden van de plantages claimen daar doodziek van te worden, en begonnen een rechtszaak tegen de soja-industrie.
 
Het verhaal begint in 2002 met een ontmoeting in de groentewinkel van Ituzaingó, een buitenwijk van de Argentijnse stad Córdoba, 700 km ten noordwesten van de hoofdstad Buenos Aires. Buurtbewoonster Norma Herrera vertelde over haar driejarige dochter met leukemie. De dochter van de winkelhoudster bleek dezelfde ziekte te hebben. En de buurman van Vita Ayllón, derde aanwezige in de winkel, idem. Toevallig? Allen woonden in hetzelfde stratenblok, grenzend aan een genetisch gemodificeerde sojaplantage.
 
Hoe zit het in Europa en Nederland?
Zowel de teelt van GMO-gewassen als het gebruik van glyfosaat zijn controversieel in Europa. De lidstaten zijn het zo oneens over het al dan niet toelaten van de transgene gewassen, dat sinds april dit jaar lidstaten weer zelf mogen beslissen over het al dan niet toelaten van een GMO-gewas, nadat deze door de Europese Voedselveiligheidsautoriteit is toegestaan.   Tot dusver zijn daarvan pas enkele soorten goedgekeurd.Eenzelfde voorstel ligt nu voor GMO-producten op tafel, waarvan nu 58 soorten zijn toegestaan in Europa. Het merendeel daarvan verdwijnt in veevoer, waarvan de productie ondenkbaar is zonder de import van GMO’s: Europa is na China de grootste importeur van de Zuid-Amerikaanse gensoja   Het gebruik van glyfosaat, onlosmakelijk verbonden met de teelt van transgene soja en andere ‘onkruidvrije’ planten, is al even omstreden. In Frankrijk is de vrije verkoop van het middel sinds dit jaar verboden, nadat de WHO het categoriseerde als waarschijnlijk kankerverwekkend.
 In de Tweede Kamer zijn veel partijen tegen het middel, maar een stemming voor een totaalverbod haalde geen meerderheid.
Sinds de introductie van Monsanto’s pesticideresistente GMO-gewassen (onder de merknaam RoundupReady) in 1996 in Argentinië, is de productie van met name soja geëxplodeerd. Het land zag de opbrengsten van het ‘groene goud’ vervijfvoudigen tot een 59 miljoen ton het afgelopen jaar, waarmee Argentinië zich de derde producent ter wereld mag noemen.
 
Schaduwzijde van het 'groene goud'
 
Maar niet iedereen is blij met de Argentijnse sojización. Hoewel de pesticideresistente gewassen in theorie minder bestrijdingsmiddelen nodig hebben dan de conventionele variant, blijkt in twintig jaar het pesticidegebruik juist exponentieel te zijn toegenomen. Per hectare steeg het gebruik van glyfosaat (hoofdingrediënt van Monsanto’s herbicide RoundUp, het bijbehorende product van de RoundupReady-gewassen) met het vijfvoudige, van drie naar vijftien liter per hectare per jaar. Landelijk steeg de glyfosaatconsumptie van 34 miljoen liter in 1990 naar meer dan 300 miljoen liter per jaar nu, volgens cijfers van de Argentijnse overheid.
 
En daar claimen de Argentijnen letterlijk doodziek van te worden. Verscheidene epidemiologische studies in dorpen omringd door sojavelden, wijzen op een ernstige toename van het aantal gevallen van kanker, geboortedefecten en spontane abortussen sinds de introductie van de transgene gewassen, wat artsen en onafhankelijke onderzoekers linken aan het spuiten met glyfosaat en andere pesticiden.  In maart dit jaar classificeerde ook Wereldgezondheidsorganisatie WHO het middel als ‘waarschijnlijk kankerverwekkend voor mensen.’
 
Voor de bewoners van Ituzaingo komt die conclusie jaren te laat. “In 2002 hadden we nog geen idee wat er over de akkers werd gespoten”, zegt Ayllon (61)  nu. “Wanneer een spuitvliegtuigje overkwam, pal langs onze huizen, renden onze kinderen er achteraan, de velden in. Ondertussen hadden veel buurtbewoners last van huiduitslag, luchtwegproblemen en maagklachten. De bel ging rinkelen toen we ons drinkwater lieten onderzoeken – dat kwam toen nog uit een put. Het bleek vol pesticiden te zitten.”
 
Leukemie en kanker 
 
De vrouwen besloten in actie te komen. Met dertien buurtgenoten gingen ze van huis tot huis, en inventariseerden welke ziekten voorkwamen onder de buurtbewoners. De resultaten verwerkten ze in een plattegrond, met voor elke ziekte een andere kleur of icoontje. Roze rondje: kanker, een paar honderd gevallen, op een bevolking van 5.000 inwoners en inmiddels de doodsoorzaak van één op de drie buurtgenoten (tegen een gemiddelde van 18 procent in Argentinië). Blauw rondje: leukemie, zestien patiënten. In een meer recente versie zijn witte rondjes toegevoegd. Dat zijn de sterfgevallen.
 
De vrouwen doopten hun groep ‘Madres de Ituzaingo’, en togen naar het Ministerie van Gezondheid. Aanvankelijk nam niemand de vrouwen serieus, tot een betrokken arts werkend op het ministerie een onderzoek instelde in de buurt. Niet alleen in de grond en het water werden resten van bestrijdingsmiddelen gevonden, maar ook in de lichamen van de buurtbewoners zelf. Bij een bloedonderzoek bleek tachtig procent van de buurtkinderen meerdere soorten pesticiden in het bloed te hebben, tegen vijftig procent van een controlegroep in een buurt verder weg van de sojavelden.
 
Nu, dertien jaar later, lijkt hun strijd eindelijk vruchten te gaan afwerpen. In een zaak aangespannen door zeventig buurtbewoners van Ituzaingó tegen de soja-industrie, zal nu onderzocht worden of er een direct verband bestaat tussen het spuiten van pesticiden en de toename van verschillende ziekten in Ituzaingó. Verdachten in de zaak zijn één sojaproducent, twee eigenaren van bedrijven die pesticiden toepassen: de piloot van een spuitvliegtuigje en een agrarisch ingenieur.
 
Belangrijker dan een veroordeling van de verantwoordelijken uit de soja-industrie, is het ter discussie stellen van het productiemodel zelf, zegt bioloog Raúl Montenegro, president van milieuorganisatie FUNAM in Córdoba en hoofdaanklager in de zaak Ituzaingó. “Kijk, voor de introductie van GMO’s werden ook bestrijdingsmiddelen gebruikt, dus in die zin is dit model niet veel anders. Het probleem is dat de teelt van transgene gewassen, tegen de verwachting, in een exponentiële toename van het gebruik van bestrijdingsmiddelen tot gevolg heeft gehad. Om het model te laten functioneren wordt nu 300 miljoen kilo pesticiden per jaar gebruikt, dat zijn absurde hoeveelheden.”
 
Resistentie vraagt om hogere dosis
 
OneWorld vroeg een reactie aan een agrarisch ingenieur uit Córdoba, vertegenwoordiger van Monsanto en collega van de ingenieur die terecht staat in de zaak. Vanwege de gevoeligheid van het onderwerp wil hij anoniem blijven. “Ja, pesticiden veroorzaken ziekten, daar is geen twijfel over mogelijk. Maar de middelen die nu worden gebruikt zijn wel veel milder dan vroeger. En elke pesticide gaat uit van een maximum dosis waarbij de resten zich in principe niet opstapelen.” Niettemin is het pesticidegebruik met de jaren fors toegenomen, bevestigt de ingenieur. “Er is een neiging naar resistentie, waardoor je steeds meer van het middel nodig hebt.”
 
Maar is dat probleem dan niet inherent aan deze technologie? “Het productiemodel met pesticideresistente GMO-gewassen is inderdaad niet duurzaam. Maar economisch gezien is dat het wel, zeker voor de bedrijven die de techniek ontwikkelen. Ik zeg niet dat er geen alternatieve productiemethoden mogelijk zijn, maar het is de vraag of de maatschappij dat wel wil. Het zou betekenen dat we terug moeten van technologie naar mankracht. Daarbij zou de sojateelt zonder pesticiden geen winst meer opleveren. Het is als de auto, die stoot dodelijke gassen uit, maar dat is geen reden om je auto te laten staan.”
 
Terug naar Ituzaingó. Wat hopen de moeders met de zaak te bereiken? “Het wordt lastig,” verzucht Norma Herrera. “Er zijn grote belangen mee gemoeid. Als er al een gunstige uitspraak komt, dan is de kans groot dat die bij het federale hof omvalt. Aan de andere kant, vroeger werden we voor gek verklaard als we zeiden dat glyfosaat kankerverwekkend is, en nu zegt de WHO (VN-Wereldgezondheidsorganistie, red.) dat ook.”
 
Hoe zit het in Europa en Nederland?
 
Zowel de teelt van GMO-gewassen als het gebruik van glyfosaat zijn controversieel in Europa. De lidstaten zijn het zo oneens over het al dan niet toelaten van de transgene gewassen, dat sinds april dit jaar lidstaten weer zelf mogen beslissen over het al dan niet toelaten van een GMO-gewas, nadat deze door de Europese Voedselveiligheidsautoriteit is toegestaan.   Tot dusver zijn daarvan pas enkele soorten goedgekeurd.Eenzelfde voorstel ligt nu voor GMO-producten op tafel, waarvan nu 58 soorten zijn toegestaan in Europa. Het merendeel daarvan verdwijnt in veevoer, waarvan de productie ondenkbaar is zonder de import van GMO’s: Europa is na China de grootste importeur van de Zuid-Amerikaanse gensoja   Het gebruik van glyfosaat, onlosmakelijk verbonden met de teelt van transgene soja en andere ‘onkruidvrije’ planten, is al even omstreden. In Frankrijk is de vrije verkoop van het middel sinds dit jaar verboden, nadat de WHO het categoriseerde als waarschijnlijk kankerverwekkend.
In de Tweede Kamer zijn veel partijen tegen het middel, maar een stemming voor een totaalverbod haalde geen meerderheid.
 

 

Drugs worden in Argentinië ook normaal

04-07-2015, Het Parool

De narcohandel wint terrein in Argentinië. Verarmde stedelijke zones worden overgenomen door drugsbendes, met toenemende criminaliteit, geweld en sociale problemen als gevolg.

'Ga er niet heen. Ze vermoorden je," waarschuwen de Cordobeses iedereen die een kijkje wil nemen in La Quinta, de beruchtste narcobuurt van het Argentijnse Córdoba, met anderhalf miljoen inwoners de tweede stad van Argentinië en het knooppunt voor cocaïnesmokkel vanuit Bolivia naar andere grote Argentijnse steden. 'Ze' zijn de narco's en hun netwerk van soldados: jargon voor het legertje buurtjongens dat voor de drugsbendes in La Quinta en een twintigtal vergelijkbare buurten in Córdoba werkt.

De veelal nog minderjarige jongens houden de wacht op straat, bezorgen drugs of bemannen de 'kiosken' van waaruit de drugs - cocaïne, marihuana en amfetaminen - worden verkocht. Conflicten, van bendeafrekeningen tot handelsruzies, worden in de regel opgelost met kogels. 

"Meestal schieten ze in het been, als waarschuwing," zegt buurtwerker Mariano Oberlin (41) tijdens een rondleiding door La Quinta, een troosteloze verzameling eenvoudige lage huisjes, uitgebrande autowrakken en hier en daar een krottenwijkje, naast clandestiene vuilnisbelten. "Maar geregeld valt er ook een dode. Soms wel drie in een maand." 

Drugshandel is een groeiend probleem in Argentinië. Vooral de laatste tien jaar nam zowel de export en verkoop als het gebruik van drugs sterk toe. Daarbij worden in toenemende mate drugs geproduceerd in zogenoemde cocinas, 'keukens', waar cocapasta wordt bewerkt tot cocaïne en crack. Een deel daarvan verdwijnt via de havens van Buenos Aires en Rosario naar Europa en de Verenigde Staten, de rest is voor eigen consumptie. 

Tot begin deze eeuw gold Argentinië vooral als doorvoerland voor buitenlandse drugskartels op de route naar Europa. In de jaren negentig nam ook de binnenlandse vraag naar cocaïne en marihuana toe. 

Het was echter pas na de crisis van 2001 dat de drugshandel tot volle bloei kwam. Mexicaanse en Colombiaanse drugskartels zagen zich door de harde aanpak van de narcohandel op eigen terrein genoodzaakt hun routes te verleggen, met name naar Brazilië en Argentinië - beide grenzend aan coca- en marihuanaproducerende landen, met grote internationale havens en een economische infrastructuur die geschikt is voor witwaspraktijken. 

Met het toenemen van de handel nam ook de aanwezigheid van buitenlandse drugsorganisaties toe. "De havens ten westen van Buenos Aires, inclusief Rosario, worden gecontroleerd door de Colombianen; Mexicanen zijn de baas in het noorden van Buenos Aires; de Bolivianen smokkelen vanuit het noorden en controleren Salta, en de Peruanen doen hetzelfde vanuit de provincie Jujuy, tot aan Bajo Flores in Buenos Aires," zegt Association Argentina Antidrogas-directeur Claudio Izaguirre in de Argentijnse krant Clarín. "En de tussenpersonen zijn vaak Argentijnen." 

Maar Argentinië dankt de opmars van de drugsbazen aan meer dan alleen geografie. In de praktijk blijken de narco's relatief ongestraft hun gang te kunnen gaan. Het onderzoek van justitie beperkt zich hoofdzakelijk tot gebruikers en de kleine dealers, de allerlaatste schakels in de drugsketen. Slechts zo'n drie procent van alle drugsgerelateerde onderzoeken was gericht op de narcohandelaren, blijkt uit recente cijfers van de Argentijnse justitie. 

"Alleen gebruikers en kleine verkopers van drugs worden opgepakt en veroordeeld. De rest van de drugsketen, waar de drugs vandaan komen en waar het geld heengaat, wordt niet onderzocht," zegt journalist Juan Federico, die een boek schreef over de narcohandel in Córdoba. "Zo is het sinds 1989 in slechts vijf witwaszaken tot een uitspraak gekomen." 

De opmars van de narcohandel is vooral zichtbaar in de steden, waar de drugsbendes zich installeren in arme, gemarginaliseerde wijken. In Córdoba worden inmiddels 23 van de 380 buurten beschouwd als 'gecontroleerd door narco's', volgens een onderzoek van het Observatorio Seguridad Ciudadana de Córdoba, een ngo (niet-gouvernementele organisatie) die de veiligheid in de provincie onderzoekt. In nog eens veertig buurten is de narcohandel in opkomst. 

De handel leidt ook tot grote sociale problemen. "Ik zie jongens van acht hun eerste joint roken," zegt Oberlin, die een werkplaats voor jongeren runt in Maldonado - één van de vijf buurten van La Quinta. 

"Zeventig, tachtig procent van de jongeren gebruikt drugs. Maar nog schadelijker is de handel, die op zijn beurt criminaliteit en bendeoorlogen veroorzaakt. Wanneer de jongens daarbij betrokken raken, is het heel moeilijk daaruit te komen." 

In de zes jaar dat Oberlin in Maldonado werkt, heeft hij de drugsbendes geleidelijk de buurt zien overnemen. De armoede en werkloosheid in buurten als deze is sinds de Argentijnse schuldencrisis in 2001 hoog gebleven. Veel jongeren stoppen voortijdig met school. Oberlin: "De drugshandel is een uitweg." 

Daarbij voorzien de narco's in wat Oberlin 'sociale netwerken' noemt. "Ze paaien de bewoners met een feestje hier, een nieuw dak op het huis, shirts voor het voetbalteam. In feite betekenen ze meer voor de buurt dan de overheid." 

Sterker, volgens vele stemmen - buurtbewoners, journalisten, onderzoekers - is dezelfde overheid in sommige gevallen actief betrokken bij de handel. De corruptie varieert van politieagenten die steekpenningen aannemen tot directe financiering van politieke partijcampagnes met drugsgeld. 

Zo zouden in 2007 verschillende politieke campagnes, waaronder die van president Cristina Kirchner, zijn gesponsord door dezelfde farmaceuten die van efedrinehandel met Mexicaanse drugskartels worden verdacht. Een onderzoek loopt nog. 

In Córdoba is de link tussen narco's en de autoriteiten nog directer, onthulde het lokale onderzoeksjournalistiekprogramma ADN in een serie. Zo vertelde een voormalige informant van de lokale antidrugseenheid hoe de politie niet alleen samenspande met de narco's, maar ook delen van ingenomen drugs achterhield om door te verkopen. 

Kort daarna werden de chef van de eenheid en nog vijf agenten aangehouden. Aanvankelijk hield de provincieregering de politietop de hand boven het hoofd, maar de publieke verontwaardiging daarop was zo groot dat de chef van de politie en de provinciale minister van Veiligheid hun aftreden aankondigden. 

Maar waar de politie de klappen opvangt, gaat de politiek doorgaans vrijuit. In een vervolgaflevering van ADN zien we hoe oud-parlementslid en functionaris van regeringspartij Partido Justicialista Liliana Juncos een dubbelleven blijkt te leiden als drugsbazin. Undercovers voorzien van verborgen camera's presenteerden zich als dealers bij het huis van Juncos in La Quinta, die nietsvermoedend voor de camera onderhandelt over een cocaïnedeal. 

Het was niet de eerste keer dat Juncos, vertrouwelinge van provinciegouverneur José Manuel de la Sota, werd gelinkt aan drugshandel. Al voor haar aantreden als parlementslid in 2003 stond ze terecht voor betrokkenheid bij heroïnesmokkel. Daarbij staan haar ex-man, zoon en stiefzoon bekend als grote drugsdealers in Córdoba. In 2010 werd ze gelinkt aan de moord op een meisje (4) in dezelfde buurt, wier moeder drugs zou hebben verkocht voor Juncos. 

Maar tot een veroordeling kwam het nooit, ook niet nadat Juncos in 2007 werd betrapt op het uitdelen van choripan y porro (worstenbroodjes en marihuana) om stemmen te werven voor regeringspartij PJ in La Quinta. "Daar zie je de belangrijkste link tussen narco's en politiek," zegt journalist Federico. "De punteros vormen de schakel tussen de politieke macht, de buurt en de narco's. De puntero verzekert de partij van stemmen, met geld van de narco's. In ruil daarvoor kijkt de politiek de andere kant uit." 

"Alle instituties zijn betrokken, daar is geen twijfel over mogelijk," bevestigt Alejandra Oliva van het Observatorio de Seguridad Ciudadana en tot voor kort vervangend minister van Veiligheid. Een post die ze 'gedesillusioneerd' verliet. "Er is geen overheidsbeleid of onderzoek van de justitie om de handel aan te pakken. Drugshandel is de winstgevendste business ter wereld. Het komt niemand goed uit er iets aan te doen."

Exponentiële groei

De Argentijnse narcohandel is exponentieel gegroeid. Werd in 1998 negenhonderd kilo cocaïne onderschept aan de grens met Bolivia, in 2011 trof de marechaussee in één vrachtwagen al een ton aan. 

Volgens het jaarlijkse drugsrapport van de VN uit 2013 eindigde Argentinië tussen 2001-2010 op de derde plaats van herkomstlanden van onderschepte coke ter wereld, na Brazilië en Colombia. Daarbij groeide de binnenlandse consumptie van coke tussen 1999 en 2006 van 1,9 procent naar 2,6 procent van de bevolking. 

Ook werd tussen 1999 en 2010 55.900 kilo efedrine, voor de productie van methamfetaminen, geïmporteerd. Daarvan werd zeker 9800 kilo verscheept naar drugskartels in Mexico, bleek uit onderzoek van de Argentijnse justitie.

Argentinië nadert het uur van de waarheid

21-02-2015, Het Parool

'Nisman beschuldigde de regering en nu is hij dood. Er moet gerechtigheid komen," zeggen Laura en Maria, moeder en dochter uit het Argentijnse Córdoba. Minutenlang klappen ze mee met de duizenden andere demonstranten die zich hebben verzameld in het centrum van de stad en de honderdduizenden landgenoten elders in Argentinië. Als een eerbetoon aan openbaar aanklager Alberto Nisman, maar vooral om een einde te maken aan de straffeloosheid die volgens veel Argentijnen het land regeert.

Precies een maand geleden, op zondag 18 januari, werd de openbaar aanklager dood aangetroffen in de badkamer van zijn appartement in Buenos Aires. De timing was opmerkelijk: vier dagen daarvoor had Nisman president Cristina Fernández de Kirchner en haar minister van Buitenlandse Zaken Héctor Timerman ervan beschuldigd de Iraanse betrokkenheid te verhullen bij de terroristische aanslag in 1994 op het Joodse gemeenschapshuis Amia in Buenos Aires. De maandag erna zou hij zijn beschuldigingen toelichten voor het Congres. "Ik kan hier dood uitkomen," zei Nisman tegen de media. En zo geschiedde.

De vooralsnog onopgehelderde dood van de aanklager heeft het toch al diep gewortelde wantrouwen in de Argentijnse autoriteiten nog verder doen toenemen. "Deze regering is nog slechter dan de vorige. De politici intimideren de rechters en aanklagers, zodat er geen gerechtigheid mogelijk is," zegt moeder Laura, die niet met haar achternaam in de krant wil. "Iedereen is corrupt," valt haar dochter haar bij. "Dat komt omdat je daar in Argentinië ongestraft mee wegkomt."

Daarbij bracht de zaak een diepe politieke en institutionele crisis aan de oppervlakte, die openlijk wordt uitgevochten in de al even gepolariseerde media van het land. Zo zei Elisa Carrió, vertegenwoordiger van de oppositie in het Argentijnse parlement, in antiregeringskrant Clarín ervan overtuigd te zijn dat de regering betrokken was bij de dood van de aanklager. "Ik wist dat ze roofden en systematisch logen, maar dat ze ook in staat waren tot moord had ik niet gedacht," aldus de politica, die tevens kandidaat is voor de oppositiecoalitie Coalición Civica bij de verkiezingen op 25 oktober.

"Ze gebruikten hem levend en nu hadden ze hem dood nodig," repliceerde een furieuze president Kirchner drie dagen na de vondst van het levenloze lichaam van Nisman op haar regeringswebsite. Twee dagen eerder had ze zijn dood nog beschreven als 'zelfmoord', in lijn met de conclusie van openbaar aanklager Viviana Fein, hoofdonderzoeker in de zaak-Nisman. In haar tweede schrijven gooide ze het over een andere boeg en stelde ze dat Nisman het slachtoffer is geworden van een complot waarbij de Secretaría de Inteligencia (SI), de nationale inlichtingendiensten, de aanklager van valse informatie voorzagen om haar regering in diskrediet te brengen.

Haar reactie kwam Kirchner in nationale en internationale media op een golf van kritiek te staan. Een president zou zich niet moeten mengen in een lopende zaak, menen veel critici. "De president en de oppositie zijn zo gepolariseerd dat de zaak meer op politiek dan op juridisch niveau wordt uitgezocht," zei jurist Luis Moreno-Ocampo, oud-hoofdaanklager van het Internationaal Strafhof tegen de BBC. Kirchner echter vindt dat zij 'net als iedere andere Argentijnse burger' het recht heeft zich te verdedigen tegen wat ze beschouwt als valse aantijgingen aan het adres van haar regering.

In 2004 stelde ex-president Néstor Kirchner, de in 2010 overleden echtgenoot van de huidige president, Nisman aan als speciaal onderzoeker in de zaak-Amia. Het onderzoek naar de aanslag liep op dat moment al tien jaar, maar werd kort voor Nismans aanstelling ongeldig verklaard vanwege, jawel, verdenkingen van het verhullen van Syrische betrokkenheid bij de zaak. Onder de verdachten bevonden zich de (van oorsprong Syrische) ex-president Carlos Saúl Menem, twee ex-chefs van de Argentijnse geheime dienst en een rechter. Als de zaak niet nogmaals wordt uitgesteld, zullen zij en andere verdachten zich in juni van dit jaar moeten verantwoorden in de rechtbank.

Nismans focus lag van begin af aan op vermeende Iraanse betrokkenheid bij de aanslag, waarbij 85 mensen om het leven kwamen. In 2006 beschuldigde hij Iran formeel als brein achter de aanslag, die zou zijn uitgevoerd door de Libanese beweging Hezbollah. In navolging van die beschuldiging vroeg Argentinië in 2007 Interpol om de arrestatie van vijf Iraanse functionarissen, onder wie een Iraanse oud-diplomaat van de ambassade in Buenos Aires.

Tot op de dag van vandaag heeft Iran hieraan geen gevolg gegeven, ondanks een herhaald verzoek om uitlevering door de huidige president Kirchner in 2009. Groot was dan ook de verrassing toen begin 2013 de twee landen aankondigden een waarheidscommissie op te richten om de beschuldigingen samen te onderzoeken. Volgens Nisman was de waarheidscommissie in feite een dekmantel voor een geheime deal om de arrestatiebevelen te laten vallen. Als tegenprestatie zou Iran olie leveren, in ruil voor Argentijns graan en wapens. Argentinië heeft een groot tekort aan energie en kan de olie daarom goed gebruiken, schrijft Nisman in zijn inmiddels openbaar gemaakte 289 pagina's tellende onderzoeksrapport.

Zijn beschuldigingen baseerde hij op verslagen van afgeluisterde gesprekken tussen Iraanse en Argentijnse regeringsfunctionarissen. De telefoontaps, waarvan er vijf op de website van antiregeringskrant La Nación zijn af te luisteren, werden hem aangeleverd door spionnen van de SI. Kort daarop kondige Kirchner aan de geheime dienst te zullen ontbinden, om een nieuwe, transparantere inlichtingendienst op te richten.

De SI is nog grotendeels dezelfde als ten tijde van de dictatuur (1976-1983), verklaarde de president. De dienst is berucht in Argentinië om de omvangrijke spionagedossiers waarmee lastige politici, rechters en journalisten onder druk worden gezet om een meer regeringsgezinde koers te varen. Maar nu lijkt die dienst zich tegen de eigen regering te hebben gekeerd.

Sleutelpersoon in het verhaal is Antonio Stiuso, die veertig jaar lang voor de dienst gewerkt zou hebben. De laatste jaren was hij chef operaties onder de regering-Kirchner, totdat hij afgelopen december plotseling werd ontslagen.

Veel van de informatie in het rapport van Nisman was hem toegespeeld door Stiuso, vertelde de aanklager op 14 januari in een televisieinterview, kort nadat hij zijn beschuldiging openbaar had gemaakt. Maar volgens Kirchner waren de inlichtingen van Stiuso vervalst en zouden twee spionnen die Nisman verder noemt, nooit voor de dienst hebben gewerkt.

Vorige week bereikten de spanningen een nieuw hoogtepunt toen Nismans opvolger in de zaak, aanklager Gerardo Pollicita, rechter Daniel Rafecas verzocht een gerechtelijk onderzoek in te stellen naar Nismans beschuldigingen aan het adres van Kirchner. In de loop van komende week moet duidelijk worden of die voldoende bewijs ziet om het onderzoek doorgang te laten vinden. Pas dan zal Kirchner kunnen worden opgeroepen om te getuigen.

De kans dat de president nog tijdens haar kabinetsperiode zal worden gearresteerd, is minimaal. Behalve dat daarvoor een meerderheid van het Congres nodig is, zal het onderzoek vermoedelijk niet voor de verkiezingen van 25 oktober zijn afgerond. Kirchner is overigens geen kandidaat, omdat de Argentijnse grondwet geen derde termijn toestaat.

Kabinetschef Jorge Capitanich noemde de aanklacht 'de grootste juridische coup ooit in de Argentijnse geschiedenis', en 'een enorme persoperatie om de politiek te destabiliseren, zonder enige juridische betekenis'. Daarbij publiceerde de regering een 68 pagina's tellend document waaruit zou blijken dat Nisman geen enkel bewijs had die zijn beschuldigingen hard zouden maken.

Jurist Moreno-Ocampo, die als openbaar aanklager kopstukken uit de tijd van de militaire junta vervolgde, deelt die mening. "Nisman heeft geen bewijzen dat de president zich schuldig maakte aan verhulling," zegt hij tegen Radio America. "Dat is niet erg, want een aanklager hoeft ook nog geen bewijzen te hebben. Hoe dan ook zal rechter Rafecas de zaak moeten onderzoeken, en ook de president moet er alles aan doen de zaak zo snel mogelijk op te lossen, zodat ze haar regeringsperiode waardig kan afsluiten."

Ondertussen blijft de dood van de aanklager een raadsel. Vooralsnog houdt de aanklager alle opties open - moord, zelfmoord of de zogenaamde 'opgelegde zelfmoord', een klassieker in de Argentijnse traditie van politieke aanslagen. Maar wie er ook achter zat, duidelijk is dat zijn dood de regering-Kirchner in een diepe politieke en institutionele crisis heeft gestort. Met nog acht maanden te gaan tot de komende presidentsverkiezingen zal het lastig worden die schade nog in te halen.

Het grote experiment is geslaagd, en nu?

29-11-2014, Het Parool

Of ze hem nu beminnen of verguizen, over één ding zijn alle Uruguayanen het eens: in de wereld bestaat geen tweede van hun president José 'Pepe' Mujica. De excentrieke president stond aan de wieg van een reeks sociale hervormingen die het kleine landje in twee jaar tijd tot het progressiefste land van Latijns-Amerika maakten. Zo trad augustus vorig jaar het eerste Uruguayaanse homostel in het huwelijk, is sinds twee jaar abortus toegestaan en trok Uruguay eind vorig jaar internationaal de aandacht als het eerste land ter wereld waar zowel de teelt als de verkoop van wiet volledig is legaliseerd.
 
Voor de 25-jarige Victoria Silva, die lesbisch is, zijn het welkome veranderingen. "Het laatste jaar is er veel campagne gevoerd rond homoseksualiteit." Ze wijst naar het Casa de Casamientos, het trouwhuis in het centrum van Montevideo. "Sinds vorig jaar lopen daar ook homostellen naar buiten, heel leuk." Dan haalt ze een klein doosje uit haar zak, tovert een halve joint tevoorschijn en zet er de vlam in. "Eigen kweek," zegt ze triomfantelijk, en blaast de rook sierlijk de lucht in. 
 
Verrassend genoeg heeft de 79-jarige president zelf weinig op met de onder zijn volk zo geliefde porro, zoals een joint hier wordt genoemd. Wel gelooft Mujica door het legaliseren van de handel de toenemende drugsproblematiek een halt toe te kunnen roepen door de handelaars hun afzetmarkt te ontnemen. 
 
Het typeert de onconventionele regeringsstijl van de president. Ter illustratie: de oplossing van de rechtervleugel van de regering voor het drugsgeweld bestond uit het verlagen van de strafbare leeftijd naar zestien jaar, een voorstel dat het in een referendum vorige maand net niet heeft gehaald. 
 
Ook de levensstijl van 'El Pepe' is atypisch te noemen. Hij woont niet in de presidentiële villa, maar in hetzelfde simpele huisje op een heuvel in de hoofdstad Montevideo waar hij de afgelopen 28 jaar woonde, met zijn vrouw en een hond met drie poten. Hij leeft van een bescheiden inkomen van zo'n 1200 euro in de maand, want het leeuwendeel van zijn presidentiële salaris geeft hij weg; dat geld gaat naar een huizenproject voor arme mensen. 
 
'De armste president ter wereld' doopten de internationale media hem. Maar dat is een denkfout, aldus de president. "Arm zijn mensen die steeds meer willen consumeren. Niet meer bezittingen, maar geluk zou het hoogste doel van de mens moeten zijn." 
 
Morgen kiezen de Uruguayanen een nieuwe president, in de tweede ronde van de presidentsverkiezingen. De beste papieren heeft oud-president Tabaré Vasquez (74), die van 2005 tot 2010 de eerste regering van het Breed Front leidde, een coalitie van linkse partijen waartoe ook Mujica behoort. Onder zijn leiding werd de fundering gelegd voor de sociale politiek waarmee Mujica de laatste jaren de armoede terugbracht naar één van de laagste niveaus op het continent. Zo verminderde hij de inkomensongelijkheid door een nieuw progressief belastingschijvensysteem in te voeren, kwamen er sociale voorzieningen voor de armen en hervormde hij de openbare gezondheidszorg. 
 
Ondanks deze staat van dienst is de verkiezing nog geen gelopen race, menen politieke analisten in het land. Vasquez' tegenstrever, de veel jongere Luis Lacalle Pou (41), kandidaat voor de traditionele Nationale Partij, wist in de aanloop naar de eerste ronde van de verkiezingen een verrassende inhaalslag te maken. Hij behaalde 31 procent van de stemmen, tegen Vasquez 47 procent. Pedro Bordaberry, kandidaat van de rechtse partij Colorados, die 13 procent van de stemmen in de wacht sleepte, zegde daarop prompt zijn steun aan Lacalle Pou toe. 
 
Maar meer dan de vraag wie in de voetsporen van Mujica zal treden, draait de verkiezingsstrijd om het voortzetten van de progressieve sociale politiek van het Breed Front, dan wel een terugkeer naar het meer conservatieve beleid van de Nationale Partij en de Coloradopartij, de traditionele regeringspartijen die tot 2004 het land leidden. 
 
"Progressief? Het is maar hoe je het bekijkt," zegt ondernemer Manuel Lopez (52), die morgen op Lacalle Pou stemt. "Het onderwijs is een drama, de ambtenarij is inefficiënt en corrupt. Mensen vergelijken ons graag met landen waar het minder gaat, maar ik kijk liever naar boven." 
 
"Er moet nog veel gebeuren," geeft een campagnemedewerkster van het Breed Front toe. "Maar we komen dan ook van ver. In 2002 werd Uruguay meegesleept in de crisis van buurland Argentinië. Er was geen werk, veertig procent van de mensen leefde onder de armoedegrens en duizenden jongeren verlieten het land. Nu staan we er veel beter voor. De lonen zijn hoger, de sociale voorzieningen beter en de werkloosheid is met zeven procent lager dan ooit." 
 
Maar lang niet iedereen is blij met de radicale sociale politiek van het Breed Front. Vooral de groeiende middenklasse klaagt over de extra belastingen, dure sociale voorzieningen voor de armen, toegenomen onveiligheid in de steden en - ondanks forse overheidsinvesteringen - de slechte kwaliteit van het onderwijs. Ook de invoering van de wietwet en de legalisering van abortus stuitte op veel weerstand, vooral in het agrarische binnenland. 
 
Voor hen komt de politicus en advocaat Lacalle Pou als geroepen. Hij stemde in 2012 tegen de abortuswet en kondigde aan dat hij bij een verkiezingszege de in december aangenomen cannabiswet goeddeels zal terugdraaien. Ook belooft hij sterk in te zetten op de verbetering van veiligheid en onderwijs, zaken waarin de regering-Mujica volgens de oppositie heeft gefaald. 
 
Maar ook Vasquez lijkt een stuk behoudender te zijn dan Mujica. In 2008 sprak hij als president zijn veto uit tegen de legalisering van abortus. En nadat in 2012 de abortuswet alsnog was aangenomen, zij het in een wat beperktere vorm, initieerde hij een referendum om ook die wet ongedaan te maken - iets wat hem door menige aanhanger van het Breed Front bepaald niet in dank werd afgenomen. 
 
Voor veel Uruguayanen is hun stem hoofdzakelijk één voor het doorregeren van het linkse Breed Front. "Ik stem op Vasquez, maar alleen omdat ik niet wil dat Lacalle Pou wint," zegt kok José Bidegain. "Voor mij is het kiezen tussen twee kwaden. Het is jammer dat Mujica geen tweede termijn kan regeren. Hij is onconventioneel en eerlijk, en vertegenwoordigt waar ik voor sta. Vasquez is veel conservatiever." 
 
Politicoloog Camilo López, docent aan de universiteit van Montevideo, bestrijdt dat laatste. "Vasquez is niet per definitie behoudender dan Mujica. De hervormingen die Vasquez tijdens zijn regeringsperiode doorvoerde, waren weliswaar minder zichtbaar voor de internationale media, maar minstens zo vooruitstrevend. Maar veel mensen, de media incluis, zien dat over het hoofd." 
 
"Ik denk niet dat Vasquez de hervormingen van Mujica wil terugdraaien," zegt ook politicoloog Gerardo Caetano. "Bovendien is het Uruguay van nu anders dan dat van tien jaar geleden. De maatschappij is veeleisender geworden en wil doorgaan op de ingeslagen weg. Wanneer Vasquez wint, zal hij moeten bewijzen dat hij de sociale hervormingen van de afgelopen jaren kan verankeren. Dat is zijn grootste uitdaging."
Stabiel en welvarend
Uruguay, ingeklemd tussen de giganten Argentinië en Brazilië, is met 3,4 miljoen inwoners het twee na kleinste land van Zuid-Amerika. Het kent een lange traditie van progressief sociaal beleid; zo maakte de overheid al in 1877 het onderwijs gratis, seculier en verplicht voor iedereen, en bouwde het begin twintigste eeuw één van de eerste welvaartsstaten ter wereld, met een vijfdaagse werkweek, uitkeringen voor werklozen en een wet die kinderarbeid verbood. Uruguay geldt ook als één van de minst katholieke van het continent - kerk en staat zijn er al sinds 1917 gescheiden. 
 
Verschillende economische crises - de laatste in 2002 - en een periode van dictatuur tussen 1973 en 1985 brachten de ontwikkeling tot stilstand. Maar sinds tien jaar gaat het Uruguay weer voor de wind. Het land kent sinds 2004 een stabiele economische groei en telde vorig jaar een historisch laag werkloosheidspercentage van 6,3 procent. Daarbij heeft Uruguay na Chili de minste armen en daklozen van het continent en staat het te boek als één van de minst corrupte landen van Latijns-Amerika.
 

 

'Onze kinderen willen werken'

11-10-2014, Het Parool

Het centrum van La Paz, rond negen uur. Een meisje, gekleed in een lichtroze donsjack, is in slaap gedommeld, leunend tegen het geïmproviseerde kraampje met snoep, kauwgom en zakdoekjes. Naast haar ligt een handvol munten. Ze schrikt wakker, een klant. "Uno cinquenta," zegt ze geroutineerd, "heb je er tien cent bij?"
 
Michele heet de verkoopster, elf jaar oud. Elke dag na school en in het weekend bemant ze dit kraampje, langs een drukke weg in La Paz. Tot tien uur 's avonds, alleen. "Mijn mama heeft geld nodig," antwoordt ze op de vraag waarom ze werkt. "En papa zit in de gevangenis." 
 
Michele is geen uitzondering in Bolivia. Geschat wordt dat ongeveer 850.000 Boliviaanse kinderen tussen de vijf en zeventien jaar regelmatig werken - 28 procent van alle kinderen en 35 procent van de totale werkzame bevolking, volgens cijfers van de regering en Unicef. Je ziet ze overal - als straatverkoper, in het restaurant van de familie, als sjouwer op de markt. Minder zichtbaar zijn de vele kinderen die onder gevaarlijker omstandigheden werken, zoals in de mijnen, op suikerrietplantages en in de nachtelijke uren. 
 
Ruim de helft van hen is onder de veertien jaar, tot voor kort de minimumleeftijd om te werken in Bolivia. Maar afgelopen zomer tekende Boliviaanse president Evo Morales een hervorming van de kinderarbeidswet waarmee ook kinderen onder de veertien legaal aan de slag kunnen - vanaf twaalf jaar in loondienst, en vanaf tien als zelfstandig ondernemer. Daarmee is Bolivia het enige land ter wereld dat kinderen zo jong toestaat om te werken.
 
"De realiteit is dat veel kinderen werken," zegt Isbel Flores, coördinator bij Sarantañani, een educatiecentrum voor werkende kinderen in La Paz. De organisatie is niet tegen kinderarbeid op zich, maar wel tegen uitbuiting van kinderen.  "Werken is voor ons een waardevol onderdeel van onze cultuur. Door het te verbieden ontneem je de kinderen hun rechtsbescherming en drijf je ze de illegaliteit in, waar ze ten prooi vallen aan de uitbuiting door volwassenen. Beter is het om te zorgen voor betere arbeidsomstandigheden en de kinderen het respect te geven dat ze verdienen." 
 
"Daarbij zijn niet alle werkende kinderen zielig," benadrukt Flores. "Kinderen in Bolivia werken ook omdat ze het willen. Omdat ze mooie schoenen willen kopen, een mobiele telefoon, of boeken voor school. Vroeger werkten kinderen puur om te overleven. Maar die motieven zijn aan het veranderen. Kinderen willen nu werken om hun leven beter te maken." 
 
De wetshervorming was een initiatief van de Union de Niños y Adolescentes Trabajadores de Bolivia (Unatsbo), de vakbond voor werkende kinderen. De organisatie vertegenwoordigt duizenden kinderen in zeven van de negen departementen in Bolivia en strijdt voor hogere lonen, betere werkomstandigheden en goed onderwijs.
 
December vorig jaar trok de organisatie door de straten van La Paz om hun grootste wens te af te dwingen: een opheffing van het verbod om te werken onder de veertien jaar. Nu zijn vakbondsdemonstraties aan de orde van de dag in Bolivia, net als het geweld waarmee de politie het protest beëindigde. Alleen ging het dit keer om kinderen, en de verontwaardiging over het geweld haalde de nationale pers, waarna president Morales de vakbondsleiders uitnodigde om hun eisen te bespreken.  "De president vertelde ons dat hij zelf op zijn zevende is begonnen met werken," memoreert vakbondsleider Hector Condori (18). "Daarom begreep hij waar we het over hadden en beloofde hij ons te steunen." 
 
Ook Condori werkt sinds zijn zevende. Tot zijn veertiende hielp hij zijn moeder met het verkopen van knuffels op de markt, met ieder een eigen kraam. Sinds zijn veertiende verdient hij zijn geld als zebrita, de als zebra's verklede verkeersregelaars van La Paz. Daarbij werkte Condori vier jaar lang samen met andere Unatsbo-vertegenwoordigers aan de recente wetshervorming.  "Aanvankelijk wilde niemand naar ons luisteren. Als kinderarbeid legaal zou worden, zouden alle kinderen stoppen met school, zeiden de senatoren. Maar dat is een leugen, wij zijn juist heel gedisciplineerd. Ik ben de beste van mijn klas." 
 
Morales hield woord. Maandenlang onderhandelden de vertegenwoordigers van Unatsbo met de regering over de hervorming van de kinderarbeidswet. Grootste obstakel vormden de conventies van de Internationale Arbeidsorganisatie ILO, waarbij ook Bolivia is aangesloten, die bepalen dat kinderen in ontwikkelingslanden pas vanaf veertien jaar mogen werken. Overeengekomen werd om de minimumleeftijd op veertien jaar te houden, maar dat in 'uitzonderlijke sociaal-economische' gevallen ook jongere kinderen toestemming kunnen krijgen, op voorwaarde dat ze ook naar school gaan en uit vrije wil werken.  In de praktijk zijn die gevallen echter eerder regel dan uitzondering - hoewel de armoedecijfers de laatste jaren flink zijn gedaald, leefde in 2011 nog altijd 45 procent van de Boliviaanse bevolking onder de nationale armoedegrens. Voor veel families is kinderarbeid de enige manier om het hoofd boven water te houden. 
 
Tegenstanders van de wet, waaronder ngo's als Human Rights Watch, de Permanente Vergadering voor de Rechten van de Mens in Bolivia en de landelijke Kinderombudsman beschouwen de wet als een achteruitgang. "Met de nieuwe wet breekt Bolivia met de bestaande internationale conventies, opgericht ter bescherming van de kinderen. Door kinderen vanaf tien jaar toe te staan voor zichzelf te werken, lopen ze het risico te worden blootgesteld aan mishandeling en uitbuiting," zegt kinderombudsman Marcelo Claros. 
 
Maar volgens vakbondsleider Condori ziet de ombudsman daarmee de Boliviaanse realiteit over het hoofd. "Wij werken niet omdat we dat willen, maar omdat we dat moeten. Om onze familie te helpen en onze opleiding te betalen. Uiteindelijk zal kinderarbeid in Bolivia verdwijnen, maar zover zijn we nog lang niet. Daarom vragen wij erkenning van ons werk, met minimumlonen, sociale verzekeringen en pensioenopbouw. We willen dezelfde rechten als een volwassene."
 
Cijfers - 850.000 Boliviaanse kinderen tussen de 5-17 jaar werken, 35 procent van de totale werkzame bevolking.  - Kinderen onder dertien jaar verdienen gemiddeld 233 bolivianos per maand, zo'n 27 euro. Oudere kinderen krijgen meer, ongeveer 66 euro.  - 87 procent van het werk wordt beschouwd als gevaarlijk voor de fysieke of mentale gezondheid, zoals het werk in de mijnen, in de landbouw of als alcoholverkoper.  - 77 procent werkt voor de familie, zonder betaling. Negentien procent werkt voor zichzelf, vooral in de steden.  - 22.270 kinderen gaan vanwege hun werkzaamheden niet naar school.
 
Verkiezingen
 
Morgen gaan de Bolivianen naar de stembus voor de presidents- en parlementsverkiezingen. De uitkomst zal vermoedelijk weinig verrassend zijn: Evo Morales, sinds 2006 als eerste president van indiaanse afkomst aan de macht in Bolivia en nu in de running voor zijn derde termijn, geniet nog altijd grote steun onder de grotendeels inheemse en arme bevolking van Bolivia, net als zijn Beweging voor het Socialisme (MAS).  Zijn kandidaatstelling is omstreden, omdat volgens de nieuwe Boliviaanse grondwet uit 2010 een president maar twee termijnen mag dienen. Een vorig jaar goedgekeurde wet maakt een derde termijn alsnog mogelijk: volgens het Constitutioneel Hof zou zijn eerste termijn nog onder de oude grondwet vallen, en daardoor niet meetellen.
En weer wint olie het van de natuur

14-06-2014, Het Parool

Natuurbeschermers strijden vergeefs voor het behoud van een bijzonder stuk regenwoud in het Amazonegebied. De Ecuadoraanse regering geeft de olie-industrie vrij baan.

'Señor Presidente,' staat op het spandoek dat een tiental Ecuadoranen op het centrale plein van Quito met zich meedraagt. 'Wij zijn vóór oliewinning in Yasuní, omdat we betere wegen, onderwijs en gezondheid ervoor terugkrijgen.' 

Het plein in de hoofdstad is volgestroomd met de aanhangers van president Rafael Correa, die hier eens per week het volk toewuift vanaf het presidentiële bordes. Geheel volgens traditie is het na de ceremonie tijd voor protesten.

'Behoud de rijkdom onder én boven de grond', protesteert een groepje indianen, pal naast hun opposanten. Onderwerp van discussie is het natuurreservaat Yasuní, een bijzonder stuk regenwoud in het Amazonegebied van Ecuador. Het park telt niet alleen het grootste aantal dier- en plantensoorten ter wereld, maar ook enkele indianenstammen die nog altijd zonder contact met de buitenwereld leven. Helaas voor hen is ook de ondergrondse rijkdom groot. Het park ligt bovenop Ecuadors grootste bron van inkomsten: aardolie. 

Hoewel al sinds de jaren zeventig olie wordt gewonnen in het park, werd het oostelijk deel van Yasuní, rond de rivieren Ishpingo, Tambococha en Tiputini (ITT), tot nog toe ongemoeid gelaten. Niet alleen is dit het meest afgelegen en ongerepte deel van het Ecuadoraanse regenwoud - met per hectare meer plantensoorten dan in de VS en Canada bij elkaar - ook ligt hier de grootste nog onaangebroken olievoorraad van Ecuador opgeslagen. Naar schatting liggen er 850 miljoen vaten olie verstopt, goed voor twintig procent van het totaal. 

In augustus vorig jaar kondigde Correa aan ook ITT te gaan exploiteren. Een opvallend besluit, want de afgelopen jaren voerde de president juist fervent campagne om dit bijzondere stuk regenwoud te behouden. 

In 2007 bedacht zijn regering een opmerkelijk plan. In ruil voor 3,6 miljard dollar (2,7 miljard euro) aan donaties van de internationale gemeenschap - de helft van wat de oliewinning volgens de regering zou opleveren - zou de olie van ITT ondergronds blijven. Daarmee was het voortbestaan van het park gegarandeerd en zou het leefgebied van de ongeveer drieduizend indianen in het reservaat niet verder worden ingeperkt. 

Natuurorganisaties reageerden enthousiast, regeringen iets terughoudender. Chantage, oordeelde Denemarken. Andere betwijfelden de geloofwaardigheid van de Ecuadoraanse regering en wilden meer inbreng in de besteding van het geld. Zodoende viel de opbrengst tegen: in 2013 stond de teller pas op dertien miljoen dollar en nog eens honderd miljoen aan toezeggingen. 

Te weinig, oordeelde Correa bij zijn aankondiging het ITT-initiatief voortijdig af te blazen - aanvankelijk was dertien jaar uitgetrokken om het geld binnen te halen. "De wereld heeft ons in de steek gelaten," aldus de president, die de internationale gemeenschap beschuldigde van hypocrisie - ze zouden zelf de grootste vervuilers zijn, maar niet bereid zijn daarvoor te betalen. 

Hoewel Ecuador relatief weinig olie produceert, zo'n 500.000 vaten per dag, is het land sterk afhankelijk van zijn olie-inkomsten. Het zwarte goud is goed voor meer dan de helft van de export en een derde van het nationale inkomen. De verwachte opbrengst van het olieveld onder ITT, ongeveer achttien miljard dollar, is volgens Correa hard nodig voor de ontwikkeling van Ecuador, waar ongeveer de helft van de bevolking op de armoedegrens leeft. 

"Het ontbreekt de regering aan creativiteit," vindt natuuractivist Jorge Espinosa van Yasunidos, een collectief van natuur- en mensenrechtenorganisaties. "De focus op olie heeft ons de laatste decennia meer kwaad dan goed gedaan. Daarbij is er alleen al zes miljard nodig om te kunnen beginnen met boren, terwijl de inkomsten nog jaren op zich laten wachten. De werkelijke opbrengst is dus relatief klein." 

Het collectief verzamelde in het afgelopen half jaar bijna 760.000 handtekeningen om een referendum over het behoud van het nationaal park af te dwingen. Volgens de Ecuadoraanse wet zijn daar 584.000 handtekeningen voor nodig, vijf procent van het aantal kiesgerechtigden. Meer dan genoeg handtekeningen dus, ware het niet dat de nationale kiesraad van Ecuador (CNE) begin mei bekendmaakte er ruim 400.000 af te keuren, waarmee de volksraadpleging van de baan is. "Een monumentale flop," noemde Correa het initiatief van Yasunidos in de Ecuadoraanse krant El Tiempo. 

Maar volgens het collectief zijn de resultaten gemanipuleerd. Zo zouden er identificatiebewijzen op mysterieuze wijze zijn verdwenen, waardoor een groot deel van de handtekeningen op voorhand werd gediskwalificeerd. Daarbij mochten slechts zestien toezichthouders naar binnen om tweehonderd tellers te controleren. 

"De verkeerde kleur inkt, een klein scheurtje in het papier, alles werd aangegrepen om de handtekeningen af te keuren," aldus Espinosa. Het collectief heeft bezwaar aangetekend tegen de uitslag en maakt zich op voor een gang naar de rechtbank. 

Niettemin bestaat veel weerstand tegen de plannen. Ruim zeventig procent van de Ecuadoranen is vóór een volksraadpleging over Correa's besluit tot exploitatie van Yasuní, blijkt uit een recente opiniepeiling. Met de regeringscampagne '0,01 procent voor een beter Ecuador' poogt Correa de Ecuadoranen nu te overtuigen van de noodzaak tot boren. Door de beste technieken te gebruiken wordt slechts één duizendste van het park aangetast, stelt de regering. 

"De schade is natuurlijk veel groter dan die 0,01 procent," zegt bioloog Kelly Swing. Hij is directeur van het Tiputini Onderzoeksstation in Yasuní en doet sinds 1994 onderzoek in het reservaat. "Er moet een hele nieuwe infrastructuur worden aangelegd, voor de aanleg van wegen, pijplijnen en huizen voor de oliewerkers. Hiervoor moet een groot gebied worden ontbost. De regering doet alsof je alleen maar een put hoeft te boren." 

Ter compensatie voor de oliewinning belooft de regering geld te stoppen in het verbeteren van de leefomstandigheden van de indianengemeenschappen in het park, zoals beter onderwijs en gezondheidszorg. Maar volgens Swing brengt de praktijk weinig vooruitgang voor de indianen. "Voor de inheemse gemeenschappen betekent de overgang naar de moderne wereld doorgaans dat ze vooral de slechte dingen meekrijgen. Prostitutie en alcoholmisbruik, maar ook vervuiling met olieafval van de rivier waar ze uit drinken en zich in wassen. Er wordt ze een rooskleurige toekomst voorspeld, maar de werkelijkheid is anders." 

Nu het referendum niet doorgaat, is de exploitatie van ITT een feit. Onlangs gaf het ministerie van Milieu officieel groen licht aan staatsbedrijf Petroamazonas om te beginnen met de voorbereidingen voor de oliewinning. Petroamazonas verwacht in maart 2016 de eerste vaten olie naar boven te halen. 

Volgens Swing zal met de exploitatie van ITT uiteindelijk het hele park verloren gaan. "Men schijnt te vergeten dat al sinds de jaren zeventig olie wordt gewonnen in Yasuní. Nu is ongeveer de helft van het park aangetast. ITT zal een springplank zijn om ook de overige delen van het reservaat te exploiteren. Hetzelfde is tussen de jaren zestig en negentig gebeurd in het noordoosten van Ecuador, waar Texaco olie won in een regenwoud met een waarschijnlijk nog grotere biodiversiteit dan in Yasuní. Daar is nu niets meer van over."

Bliksemafleider

De afgelopen jaren stond het behoud van Yasuní volop in de aandacht van internationale media en natuur- en mensenrechtenorganisaties. Maar wat haast onopgemerkt bleef, zijn Ecuadors plannen voor de exploitatie van de overige olievelden en andere natuurlijke bronnen van het land. 

Zo schreef de regering het afgelopen jaar concessies uit voor dertien nog te exploiteren olievelden in het zuidoosten van Ecuador, elk met een oppervlakte van zo'n tweehonderd hectare. Nog eens drie blokken werden toegewezen aan staatsbedrijf Petroamazonas. 

Daarbij hoopt de regering tweehonderd miljard dollar binnen te halen met de winning van koper en goud in andere delen van het land. Protesten van de lokale bevolking tegen de plannen worden hard neergeslagen - zo bepaalt in de Intagvallei in het noorden van het land sinds enkele weken het leger wie het gebied in en uit mag, als gevolg van protesten tegen koperwinning in de vallei. 

"Exploitatie is noodzakelijk voor een duurzame ontwikkeling van de economie van Ecuador," zei president Correa bij de aankondiging van de verdere exploitatie van Yasuní in het Ecuadoraanse parlement. "Het zou absurd zijn om onze natuurlijke bronnen niet te benutten, als bedelaars aan een kust van goud."