Ynske schrijft

Ynske Boersma +31645192530

blancodesign
Aan de rand van de afgrond

september 2016, Columbus Magazine

‘Kijk, die lijkt nog het meest op een fallus!’ zegt onze gids Chunel enthousiast. Hij wijst naar een metershoge rots even verderop in de vallei, een door zon en wind uitgesleten maanlandschap vol metershoge rotsformaties die recht omhoog de lucht insteken. En wel, de gelijkenis met het mannelijk geslachtsdeel is inderdaad treffend. Niet voor niets doopten de Rarámuri, de inheemse bewoners van dit gebied, dit de Vallei van de Penissen. Een practical joke van de goden, aldus Chunel, zelf ook geboren en getogen in een Rarámuri-gemeenschap. ‘Volgens de legende van de Rarámuri is de wereld gemaakt door onze padre Onorúame en zijn oudere broer. Tijdens het werk hielden ze af en toe even stil om uit te rusten, waarbij ze een spel speelden met de nog vloeibare steenmassa, en deze rotsen boetseerden.’

Ook op andere plekken in de canyon zien we de resultaten van dit goddelijk speelkwartier. Van rotsformaties in de vorm van reusachtige paddenstoelen in de Valle de los Hongos, tot tientallen uit de kluiten gewassen kikkers in de Valle de las Ranas. En ook in het Rarámuri-dorpje San Luis de Majimáchi, waar we ons kamp opslaan voor de nacht, vinden we de meest vreemdsoortige rotsen, die provocatief balancerend op hun punt al tientallen miljoenen jaren de wetten van de zwaartekracht lijken te negeren.

We zijn in de Koperkloof, met zeven met elkaar verbonden canyons het grootste canyonsysteem ter wereld in het noordwesten van Mexico, in de staat Chihuahua. Om een idee te geven: In oppervlakte is de Koperkloof vier keer zo groot en bijna twee keer zo diep als de veel bekendere Grand Canyon in Arizona. Dat is even spectaculair als het klinkt. Op de bergplateaus diep in de canyon kijk je uit over eindeloze bergketens die hoe verder naar de horizon blauw en grijs van kleur verschieten, met haast verticale mosgroene en roestbruine bergwanden bijna tweeduizend meter de diepte in. Verstopt tussen de dennenbossen stuit je op kleine Rarámuri-gemeenschappen, meestal niet meer dan een vijftal families wonend in eenvoudige huizen van hout, levend van de opbrengst van de grond en hun dieren.

Nog voor zonsopgang stapten we op de Tren de Chihuahua al Pacifico, bijgenaamd El Chepe, de treinreis dwars door de Koperkloof die van provinciehoofdstad Chihuahua naar het 700 kilometer verderop gelegen Los Mochis leidt, aan de westkust in de provincie Sinaloa. De trein werd eind 20ste eeuw aangelegd om het Amerikaanse midwesten met de mineraalrijke canyons te verbinden. Het duurde maar liefst 90 jaar voordat het traject met 89 tunnels, 39 bruggen, enkele viaducten en talloze bochten die zich om de bergen heen slingeren voltooid zou worden, een bouwkundige nachtmerrie die het land bijkans bankroet achterliet. Vandaag de dag zijn het vooral toeristen die de reis maken, die bekend staat als één van de mooiste treinreizen ter wereld.

Wanneer we tegen twaalven met veel getoeter en al dikke zwarte rookwolken uitspuwend Creel binnenrijden, schudt het dorp wakker. Indigenavrouwen gekleed in felgekleurde rokken en omslagdoeken verzamelen zich op het perron, hun armen vol handgeweven manden en wollen sjaals hoopvol omhooghoudend naar de toeristen. Het dorp zelf is niet meer dan een paar stoffige straten langs het spoor, een kerkje en een dorpsplein, omgeven door hoge rotswanden. Je zou er zo voorbijrijden, ware het niet dat het dorp pal tussen de verschillende canyons ligt, waardoor het een goede stop is om verder de canyon in te trekken, zoals ook wij van plan zijn.

Even later ontmoeten we Chunel Palma en zijn vrouw Daniela Ramirez, onze gidsen voor de trip naar de canyon. De twee zijn de drijvende krachten achter Eco-Alternative, een kleinschalige community-based reisorganisatie in Creel. Hun voornaamste doel is toeristen een inkijk te geven in het leven van de Rarámuri, met naar schatting rond 90000 de grootste inheemse bevolkingsgroep van de siërra’s in Chihuahua. Daarbij zijn de Rarámuri één van de laatste volkeren in Noord-Amerika die hun tradities hebben weten te behouden, dankzij hun afgezonderde leven in kleine dorpen in de bergen van de Koperkloof, met een sociale organisatie gebaseerd op zelfbestuur en vele rituelen om hun cultuur door te geven aan de volgende generaties.

De meeste toeristen in de Koperkloof krijgen maar weinig van die cultuur mee. Het contact met de lokale bevolking blijft bij het aanschaffen van een rieten mandje, het traditionele handwerk van de Rarámuri-vrouwen dat ze sinds de komst van de toeristen in groten getale aan de man pogen te brengen. Inheemse gidsen als Chunel, zelf een Rarámuri, om de toeristen rond te leiden zijn zeldzaam. Hoewel verschillende organisaties trekkings organiseren binnen de canyon, zijn er maar weinigen die een verblijf binnen een Rarámuri-dorp aanbieden, en daarmee de kans om echt contact te maken met de lokale bevolking. ‘Toeristen komen hier voor het mooie landschap, maar vergeten zich vaak af te vragen wie de mensen zijn die daar wonen,’ zegt Chunel.

Chunel en Daniela, beiden antropologen, wilden daar verandering in brengen. In San Luis de Majimáchi, een gehucht op een uur rijden van Creel, vonden ze een familie bereid om kleine groepjes toeristen te ontvangen. En zo komen we na een bochtige rit van een uur door de bergen aan bij het huis van Micaela, onze gastvrouw voor de komende 24 uur. Micaela is ‘ongeveer vijftig,’ zegt ze wanneer we naar haar leeftijd vragen, onder haar felroze plooirok drie geitjes die ze om de beurt melk geeft uit een babyfles, een vriendelijk gezicht onder een oranje batik hoofddoek. Haar hele leven woont ze in dit dorp, samen met haar zoon Toribio en haar man Begnigno. Ons verblijf is een koepeltentje, pal tussen een kudde geiten, scharrelende kippen en twee biggen. Het dorp bestaat uit niet meer dan een achttal houten huizen en een kerkje, omgeven door bijna verticale tientallen meters hoge witte rotswanden. De aarde is droog en gebarsten, de zon op deze 2400 meter zo fel dat na een paar uur de blaren op fotograaf Hans zijn oren staan, terwijl het in de nachten kan afkoelen tot ver onder nul.

Het leven van de Rarámuri is eenvoudig, dicht bij de natuur. Ze verbouwen hun eigen mais, bonen en aardappelen, houden kippen, varkens en geiten. Hun houten huizen zijn klein, met een wc buiten, niet meer dan een gat in de grond en een paar wanden van ijzerplaat. ‘De Rarámuri hebben een andere manier van leven, gaan anders om met tijd en ruimte,’ zegt Chunel wanneer we even stilstaan tijdens een wandeling door de kloof. ‘Wij kunnen urenlang uitkijken over de canyon, luisterend naar de wind. Meer hebben we niet nodig om gelukkig te zijn.’

’s Avonds eten we in de keuken annex slaapkamer van Micaela. Zittend op een krukje pakt ze een bolletje deeg uit een afwasteil, rolt het uit en roostert de tortilla op een gloeiende plaat gestookt met houtvuur midden in de ruimte. ‘Pak er maar één van het vuur,’ nodigt ze ons uit. Op het bed ligt een oude man te slapen, die verder geen introductie krijgt. Haar vader, horen we later van Daniela. Onder het bed miauwt een doos met pasgeboren kittens. Houtrook en de geur van verse tortilla’s en de soep die op hetzelfde fornuis pruttelt vullen het huis. Buiten is het stil, de heldere hemel vol sterren. Volmaakt gelukkig eten we onze soep en tortilla’s, zittend op een houten bankje naast de slapende man. 

Niet alleen geloven de Rarámuri dat de wereld met hun goden is begonnen, ook zijn ze verantwoordelijkheid voor het laten voortbestaan ervan, vertelt Chunel even later bij het kampvuur. Het doet hem daarom pijn te zien dat veel jongeren hun gemeenschap verlaten voor een westers leven in de stad. ‘Rarámuri geloven dat ze voor de aarde moeten zorgen, in plaats van haar uit te buiten. Met onze rituelen en ceremonies doen we ergens in het universum een beweging ontstaan. Dat zuchtje wind, dat wij niet kunnen controleren, leidt uiteindelijk tot regen. Zo houden we de aarde in beweging. Wanneer we daarmee ophouden, verdwijnt ook de zin van het leven.’

Van de Koperkloof dalen we af naar de Bahía de Banderas, aan de westkust van Mexico. De baai staat bekend om de badplaats Puerto Vallarta, sinds de jaren zestig uitgegroeid tot een populair vakantieoord voor vermogende Amerikanen, met talloze all-inclusive vakantiecomplexen pal aan de doorgaande weg. Niet zo heel erg Columbus dus. Maar wat velen niet weten, is dat een uurtje ten zuiden van Vallarta de baai nog haast ongerept is, met een jungle zo dicht dat de dorpen aan dit stukje Pacific, Cabo Corrientes geheten, alleen te bereiken zijn per panga, vanuit het dichtstbijzijnde dorp Boca de Tomatlán.

Vanuit Boca is het een half uurtje varen naar Yelapa, een dorp van zo’n tweeduizend inwoners verstopt achter een kleine inham in de baai, omgeven door een woud van palmbomen. Het dorp is niet bijzonder mooi maar wel zo charmant, met een wirwar van steile straatjes en smalle steegjes die geregeld doodlopen op een rommelig erf waar een oud mannetje je dan onaangedaan een goedendag wenst, uitpuffend in een hangmat. Auto’s ontbreken, je wordt er hooguit omvergereden door een dorpeling te paard of op een knetterende bromfiets, en het enige geluid komt van de golven en de salsamuziek die altijd wel ergens aanstaat. Het water in de baai is haast turquoise, met voor anker liggende vissersbootjes bezet door clubjes pelikanen die daar hele vergaderingen lijken te beleggen.

De dorpelingen vormen een eigenaardig contrast met de kolonie Amerikaanse pensionado’s die sinds de jaren zeventig het dorp bevolkt, veelal flowerpowertypes op zoek naar een alternatief voor het al te commerciële Vallarta. Je herkent ze aan de straffe pas waarmee ze je voorbijsnellen op het steile rotspad langs de baai, ‘I will go zoomer boomer past you, I am so fast,’ roept een van hen naar me vlak voordat ze uit het zicht verdwijnt, haar witte haren wapperend in de wind. Zodoende voorzagen de importhippies het dorp van een bohemiaans sfeertje, met her en der aankondigingen voor schrijversavonden in het lokale café, exposities en yogaretreats.

Maar anders dan in Vallarta zijn projectontwikkelaars niet welkom in Yelapa. Het toerisme bestaat uit twee bescheiden hotels aan de baai en een verzameling particulier verhuurde palapa’s langs de kust, waardoor het dorp nog aangenaam zichzelf is gebleven. Ook Verana, de jungle retreat waar we deze dagen verblijven, is in harmonie met de omgeving, bestaande uit een tiental verschillende huizen en palapa’s verstopt in het tropisch woud. De lodge ligt op een twintig minuten lopen van het dorp, langs het rotspad en dan omhoog de jungle in. Vanaf hier is het fijn uitkijken over de zonsondergang in de baai, luisterend naar de geluiden van vogels, padden, gekko’s en andere woudbewoners.

‘Het leven is goed in Yelapa,’ zegt de 92-jarige Simon, opkijkend van de bijbel dicht voor zijn kippige ogen, terwijl hij vliegen wegslaat met een oranje mepper. Sinds hij niet meer kan lopen brengt hij zijn dagen door op zijn erf, waar hij een handeltje drijft van gedroogde varkenshuid met chili en limoen, een populaire snack in Yelapa. Een jongetje met flaporen schopt een lekke voetbal in het rond, naast Simon ligt een hond te slapen op een stoel. Hij vertelt hoe het dorp is veranderd met de komst van de Amerikanen. Het dorp kreeg elektriciteit, een waterleiding, de wegen werden bestraat. ‘Nog maar 15 jaar geleden was dat. ‘Daarvoor was het hier een stuk primitiever, verlichtten we de weg met kaarsen.’

Maar het dorp blijft zo’n plek waar de tijd lijkt te hebben stilgestaan. Wandel langs het rotsachtige pad langs de baai, duik in de zee op één van de verlaten strandjes die je onderweg tegenkomt, misschien heb je zin om te snorkelen. Dwaal door de steile straatjes, eet een zoet broodje van de bakker die in de namiddag al toeterend door de straten stuift, waarop de Yelapeños hun deuren uitkomen en om de bakkersbrommer heen drommen. Tegen zes uur komt het dorp tot leven, wanneer de Yelapeños bijeenkomen voor een taco van gebakken koeienhoofd bij een van de geïmproviseerde stalletjes midden op straat, weggespoeld met een flesje Corona, een waar schouwspel van spelende kinderen, aangeschoten mannen en vittende vrouwen. Ook wij melden ons voor een taco, die we zittend op een plastic stoel tegen de muur opeten, ons vermakend met de dorpstaferelen om ons heen.

Simon heeft gelijk, zeggen we tegen elkaar: Het leven is inderdaad goed in Yelapa. En hoe ver deze wereld en die van de Rarámuri-gemeenschap waar we onze reis begonnen ook van elkaar afstaan, hebben ze één ding met elkaar gemeen. Het geluk zit er, hoe clichématig dat ook klinkt, in de eenvoud van de kleine dingen. En meer heb je ook eigenlijk niet nodig.

 

 

Het land naast de boze buurman

herst 2016, Bouillon Magazine

Er is maar één plek op Cuba waar je lekker kunt eten. Aan de uiterste oostkant ligt Baracoa, een stadje omringd door bergen, begroeid met tropische jungle waar de bananen, kokosnoten en cacaovruchten zó van de bomen vallen.
 
Precies die ingrediënten vormen ook de basis van de keuken waar Baracoa om bekend staat, met inventieve gerechten die teruggaan tot de tijd van de Taíno, de indigena die Cuba bevolkten tot de Spanjaarden er hun slachtpartij begonnen. Maar de culinaire tradities overleefden, en vermengden zich in de loop der eeuwen met die van Haïtiaanse en Jamaicaanse immigranten. Zo eet je er vis, gestoofd in verse kokosmelk, snack je in bananenblad gestoomde pakketjes van geraspte banaan met krab, en ga je je te buiten aan cucurucho, een zoetigheid van met fruit en honing vermengde kokosrasp.
 
En dan is er de tetí, een visje van vier centimeter lang en twee millimeter breed dat alleen zeven dagen na volle maan opduikt in de rivieren die bij Baracoa uitmonden in zee. Deze lokale delicatesse zou zo potent zijn, dat het bekendstaat als een afrodisiacum. Wie het visje wil vangen gooit zijn netten uit in het holst van de nacht, wachtend op het moment dat de school visjes als een zilveren wolk de riviermonding binnenzwemt. Maar, vertrouwt een oude visser ons toe: ‘De teti laat zich alleen vangen door mannen met een schoon geweten. Bij wie iets op zijn kerfstok heeft, zullen de visjes door de mazen glippen.’
En zo doen er nog wel meer legendes de ronde in het stadje. Zo zal iedere dorpeling je vertellen dat wanneer je je in de Rio de Miel baadt – de Rivier van Honing - je gedoemd bent terug te keren naar Baracoa. Dat zit zo: Eens verliefde zich een meisje met een huid als honing op een zeeman, die haar liefde met passie beantwoordde. Maar toen zijn vertrek aanstaande was, overviel het meisje zo’n groot verdriet dat ze in huilen uitbarstte in de rivier waar ze elkaar voor het eerst ontmoetten. De zeeman besloot zijn vertrek uit te stellen om zich in de rivier te baden, en is nooit meer weggegaan.
 
Tot 1965 was Baracoa volledig afgesloten van de rest van Cuba. Toen besloot Fidel de Baracoenses een weg uit de jungle cadeau te doen, als dank voor hun hulp bij de revolutie. Door die afgelegen ligging in de jungle heeft het stadje een geheel eigen karakter behouden. Het leven speelt er zich buiten af, op de twee wigvormige pleintjes, waar altijd wel een groepje rum drinkende oude mannetjes domino aan het spelen is, en op de veranda’s van de pastelkleurige koloniale huisjes, waar complete families wiebelend op houten schommelstoelen voorbijgangers van commentaar voorzien. ‘Buen día, wil je een kamer, of zoek je een jongen om mee uit te gaan?’
 
Aan de overkant van de Honingrivier ligt het vissersdorpje Boca de Miel. Een handvol houten huizen aan de oever van de rivier tussen de palmbomen, meer is het niet. Wanneer we de krakkemikkige houten loopbrug oversteken ontmoeten we kokosplantagemedewerker Chi Chi, die ons spontaan uitnodigt voor de maaltijd bij zijn familie. Maar eerst moeten de ingrediënten nog verzameld worden. Dat neemt Chi Chi heel letterlijk. Hij kijkt keurend naar de kruinen van de kokospalmen, gooit dan zijn touw om een stam heen en klimt omhoog met zijn machete, waarna hij vakkundig zes noten uit de boom hakt.
Een dag later komen we, met de zak vol kokosnoten en de mango’s die Chi Chi onderweg ook nog uit de boom plukt, aan bij de familie Terrero. Opa Emilio blijkt in de vroege ochtend op pad te zijn gegaan om zeekrabben te vangen, die hier jaiba heten. Vijftig jaar viste hij voor de Cubaanse staat. Nu is hij met pensioen en brengt zijn tijd door op de veranda, zijn voeten in twee verschillende slippers gestoken. Met de krabben en kokosnoten lopen we naar het volgende huis, waar zijn ex-vrouw, vijf dochters en kleinkinderen wonen. Of we bij hen mogen koken? Prompt komen de vrouwen in actie. De één maakt krabben schoon, de ander zet ui, knoflook en groene pepers aan in een grote pan boven een houtvuur. Chi Chi raspt kokos, die oma Maria met heet water overgiet en uitknijpt boven de pan. ‘Kijk, zo maak je kokosmelk.’ Ze kleurt de saus met de rode zaadjes van de achiote, en doet er dan de krabben bij. In een andere pan koken platanos, die ze - eenmaal gaar - pureert met wat van de saus. Erbij salade van tomaat, komkommer en kool, mangosap, en, hoe kan het ook anders, rijst met bonen.
 
Maar zelfs die smaken nu fantastisch. Dit is comida criolla Cubana op zijn best. Op de terugweg duik ik zonder aarzeling in de rivier. Hier kom ik graag nog eens terug.

foto Ynske Boersma

Altijd zondag in Montevideo

09-01-2015, Volkskrant Magazine

Zomaar een zondag in Montevideo. Stadsbewoners hangen ontspannen rond op het gras, een stel hippies balanceert op een koord tussen de palmbomen. Verderop zakt de zon langzaam in de Rio de la Plata, de Zilver-rivier, aanschouwd door zoenende stelletjes. Niets aan de hand. Dan klinkt een diep, dreigend gerommel. Reisgenoot Luis Suárez springt op. 'Dat zijn de llamadas!' roept hij opgewonden. 'Vamos!'

We lopen de stad in, onze oren achterna. De straten zijn uitgestorven, op een hoek smeult een houtvuurtje. Het geluid zwelt aan. Dan doemt een enorme vlag op, rondgezwaaid door een man die twee keer zo klein lijkt. In zijn kielzog een twintigtal dansende vrouwen, gevolgd door een groep mannen die ritmisch slaan op felgekleurde trommels zo groot als regentonnen. Hoe verder ze gaan, hoe meer mensen uit hun deuren komen en zich aansluiten, van ouderen met wandelstokken tot moeders met kinderwagens en flirtende jeugd, meedansend met de trommelaars of staand langs de route.

Dit is Montevideo, waar de inwoners van elke zondag een feestje maken. De traditie van de llamadas - llamar betekent 'roepen' - voert terug op de tijd dat de Afrikaanse slaven in Montevideo op zondagmiddag hun vrienden luidruchtig optrommelden om samen te dansen op de ritmes van de houten tambores. Die traditie, de candombe genoemd, is inmiddels een wekelijks volksfeestje voor alle Montevideanos. Ze beschouwen de optochten als hét symbool van hun nationale cultuur.

En zo zijn er nog meer redenen om een keer de oversteek van ruim 200 kilometer te maken naar deze kant van de riviermonding die Montevideo scheidt van zijn bekendere buurman Buenos Aires. De stad is een beetje als zijn bekendste stadsbewoner, de oud-president José 'El Pepe' Mujica die zowel het homohuwelijk als de welig tierende wietteelt in het land legaliseerde, en internationaal furore maakte als de 'armste president ter wereld' doordat hij 90 procent van zijn inkomsten wegschonk. Montevideo is even eigenzinnig als pretentieloos, en net als 'El Pepe' op het eerste gezicht een beetje groezelig. Maar wie verder kijkt, komt er veel moois tegen.

lees verder via Blendle: 

https://blendle.com/i/volkskrant-magazine/altijd-zondag-in-montevideo/bnl-vkm-20160109-5650837?sharer=eyJ2ZXJzaW9uIjoiMSIsInVpZCI6Inluc2tlYm9lcnNtYSIsIml0ZW1faWQiOiJibmwtdmttLTIwMTYwMTA5LTU2NTA4MzcifQ%3D%3D

Foto Ynske Boersma

Geile trollen en oereten

zomer 2015, Bouillon Magazine

Een tak druipend van dauw slaat in mijn gezicht. In de verte klinkt een schor geluid. Als gehypnotiseerd zoek ik door het nachtelijke woud een weg in de richting van het geluid. Een gebocheld wezentje, met een mantel van stro, verspert me de weg. Op zijn hoofd prijkt een puntmutsje. 'Gggg…ggggg,' murmelt de trol nog maar eens, en fixeert me met zijn ogen. Ik voel me als getroffen door de bliksem, zoals in de boeken van Harlequin. Wild van verlangen ruk ik de kleren van mijn lijf en werp me aan zijn stompe trollenvoeten, waarna we de liefde bedrijven op het natte bladerdek. 
 
Een bruut geloei brengt me terug bij mijn positieven. Koeienbellen rinkelen, een haan kraait. Door de gordijnen schemert het daglicht. Verward denk ik terug aan mijn nachtelijke amourage. Dat was niet zomaar een droom. Het weerzinwekkende wezentje dat Trauco heet, heeft de reputatie van een ware womanizer op Chiloé, de eilandenarchipel in het noorden van Chileens Patagonië. Volgens de legende zou de trol het hebben voorzien op jonge maagden, om hen, betoverd door erotische dromen, van hun maagdelijkheid te beroven. 
 
En zo doen er nog heel wat andere legendes de ronde onder de Chilotes, zoals de eilanders bekend staan. Over het spookschip Caleuche, een lang geleden vergaan Hollands piratenschip dat op mistige dagen de kustwateren bevaart, met op het dek een koor van zingende heksen. Of Pincoya, de zeemeermin die eenzame zeemannen het hoofd op hol brengt door, gezeten op een rots, met bevallige traagheid haar lange haren te kammen, en wiens sensuele dansbewegingen al dan niet goede of slechte oogsten zouden voorspellen. 
 
Wij nuchtere Hollanders zien daar natuurlijk niets in. Maar toch, wie vanaf de pont het eiland oprijdt, begint prompt aan zichzelf te twijfelen. Grote delen van Chiloé zijn overdekt met dichte oerbossen, waar met het vallen van de avond een dichte mist over neerdaalt, te danken aan de eeuwige regen op het eiland. Diezelfde mist transformeert de honderden kleine, fjordachtige baaien langs de kusten van de 41 eilanden tot het ideale decor voor intriges van trollen, heksen en ander mystiek gespuis. 
 
De eilandengroep, waarvan het 190 kilometer lange Grande Isla de Chiloé de grootste is, was honderden jaren afgesloten van het vasteland. Na de komst van de Spanjaarden brak een opstand uit onder de Mapuche-indianen ten noorden van de archipel, waarna de veroveraars zich terugtrokken op Chiloé. Met de bouw van zo'n 150 houten kerkjes poogden ze de lokale Chonos en Huilliches tot vrome christenen te bekeren, maar die gaven zich niet zomaar gewonnen. Ze hielden vast aan hun eigen goden, mythes en bijgeloof. Pas in 1826 bliezen de Spanjaarden de aftocht, waarmee ze hun laatste buitenpost in Zuid-Amerika opgaven. Chiloé werd deel van Chili, maar bleef haar eigen cultuur behouden. 
 
En die cultuur beperkt zich niet tot verhalen over zingende heksen en bronstige trollen. De Chiloten zijn de trotse eigenaren van een eigen eetcultuur, met allerhande inventieve gerechten, bestaande uit alles wat op het eiland en in de oceaan te vinden is. In het dorp Tenaún stoppen we voor milcao en chochoca, twee lokale snacks met aardappel. Er groeien een vierhonderd aardappelsoorten op de archipel, in alle kleuren en maten. Dat maakt je creatief met piepers. Onze milcao bestaat uit geraspte rauwe aardappel gemengd met aardappelpuree, gevormd tot een plat broodje, met binnenin wat chicharron, in varkensvet gebakken stukjes varkensvlees. De chochoca is van hetzelfde deeg, maar in tegenstelling tot de in de oven of pan gebakken milcao, wordt het chochocadeeg om een stok gewikkeld en gegaard boven een vuur. 
 
We volgen de onverharde weg langs de kust, slingerend over heuvels met akkers en bossen en langs dorpjes waar je volgens de reisgidsen wel vijftig jaar terug in de tijd wordt geworpen. Dat is overdreven, maar het leven is er wel zonder haast; winkelcentra of hamburgerketens zijn er niet en de wifi doet het nagenoeg nooit. De Chilotes lijken gewoon te doen wat ze al honderden jaren doen. De mannen voorzien hun gekleurde houten vissersbootjes van een lik verf, de vrouwen verkopen truien van dikke schapenwol op de markt, pal naast kraampjes met hoog opgetaste mosselen, dikke bundels zeewier en zakken vol rode, paarse en gele aardappelen. 
 
Ze houden van eten en als het even kan maken ze daar een feestje van. In Achao, een dorp op het kleinere eiland Quinchao, belanden we op het lokale Festival de la Papa, een tweedaags eetfestival ter ere van, jawel, de aardappel. Twee rijen houten gebouwtjes zijn omgetoverd tot een twintigtal eetstalletjes, waarin voltallige families in de weer zijn met het vullen van empanada's. Ze roeren in enorme stoofpotten en maken snacks met eerdergenoemde knollen. Alle lokale ingrediënten van het land en uit de zee komen in de pan terecht: varken en bonen zalm en heek, mosselen, kokkels en andere schelpdieren. Even verderop draait een lam aan het spit. Wanneer iets klaar is, gaat het linea recta naar de lange tafels. Alles wordt weggespoeld met blikken bier en literflessen met het venijnige drankje chicha de manzana.
 
Midden op het terrein stijgt rook op. In een gat in de grond brandt een stapel hout, ernaast staat een grote zak schelpdieren. Het zijn de voorbereidingen voor een curanto al hoyo, de fameuze stoofpot, gemaakt in een grondoven, met daarin zo'n beetje al het eetbare dat op en rond het eiland te vinden is. De curanto (mapuche voor steen verwarmd in de zon) is misschien wel het oudste gerecht ter wereld, met een bereidingswijze nagenoeg dezelfde als in de zesduizend jaar oude stoomoven die op Chiloé is aangetroffen, met daarin resten van vissen, vogels, schelpdieren en zelfs walvissen. 
 
Wanneer het vuur de stenen onderin het gat heeft verwarmd, keren twee mannen de jutezak met mosselen, kokkels en andere schelpdieren om boven het gat, gevolgd door hompen gerookt varken, dikke chorizoworsten, kippenpoten en brokken koe, afgedekt met een laag nalcabladeren, een lokale plant. Daar bovenop gaan hele aardappels en bonen, gevolgd door weer een laag bladeren en een verzameling milcaos en chapaleles, vergelijkbaar met milcaos maar dan gemaakt van aardappelpuree, bloem en chicharron. Tot slot gaat er een laatste laag bladeren over het geheel, waarna de prehistorische stoomoven een deksel krijgt van plastic. Plastic? Ja, ook de Chiloé gaat met zijn tijd mee. 
 
Anderhalf uur later, welbesteed met het eten van wel een dozijn empanada's, weggespoeld met veel bier en chicha, gaat het dak van de curanto. Alles wordt uit het gat geschept, over borden verdeeld en geserveerd met een stuk citroen en pebre, de salsa van fijngesneden tomaat, zout, ui, rode peper, en koriander. Onwennig nemen we een hap van de curieuze mix, onder het toeziend oog van opgewonden Chiloten. Het vlees is hartig en de schelpdieren een beetje taai door de lange kooktijd, maar het smaakt geweldig. Net als al die andere dingen die ze ons voorzetten, zoals de cazuela, een heldere soep met zacht gestoofd lam, pompoen, aardappel, mais en zeewier. Of de papa rellena, een gefrituurd deeg van aardappel, gevuld met kleingesneden zeevruchten. We eten zelfs een taart van aardappel, met een dikke laag chocola. 
Trol Trauco zou er zijn dikke vingers bij aflikken. 
 
Trein naar de hemel

23-05-2015, Volkskrant Magazine

'Gaat ze op me spugen?' De Canadese kijkt vertwijfeld. Dát had ze niet voorzien toen ze zich opwierp als vrijwilliger voor het traditionele reinigingsritueel waarmee de dorpssjamaan nu haar demonen poogt te verjagen. Toch stemt ze in. Als de priesteres van een indianengemeenschap in de jungle van Ecuador het nodig acht om argeloze toeristen te bespugen, dan moet dat maar. Het medicijnvrouwtje pakt een plastic fles gevuld met een mosgroene vloeistof, neemt een slok en sproeit dan vol overgave de inhoud over de Canadese heen. Prrrsst! Met groen bevlekte kleren en lichtelijk ontdaan loopt de toeriste terug naar haar plek. Vrij van kwade geesten, dat wel.
 
Het bezoek aan de indianen is onderdeel van de reis met de Tren Crucero - cruisetrein, letterlijk vertaald. De trein voert in vier dagen van kuststad Guayaquil naar de Ecuadoraanse hoofdstad Quito, dwars door tropische jungle, mistige nevelwouden en over gure hoogvlaktes, onderweg talloze vulkanen passerend. De Canadese kan dus wel een beetje bescherming van hogerhand gebruiken. 
 
Tientallen jaren lag het spoor te vergaan, overbodig geworden door de opening van de Pan-Amerikaanse snelweg die er zo'n beetje pal naast ligt. Maar president Rafael Correa, gek met infrastructuur, besloot met een investering van 200 miljoen euro de lijn te renoveren. En zo rijdt er sinds eind 2013 weer een trein op dit traject. Weliswaar maar eens per week en bedoeld voor toeristen, maar toch. 
 
Het langsrijden van de knalrode trein blijft een evenement, zo blijkt bij het uitrijden van het station van Guayaquil. Net als in elk gehucht, dorp of stad hangen de Ecuadoranen zwaaiend en joelend uit de ramen, het spektakel filmend met hun telefoons. 'Hé, gringo's!' 
 
Het spoor voert langs de buitenwijken van miljoenenstad Guayaquil, met onooglijke huizen van grijze blokken steen en daken van golfplaat, gevolgd door eindeloze bananen-, rijst- en suikerrietplantages. De hitte is tropisch, het geluid van de langzaam rijdende trein op de rails - tok tok, tok tok - loom en geruststellend. Ontspannen staan we op het balkon en we zwaaien enthousiast terug naar de toeschouwers, als waren we een koninklijk gevolg. 
 
Lees verder op Blendle:
 
 
 
De schoot van Moeder Aarde

28-02-2015, Het Parool

Marcela Ponce schopt demonstratief haar schoenen uit en plant haar blote voeten op de warme grond. "Zo neem je de energie uit de aarde beter op," verklaart de Argentijnse uit Buenos Aires opgeruimd. "Welke energie? Die van Pachamama natuurlijk. De bergen zitten vol mineralen."

En zo komen we de godin van Moeder Aarde wel vaker tegen in de Quebrada de Humahuaca, een 170 kilometer lange vallei in het bergachtige noordwesten van Argentinië, in de provincies Salta en Jujuy. Plastic flessen met restanten chicha (een maïsdrankje) en zakken cocabladeren langs de bergweggetjes verraden offers die de valleibewoners hebben gebracht om de godin gunstig gestemd te houden, en ook de plens drank die steevast de grond in gaat alvorens de fles aan de mond wordt gezet, moet haar tevreden houden.

Dat ontzag voor de natuur is te begrijpen. De door de vele mineralen in de grond roestrood, kopergroen en okergeel gekleurde bergen aan weerszijden van de vallei doen bijna surrealistisch aan, met door neerslag en wind in bizarre vormen uitgesleten bergtoppen, en als enige begroeiing dikke cactussen die hun harige vingers provocerend de felblauwe lucht in steken, als een saluut aan de ongenadig brandende Andeszon.

De vallei begint op een kleine twee uur rijden ten noorden van provinciestad San Salvador de Jujuy en strekt zich uit tot aan de Boliviaanse grens. Moderniteiten als winkelcentra, reclameborden of zelfs maar een stoplicht zal je langs dit verlaten deel van de Ruta 9 niet tegenkomen. Groter is de kans dat je moet stoppen voor een kudde overstekende lama's, voortgedreven door een boer met breedgerande hoed die traag op een homp cocabladeren kauwt.

'Het authentieke Zuid-Amerika' noemen de reisgidsen het Argentijnse noordwesten. "Bolivia," zeggen sommige arrogante Argentijnen, verwijzend naar de Andescultuur van zijn inwoners. Anders dan in de rest van Argentinië zijn de meeste bewoners van de vallei indígenas: het zijn afstammelingen van de Omaguaca's en Tilcara's, die tienduizend jaar geleden als eerste de vallei bevolkten en die hun cultuur ondanks de eeuwen van Spaanse overheersing wisten te behouden.

En die invloed is overal merkbaar. Zo eet je in dit deel van Argentinië niet de alomtegenwoordige milanesa (soort schnitzel) of pizza, maar geroosterde lama, tamales en humitas: hartige vulling in gestoomde maïsbladeren. Als je het geluk hebt die maaltijd in een peña te verorberen, is de kans groot dat na de maaltijd de tafels in het clubhuis aan de kant gaan om te dansen op de vrolijke volksmuziek van een veelkoppige band met ijle fluiten en een charango, een snaarinstrument. Maar het grootste verschil maken de mensen. Ze zijn kleiner en donkerder dan hun Argentijnse landgenoten, en leven volgens dezelfde tradities als hun voorouders, in harmonie met eerdergenoemde Pachamama.

Tot voor kort was de vallei toeristisch onontgonnen gebied, waar je hooguit een avontuurlijke backpacker aantrof, maar de laatste tien jaar trekt de Quebrada een groeiende stroom toeristen - meestendeels Argentijnen, die sinds de crisis in 2001 vaker in eigen land op vakantie gaan. Met duizenden per jaar bezoeken ze het postzegeldorpje Purmamarca, een gehucht met smalle straatjes van aangestampte aarde in de schaduw van de Cerro de Siete Colores, een door een geologische twist van de natuur in zeven kleuren gestreepte rotsformatie, en rijden daarna door naar de verblindend witte Salinas Grandes, de stille, immense zoutmeren nabij Purmamarca.

Huid als leer

Minder filmisch, maar authentieker is Tilcara: een koloniaal dorp halverwege de Quebrada, berucht om de wind die elke namiddag het stof door de straten jaagt. "Weet je wat Tilcara betekent?" vraagt barman Diego van het dorpscafé en de boekwinkel Ma'Koka. Hij wijst naar de Andeszon, ongenadig op deze 2800 meter hoogte. "Door de zon en de wind is onze huid als leer: tilcara, in de taal van mijn voorouders."

Maar wanneer die wind is uitgeraasd en de bewoners uit hun siësta ontwaken, komt het dorp tot leven. Kinderen in schooluniformen zwermen uit over het dorpsplein, waar verkopers hun alpacatruien aan de toeristen proberen te slijten, terwijl de locals in onooglijke cafeetjes bijeenkomen voor hun dagelijkse api con pastel: de zoete, kruidige drank van rode maïs met een soort van kaassoufflé, een populaire namiddagsnack uit de Andes.

Net buiten de vallei ligt Iruya, een zeer afgelegen dorp, volgens velen het mooiste van het noordwesten. Imposante rotsformaties torenen dreigend boven het dorpje uit. De smalle straatjes, niet meer dan drie rondjes om een okergeel geschilderd kerkje, zijn stoffig en hobbelig, de lage huisjes geschilderd in lichtgeel en mintgroen. Je hoort er geen auto's, maar mekkerende geiten, het gebalk van een nukkige muilezel en de onvermijdelijke haan.

Je komt er met een lokale bus vanuit Humahuaca, via vijftig kilometers over een onverharde, smalle bergweg, die een adembenemende hoogte van vierduizend meter bereikt. Als je weer afdaalt tot de rivierbedding van de vallei, arriveer je bij het tussen de bergen verscholen kleine dorpje. Iruya is letterlijk het einde van de weg: wie naar de dorpjes wil die nog dieper in de bergen liggen, kan vanaf hier alleen te voet verder, hink-stap-springend over de stenen in de rivier.

"Magisch," noemt de Argentijnse Federico Cabrera het bergdorp. "Ik vind dit de mooiste plek in Argentinië. Het is zo afgelegen dat je je meteen ver weg voelt van de dagelijkse realiteit. Maar nog meer kom ik voor de warmte van de mensen, en hun cultuur. Ze leven met respect voor de natuur, la Pachamama. Dat vind ik bijzonder."

De nacht valt in Iruya. "Doen jullie wel de deur op slot?" vraagt onze doorgaans gemoedelijke pensionhoudster Maria, haar blik bezorgd. "Anders komt de ezel binnen. Dat rotbeest eet al mijn planten op."

Wij, stadse rugzaktoeristen, schieten in de lach. Als de enige dreiging afkomstig is van een roofzuchtige ezel, kunnen we met een gerust hart gaan slapen.

3x slapen

€€€ Hostal Posta de Purmamarca

Mooie bungalows met uitzicht op de zevenkleurige berg, vanaf €87 voor twee.

www.postadepurmamarca.com.ar

€€ La Posadita, Tilcara

Kleine herberg met kamers uitkijkend over de vallei. €45 voor een tweepersoonskamer.

www.laposadita.com.ar

€ Hospedajes Iruya

In het dorpje Iruya zijn verscheidene kleine informele hospedajes waar je voor ongeveer €5 per persoon de nacht kunt doorbrengen. Voor de luxepaarden is er Hotel Iruya, vanaf €91 voor twee personen.

www.hoteliruya.com

REISINFORMATIE

Vlucht KLM vliegt rechtstreeks van Schiphol naar Buenos Aires, veel andere maatschappijen met een tussenstop in Europa of de VS.

Vluchtduur

ca. 10,5 uur

Gemiddelde prijs retourticket €830

In Buenos Aires neem je een binnenlandse vlucht naar Salta of San Salvador de Jujuy (vanaf €190 voor een retour BA-Salta of BA-Jujuy met Aerolíneas Argentinas), waarna je via de Ruta 9 met auto of bus de Quebrada in rijdt, een kleine twee uur vanuit San Salvador.

 

Alle in de tekst genoemde dorpen liggen aan de Ruta 9, behalve Iruya: daarvoor moet je vijftig kilometer over een onverharde weg rijden. Check bij regen of de weg begaanbaar is.

 

Gemiddelde prijzen:

Maaltijd

€6 voor een lunchmenu

Biertje

€4 voor een literfles

(Prijzen volgens officiële koers, met de parallelle dollar betaal je een derde minder)

 

Foto José Luis Cabrera

 
Het hoofd koel

14-02-2015, Volkskrant Magazine

Van de ijzige wind die in vlagen over het zwemwater jaagt lijkt niemand zich iets aan te trekken. Van de regen ook al niet trouwens, behalve een paar dik ingepakte badmeesters aan weerszijden van het bad die, zodra de eerste druppels vallen, geroutineerd een parasol omhoog draaien. 

We zijn in het London Fields Lido, het buitenbad in het gelijknamige stadspark in Hackney, Londen. Jongelingen in Speedo’s crawlen pijlsnel door het dampende water van de fast lanes. Een paar banen verderop glijden bejaarde Britten bijna stoïcijns door het water. Wie uit het water komt doet dat gracieus, alsof de temperatuur niet net boven het vriespunt ligt.

Het is een ware cultus onder de Londenaren: Buitenzwemmen, all year round. Het klimaat mag er dan volstrekt ongeschikt voor zijn, bijna alle buitenbaden en zwemvijvers in de Londen zijn het hele jaar open, en trekken ook in de wintermaanden vele bezoekers. 

Spartaans? Valt wel mee. Oké, het stukje van de kleedkamers naar het bad is ijzingwekkend koud. Dat de kluisjes buiten zijn helpt ook niet echt - zie maar eens rillend en wel zo'n rottig twintig pence muntje erin te gooien. Maar wie deze horde eenmaal heeft genomen wacht, letterlijk, een warm bad. Het London Fields Lido is als een van de weinige buitenbaden verwarmd tot een aangename graad of 25.

Het bad is populair onder de bewoners van Hackney, het district ten noorden van de Londense City. Het in 1932 gebouwde complex was achttien jaar dicht, maar werd in 2006 na een hardnekkige lobby van buurtbewoners gerenoveerd en heropend. Nu is het, ook in de koude jaargetijden, in het weekend zo druk dat badgasten in shifts dienen te zwemmen.

'If you can live in London you can put up with everything,' verklaart John, een dikbuikige Londenaar van in de vijftig, de populariteit van het winterzwemmen onder de stedelingen. Hij puft uit aan de kant, met alleen zijn hoofd boven water. 'Het is een wonder dat ik het naar de overkant heb gehaald,' zegt hij met gepast gevoel voor dramatiek. Een baan verderop in de medium lane schoolzwemt zijn vrouw verbeten heen en weer. Dat doet ze elke dag, vertelt John, met gespeelde verbazing.

'Zwemmen in de winter is verfrissend,' zegt een student 'En goed voor je hart,' valt zijn vriend hem bij. 'Nou ja, dat weet ik eigenlijk niet,' zegt hij, schouderophalend. ´Ah kijk, het regent. Hoeveel baantjes zullen we nog doen?'

 
Snacken op wielen

10-01-2015, Het Parool

'Wanneer heeft ú voor het laatst gelachen?" vraagt de clown aan een bus vol Ecuadoranen. Meewarige blikken zijn het antwoord. Onverstoorbaar praat de clown verder - een beetje weerstand hoort erbij. Een minuut of tien later reikt hij naar het bagagerek, en tovert daar een doos chocoladerepen tevoorschijn. "U lacht, nu moet u chocola kopen," zegt hij streng tegen een passagier voor in de bus. Vertwijfeld diept die maar wat kleingeld op.
 
Ecuadoranen zijn een handelslustig volkje. Rondom de bussen, hét vervoermiddel in Ecuador, bestaat een grote grijze economie van wandelende eenmanszaakjes. Je vindt ze bij het busstation of gewoon in de bus, en ze verkopen nagenoeg alles - van chips en cola tot nep-Rolexen en potjes met Chinese wondermiddeltjes. Eens zag ik zelfs een man twee puppy's verhandelen. 
 
Het avontuur begint op het busstation van Quito. Tientallen ticketverkopers overschreeuwen elkaar met hun bestemmingen, houden je staande en vragen: "Waar wil je heen, mi amor? Ik breng je ernaartoe! Vamos, vamos!" Met vele concurrerende maatschappijen is het dan zaak een kaartje te kopen voor de snelst vertrekkende bus. Een wijze les: ahorita, een verkleinwoord van het Spaanse 'nu', betekent ongeveer hetzelfde als 'reken er maar niet op dat ik binnen een half uur vertrek'.
 
Potjes pillen uit de dokterstas
 
Gelukkig is het wachten een waar culinair festival. Bij de vertrekplatforms staat een bataljon straatverkopers klaar om wat dan ook aan de man te brengen. Zoete en hartige empanadas, vers geblende fruitshakes en alle mogelijke soorten snoep, zoete broodjes en chips van cassave of bakbanaan - alles voor hooguit een dollar. 
 
Ook de reis zelf kost weinig, ongeveer één dollar per uur reistijd. Daarvoor krijg je een meestal verrassend comfortabele stoel en extraatjes als constant pompende reggaeton en nagesynchroniseerde schietfilms op vol volume. Toegegeven, de airconditioning doet het zelden en de wc nagenoeg nooit, maar het uitzicht op de Andes en de eerder genoemde service on board maken veel goed. 
 
De verkoopmethoden van deze constante stroom mobiele verkopers loopt uiteen. De één rent al 'helado helado helado' schreeuwend door het gangpad, verkoopt twee ijsjes en stapt dan snel weer uit, op naar de volgende rijdende afzetmarkt. Anderen houden gerust een half uur durend betoog over de heilzame werking van ginseng, waarna met veel vertoon potjes pillen uit een dokterstas tevoorschijn worden gehaald. "Slechts vijf dollar mevrouw, maar alleen omdat u het bent." 
 
Maar de echte verrassingen komen uit de rieten manden en koelboxen waarmee om de paar kilometer een nieuw legertje straatverkopers de bus instapt. Ze verkopen vele soorten zelfgemaakte zoetigheden en hartige snacks, en zijn per regio weer anders. Kortom, voor de beste culinaire ervaring van Ecuador hoef je slechts achterover te leunen in de bus - het eten komt naar je toe. 
 
Publiekslieveling is pan de yuca, de hartige en als je geluk hebt nog warme broodjes van kaas en yucameel die zo'n beetje elke reis voorbijkomen, à 25 cent per stuk. Ook altijd goed is helado de paila, het traditionele ijs uit de Sierra: vers fruitsap en geslagen eiwitten worden vermengd in een bronzen schaal die op een bergje gletsjerijs staat. Toegegeven, tegenwoordig komt dat ijs gewoon uit de vriezer, maar het smaakt er niet minder lekker om. 
 
"Cevichocho, cevichocho, ceviche de chochoooos," klinkt het monotone stemgeluid van de volgende handelsreiziger. Het blijkt de vegetarische versie van ceviche, met de in de Andes veel gegeten lupinebonen, in plaats van rauw gemarineerde vis. Een klassieker in Ecuador, zowel op straat als in de sterrenrestaurants. De salade komt in plastic zakjes gevuld met de bonen, stukjes tomaat, rode ui en aji, de in Ecuador alomtegenwoordige dressing van rode pepers, en wordt afgemaakt met een flinke kneep limoensap, geroosterde mais en bananenchips.
 
Slapen tot de bestemming
 
Bestemming van deze reis is Cuenca, de derde en wellicht mooiste stad van Ecuador, 450 kilometer ten zuiden van Quito. De rit over de Panamericana voert door een honderden kilometers lange vallei tussen twee uitlopers van de Andes, en wordt vanwege de tientallen al dan niet uitgedoofde vulkanen ook wel de Avenida de los Volcanos genoemd. De landschappen zijn dramatisch: van ruige páramo tot mystieke nevelwouden, met hier en daar een met gletsjers bedekte vulkaantop. 
 
Mijn reisgenoten, merendeels inheemse indianen gehuld in poncho's of felgekleurde omslagdoeken, vinden de blonde gringa wat interessant. "Holanda?" vraagt een dikke vrouw die zich genoeglijk in de halve plek tussen mij, de rugzak en het raam heeft genesteld. "Ligt dat in de Verenigde Staten? Kun je daar veel geld verdienen?" Na nog enkele vragen over mijn burgerlijke staat - een ongetrouwde gringa van over de dertig roept hier veel vragen op - legt ze haar hoofd op mijn schouder en ze valt in een diepe slaap. 
 
Ook de rest van de passagiers brengt de reis grotendeels slapend door. Wellicht ligt dat aan de doorgaans tergend trage bus, die zelfs over de snelweg nog geen vijftig kilometer per uur aflegt. Hij stopt overal waar maar iemand zijn hand opsteekt, waarna de assistent uit de bus springt om bagage in het laadruim te kieperen. Maar de bus houdt evengoed halt om de assistent een tros bananen te laten kopen of om hem even een kruisje te laten slaan bij een Mariabeeld. 
 
Op de ritten die daardoor zo tien uur kunnen duren, zijn de troepen ambulante verkopers vaak de enige voedselvoorziening. Populaire snacks in de Andes zijn mote con chicharrón, een bergje zompige, witte mais met daarop gefrituurde varkenshuid; fritada van stukjes geroosterd varkensvlees; en papas con cuero, van alweer varkenshuid, maar dan met gebakken aardappels - zwaar, koolhydraatrijk eten, waar inheemse boeren in de Andes lang op kunnen teren. Ik hou het bij papipollo, de Ecuadoraanse versie van een patatje mét: gefrituurde kip en aardappels, met aji en ketchup. Muy rico. 
 
Een iets grotere culinaire uitdaging wacht bij een overstap in Ambato, een provinciestad op vier uur rijden van Quito. Op een paar meter afstand van de snelweg staat een kleine indiaanse verwoed aan een spit met cavia's te draaien. Ze veegt het zweet van haar voorhoofd, en kwast de knaagdieren nog eens in met een onbestemd mengsel van vet en kruiden. Vorsend bekijk ik mijn voormalige huisdieren, die opeens wel twee keer zo groot lijken. Misschien een volgende keer.
Klein stadje, grote trots

03-01-2015, Volkskrant Magazine

Sucre is misschien wel 's werelds charmantste hoofdstad. Denk aan hellende klinkerstraten, witgekalkte huizen met rode pannendaken en pleintjes waar de bankjes onder de palmbomen gemaakt lijken voor geliefden en voorovergebogen oudjes met hun krant op centimeters voor hun kippige ogen. Het is een plek waar je al snel niet meer weg wilt, simpelweg omdat je je er thuisvoelt.
 
Dwaal op een zaterdagmiddag door het koloniale centrum en verbaas je over de stilte van de verlaten straten, oogverblindend wit in de bakkende zon, de winkelluiken gesloten. 
 
Pas na lunchtijd, heilig voor de Sucrenses, komt de stad weer tot leven. Winkels openen hun deuren, straatverkoopsters hijsen bontgekleurde dekens met handelswaar op de rug en de straten stromen vol met luid sputterende minibusjes en vooroorlogse motorfietsen, ongeduldig gas gevend bij het rode stoplicht. 
 
Cómprame roepen de marktvrouwen op de Mercado Central, verstopt tussen grote hopen fruit, aardappels en boterbergen, traag lepelend uit een bord soep van koeienpoten: 'Koop van mij. Ik heb papaya, perziken, bananen...' Voor de nodige couleur locale ga je naar de Sección de Jugos, waar dikke mamitas verstopt achter hoog opgetast fruit en immer brommende blenders complete Boliviaanse families voorzien van jugos, batidos en fruitsalades met meer slagroom dan fruit. 
 
Loop door stadspark Bolivar, waar kinderen onvermoeibaar op en neer stuiteren op bontgekleurde springkussens, terwijl hun ouders gigantische stukken slagroomtaart verorberen. Vervolg je weg naar de uitgestrekte Mercado Campesino, net buiten het centrum, met stratenblokken vol verkopers: van kippen tot cocabladeren en opgezette babylama's, te offeren aan Pachamama bij van financiële of emotionele nood. 
 
De namiddag is voor La Recoleta, de wijk die omhoog klimt tegen een heuvel, uitkomend op een pleintje met het mooiste uitzicht over de stad. In de verte klinkt een roestige trompet. Nieuwsgierig sla je de hoek om, waar op hetzelfde moment een jeugdig orkest een lied inzet, midden op straat. Even verderop begint een festival. Het ene na het andere verklede kind verdwijnt door een hoge deur. Binnen dansen kinderen, van kleine blues brothers tot meisjes in traditionele indígena-kostuums, hun trotse ouders zitten op de tribune met nog meer eten en frisdranken. 
 
Achter de feestelijke façade schuilt een klein, gebroken hartje. 'Sucre capital de Bolivia' lees je overal - achterop de stadsbussen. Zelfs schoolkinderen ontkomen er niet aan, de blijde boodschap staat in koeieletters op hun rugtassen geprint. 
 
Op papier geldt het 194 duizend zielen tellende stadje, waar in 1825 kolonel Sucre de Boliviaanse onafhankelijkheid uitriep, inderdaad als de hoofdstad. Helaas voor Sucre is de eretitel slechts symbolisch, want na een in 1899 verloren burgeroorlog verhuisde de regering naar het 416 kilometer noordelijker gelegen La Paz. 
 
Een nederlaag die de trotse Sucrenses nooit zullen accepteren. Nog maar zeven jaar geleden vochten de stedelingen een nieuwe slag om de macht terug te halen naar waar die behoort, in Sucre dus. De campagne draaide uit op een wekenlange veldslag tussen Sucrenses en tienduizend daartoe speciaal naar Sucre afgereisde Paceños, in de heuvels buiten de stad - met doden, gewonden en plunderingen tot gevolg. 
 
Wat het opleverde? 'Niets', verzucht de 25-jarige Samarah, geboren Sucrense. 'Maar we hebben wel laten zien dat we ons er niet bij neerleggen. Sucre heeft een in alle opzichten rijkere geschiedenis dan La Paz. We willen alleen maar terug wat van ons is.'
 
Hoe kom je er?
 
KLM vliegt vanaf 1.460 euro naar La Paz, met een tussenstop in Lima. Vanaf La Paz gaan bussen naar Sucre. Voor wie geen zin heeft in de twaalf uur durende rit zijn er ook binnenlandse vluchten.
 
 
Ecuador ontsluierd

15-11-2014, Columbus Magazine

'Ayahuasca, ayahuasca, espiritu santooo!’bezweert de sjamaan. Hij pakt een plastic fles met een ondefinieerbaar goedje van het altaar, neemt een ferme slok en sproeit dan vol overgave over zijn te reinigen discipel heen. Pssst! De sjamaan schreeuwt, onverstaanbare klanken in de nacht. Plots begint het altaar te trillen, gevolgd door een schril geluid. De sjamaan kijkt vertwijfeld. Niet de heilige geest maar een luid rinkelende Nokia vraagt zijn aandacht. Dan grijpt hij zijn telefoon van de offertafel en verlaat het toneel.
 
Fotograaf Elaine en ik slaan het tafereel gade. We zijn bij de Tsa'chilas, een inheemse stam in de gelijknamige Ecuadoraanse provincie, in het tropisch woud tussen de bergen en de kust. De Tsa'chilas staan beter bekend als Los Colorados, de Roodhuiden, vanwege de rode kleurstof waarmee de mannen hun haren insmeren. Twee eeuwen geleden dreigde de gehele stam te worden uitgevaagd door een mazelenepidemie, meegebracht door de Spanjaarden. Ten einde raad wendde de stamleider zich tot de geesten, die hem vertelden hun lichamen in te smeren met het rode sap uit de zaden van de achioteplant. De epidemie stopte, en als eerbetoon verven de mannen vandaag de dag nog steeds hun haren met de
natuurlijke kleurstof.
 
Ook andere aspecten van het uiterlijk van de Tsa'chilas zijn opvallend. Mannen en vrouwen dragen niet veel meer dan een gestreepte omslagdoek om hun heupen. Op hun lichaam tekenen ze zwarte strepen, kruisjes en stippen, die het gevaar
op afstand zouden houden. Ander handelsmerk van de Tsa'chilas zijn hun sjamanistische rituelen, met een hallucinerend drankje genaamd ayahuasca, gemaakt van een plant uit het woud. Het brouwsel, dat behalve een geestverruimend ook een sterk misselijkmakend en laxerend effect heeft, zou helpen bij de spirituele reiniging van lichaam en geest.
 
Vanavond krijgen we dat van dichtbij te zien. Zelf houdt de Tsa'chilagemeenschap maar twee keer per jaar een ayahuascaritueel, maar voor wie graag de
strijd aangaat met zijn demonen organiseren ze op aanvraag ceremonies. Ook wij kunnen meedoen, maar daar besluiten we vanaf te zien − ayahuasca is niet iets wat je even tussendoor neemt, gezien de sterke mentale en fysieke effecten die het kan hebben. En dus kijken we naar een tiental stamleden die in de rij staan voor een dosis van het brouwsel. De sjamaan, stamhoofd José, spreekt ons
toe in het Tsa'fiki, wappert met rook en vraagt ons elkaars handen vast te pakken. In een kringetje staan we rond het rokende hout. Ik vraag me af in hoeverre ik dit nu serieus moet nemen. Dat meerdere telefoons beginnen te rinkelen, helpt niet echt. Daarentegen horen we vervolgens tot diep in de nacht geschreeuw. Nelson, de zoon van José, verklaart de volgende ochtend dat hij kort na zijn portie in de bosjes verdween om over te geven. Hij had malas visiones. Wat die waren mag hij niet zeggen − erover praten zou het effect van de reiniging verstoren.
 
Sinds een jaar of vijftien laten de Tsa'chilas toeristen toe in hun gemeenschap. Naast het ayahuascaritueel krijgen we te zien hoe met het rode sap van achiotezaden het haar van een Tsa'chila-dreumes in de verf wordt gezet en we leren over de medicinale werking van de planten uit het bos. ‘Voor extra
inkomsten, maar vooral om te laten zien wat onze cultuur is,’ zegt José. Hij wijst naar zijn roodgeverfde kuif en blauwwitte omslagdoek. ‘Ik ben geboren als een Tsa'chila, en daar ben ik trots op. Ik schaam me er niet voor om zo naar de stad te
gaan.’ Hij trekt wel een T-shirt aan, dat dan weer wel. Maar voor zijn kinderen is dat anders. Zij willen studeren, een ander leven leiden dan hun ouders. Slechts acht van de ongeveer honderd resterende Tsa'chila-families in Ecuador willen nog
leven volgens de oude tradities, leren we van José. ‘Het leven is moeilijker geworden. Vroeger leefden we van jagen en vissen, hadden we veel land. Maar ons land moesten we inleveren, en de rivier is nu vervuild. De mensen zien het moderne leven, zijn daar gewend aan geraakt. Maar onze cultuur moet
behouden worden. Ik moet er niet aan denken dat die straks niet meer bestaat.’
 
Natuur versus iPhones
 
Onze volgende bestemming ligt aan de andere kantHier zijn we te gast bij de Añangu, een Kichwaindianengemeenschap die in het regenwoud van
nationaal park Yasuní twee ecolodges runt. Om er te komen stappen we in een gemotoriseerde kano, voor een tocht van tachtig kilometer stroomafwaarts
op de Naporivier naar de noordgrens van het reservaat. Yasuni is om meerdere redenen een bijzonder gebied. Je vindt er meer leven dan waar dan ook op aarde, zeggen biologen − een gevolg van zijn ligging op de kruising van de Andes, Amazone en evenaar. Het is er daardoor altijd warm, vochtig en zonnig, met af en toe een flinke plensbui. En dat vindt de natuur fijn. Om een idee
te geven: op één hectare van het reservaat, dat een kwart van Nederland zou beslaan, telden onderzoekers zo’n honderdduizend verschillende insecten en 644 boomsoorten, meer dan in alle Verenigde Staten bij elkaar. Je vindt er de majesteitelijke, tot wel zeventig meter hoge kapokbomen, zeldzame reuzenotters, talloze varianten boomkikkers, sprinkhanen en vlinders, apen, piranha’s en kaaimannen.
 
Maar er is meer. Kort nadat we de Napo zijn opgevaren doemen twee groteske vlammen op aan de horizon, tegen de achtergrond van de groene jungle. ‘Dat zijn de gasbranders van de oliemaatschappijen,’ verklaart onze gids Remigio, geboren
en getogen in Yasuni. ‘Al twintig jaar verdwijnt hier het vrijkomende gas van de olie die op verschillende plekken aan de randen van het reservaat uit de grond wordt gehaald, 24 uur per dag.’ Hij wijst naar de gasbrander. ‘Als ik in de nacht met
een klein zaklampje schijn dan trek ik al vele insecten aan. Probeer je eens voor te stellen hoeveel dieren op een enorme vlam als deze afkomen? De hitte doet elke dag honderdduizenden insecten verbranden. Daardoor sterven weer andere bloemen en planten uit, die door deze insecten worden bestoven.’
 
Tot voor kort werd alleen buiten de grenzen van het park naar olie geboord, maar ruim een jaar geleden besloot president Rafael Correa om ook een afgelegen gebied binnen het reservaat te exploiteren. Het voortbestaan van het park staat
daardoor onder druk. Een noodzaak aldus de president, die het geld nodig zegt te hebben voor de ontwikkeling van Ecuador, een van de armste landen van Zuid-Amerika. Sinds Correa aan de macht kwam is er veel veranderd. Nieuwe wegen,
beter onderwijs, gezondheidszorg. Met dank aan de oliedollars, die ongeveer de helft van het nationale inkomen vormen. Avanzamos Patria! lezen we op
grote billboards langs de weg: ‘We helpen het vaderland vooruit!’ En: ‘Met jouw natuurlijke bronnen bouwen wij wegen.’ We stappen over in een kleine kano en varen over een smalle kreek het woud in. Onze lodge ligt letterlijk midden in de jungle, een anderhalf uur peddelen van de Napo af. We zijn stil, alleen met
de kakofonie van geluiden van het regenwoud. ‘Pas op voor de kaaimannen,’ zegt Remigio opgeruimd, en wijst naar het onheilspellende, donkergekleurde water. Na een paar minuten stopt hij de boot met zijn peddel en wijst naar boven, hoog in de bomen. Een paar aapjes kijken terug en slingeren dan doodgemoedereerd naar de volgende tak. Het zijn kapucijneraapjes, een van de tien apensoorten die in het park leven.
 
Een plons aan de waterkant. In mijn ooghoek zie ik iets uit het donkere water omhoog komen. Ik gil, en spring zo’n beetje bij Elaine op schoot. Remigio
lacht. Het monster blijkt geen kaaiman maar ‘slechts’ een arapaima, de grootste zoetwatervis van de Amazone. Drie meter kan het beest worden, groot genoeg om een nietsvermoedende reisjournalist een klein toeval te bezorgen. Dan verschijnt licht aan het einde van de kreek. We varen een meertje op, met aan de overkant een verzameling rode huisjes met rieten daken. Onze verblijfplaats voor de komende vier dagen. Even na zonsondergang lig ik op mijn rug op de steiger,
starend naar de Melkweg. Vleermuizen en vuurvliegjes schieten voorbij, in het water klinkt geklots van rondspringende vissen. De rode brulaap staakt zijn geroep, een geluid als een windmachine. De nacht in het regenwoud is begonnen. In de
verte licht de hemel op, een naderend onweer. Een flauw schijnsel trekt mijn aandacht. De stad? Het blijkt alweer een gasbrander, een kleine twintig kilometer verderop. Het begint ons steeds duidelijker te worden wat de vernietigende gevolgen van oliewinning hier zijn.
 
Ook de inheemse volken in het gebied, naar schatting tweeduizend Kichwa- en Waorani-indianen, zijn niet meer dezelfde. Ze vestigden zich langs de wegen gebouwd door de oliemaatschappijen, kregen gemotoriseerde kano’s van de regering, er kwam elektriciteit, onderwijs, gezondheidszorg. 'In veel opzichten is het leven beter,’ zegt Remigio, 24 jaren jong. ‘Maar tegelijkertijd is onze cultuur
aan het veranderen.’ Hij is daar zelf een lichtend voorbeeld van. Zijn kleren en schoenen komen uit een winkelcentrum in Quito, in zijn zak prijkt een iPhone. Toch is Remigio in alles een kind van het woud. Hij weet in welke boom de aapjes na een
nacht regen een schuilplaats zoeken, op welke waterkant metersdikke anaconda’s hun diner liggen te verteren en waar ze hun eitjes leggen. Waar wij slechts een stuk boomschors zien, herkent hij een boomkikker, slapende vleermuis of een vogeltje in camouflagekleuren. Sinds een jaar werkt hij als natuurgids bij de lodge waar we vier dagen verblijven, Napo Wildlife Center. Vier op de vijf werknemers komen uit de gemeenschap, een nederzetting op vijf kilometer peddelen van de
lodge. Remigio neemt ons mee naar het community interpretation center, waar de Añangu een modelhuis hebben gebouwd, met een vloer van aangestampte
aarde en een dak van palmbladeren. De schoonzus van Remigio demonstreert hoe haar volk zonder moderne zaken als een koelkast en fornuizen vuur maakt en eten kookt en conserveert met rook. Maar als we daarna langs de gemeenschap varen, zien we een verzameling houten huizen met golfplaten daken. ‘Het dak hebben sommigen nog wel,’ zegt local Vladimir. Wat is er dan nog authentiek
aan wat we zojuist hebben gezien? ‘Mijn grootouders leefden nog wel zo. Maar sinds een jaar of twintig zijn dingen aan het veranderen. Nu hebben
we koelkasten. En Nikes.’
 
Het offer van Ozogoche
 
Op de drempel van een simpel stenen huisje zit Laura. Naast haar staat een grote zak met plukken alpacavacht, waar ze met een klos draden van spint. Een paar meter verderop op de grond zit haar moeder, naast een hok konijnen. Links van haar ligt witte mais uitgespreid op een kleed, rechts de rode variant. Haar verschrompelde gezicht gaat geheel verborgen achter een bolhoedje, dat eens wit geweest moet zijn. Onverstoorbaar sorteert ze de korrels. Wanneer we vragen hoe ze heet, knikt ze vriendelijk, en antwoordt iets in het Kichwa. 
 
Van de Kichwa’s in het regenwoud zijn we drieduizend meter geklommen naar hun verwanten hoog in de Andes, in het vrijwel geheel inheemse bergdorp Guamote. Hier gaan we op pad met Inti Sisa, een Belgische stichting die zich sinds vijftien jaar inzet voor de locals. Zo runnen ze een kleuterschooltje, geven Engels, computer- en naailes. Om inkomsten te genereren openden ze een gastenhuis in het dorp en organiseren ze rondleidingen voor toeristen langs de gemeenschappen die zich nog hoger in de bergen bevinden en leven van de opbrengst van het land en hun dieren. ‘De indigenas zijn lange tijd onderdrukt geweest; pas in 1972 is de laatste feodale wet afgeschaft,’ zegt onze gids Eva. ‘Veel ouderen zijn daarom nooit naar school geweest en spreken alleen Kichwa.’ Ze wijst naar de grillige lapjes grond op de steile hellingen, bewerkt door plukjes bontgekleurde figuren. ‘Alles moet met de hand, een tractor zou zo de berg afzakken.’ We stoppen, om drie vrouwen een lift te geven achterop de pick-up. De weg is onverhard, geen partij voor de eeuwige wind. Met hun rode en groene sjaals vegen ze het stof van hun gezichten af. ‘We zijn vies,’ zeggen ze, met een ietwat schuldbewuste blik. Hier en daar zien we chozas, lemen hutten met een soort rieten daken. Het zijn de traditionele huizen waar veel Kichwa nog in wonen. We stoppen bij een huis van de familie van onze chauffeur Lazaro. Zijn gehele familie woont op letterlijk een steenworp van elkaar, in zowel chozas als stenen huizen. ‘Maar als we mogen kiezen hebben we liever een choza,’ zegt Lazaro. ‘Dat houdt de warmte goed binnen.’ We kijken naar de muren, een halve meter dik, gemaakt van koeienpoep, water en zand. Ramen ontbreken. Binnen is het donker, met weinig meer dan een kast met daarop een kapotte radio, een tweepersoonsbed met een matras van stro en een vuurplaats met twee kookpotten. In de hoek scharrelt een tiental cavia’s, bestemd voor de verkoop op de markt, of eerdergenoemde kookpot.
 
Nog geïsoleerder leven de bewoners van Ozogoche Alto, een gemeenschap van zeventig mensen aan de rand van de bergmeren van Ozogoche en Atillo. Om er te komen volgen we een onverharde weg omhoog de bergen in, waarbij we uitkijken over de toppen van de Andes en valleien gevuld met mist. Bussen komen er niet, alleen eens per week een melkkar. Lokaal staan de meren bekend om het sacrificio de Ozogoche, het offer van Ozogoche. Elk jaar tussen september en oktober vliegen honderden grijs-witte trekvogeltjes uit Alaska, culivi in het Kichwa, zich collectief te pletter in de meren. Waarom weet niemand, maar verklaringen zijn er te over. ‘De vogeltjes zoeken na de lange vlucht over de hoge bergen verkoeling in het meer, maar worden dan gegrepen door de ijskoude golven,’
zegt local Alfredo voor zijn restaurantje aan de rand van het meer, de enige openbare gelegenheid in de wijde omtrek. Om de vogeltjes te eren heeft de gemeenschap een jaarlijkse feestdag in het leven geroepen, waar ze dansen en muziek maken. En vervolgens de beestjes op het vuur gooien en opeten. Ozogoche betekent dan ook deseoso de comer carne, het verlangen om vlees te eten.
 
We laten de jeep achter en gaan te voet op weg naar de meren. De natuur is onbarmhartig en ruig, met kale, rotsachtige bergtoppen, stug gras en lage struiken. Het water heeft een donkere kleur blauw, de wind doet klotsende golfjes tegen de waterkant slaan. Verderop drijven twee meisjes een kudde schapen voort, omhoog tegen de steile helling. Een van de twee heeft een lammetje op haar rug gebonden. Dat het leven hier moeilijk is, kunnen we ons levendig voorstellen. Deze plek is zo afgelegen en het leven zo rauw dat het nog wel even kan duren voor de Ecuadoraanse revolución Ozogoche bereikt.
 
En misschien is dat maar goed ook.
 
Foto Elaine Springford
Vallei vol wild

14-06-2014, Het Parool

De donkere sterrenhemel wordt om de paar seconden verlicht door de bliksemschichten van het onweer dat kilometers verderop al flink tekeergaat. Onze chauffeur, Frank Sowa, kijkt vorsend naar mijn niet zo stormbestendige trui en haalt een gele prop tevoorschijn. "Wil je soms een regenjas?" Ineens verschijnt een man naast de auto. Hij grijnst en stelt zich voor als Joseph, parkranger. Op zijn hoofd prijkt een groene jagershoed, aan zijn schouder bungelt een geweer. "Dat is een kalasjnikov," fluistert reisgenoot Bob, met onverholen opwinding. We vragen ons af waar het ding voor is - voor een rendez-vous met een boze buffel of om eventuele stropers naar het dodenrijk te verjagen?

In korte tijd betrekt de lucht en het begint te regenen. Snel rollen de mannen een canvas dakje uit over het ijzeren frame van de Land Rover, waarna we vertrekken. Frank rijdt, Joseph zit ernaast. Gids Chrisple zit op de motorkap van de auto, met in zijn handen een schijnwerper waarmee hij koortsachtig in het rond schijnt - niet om de chauffeur bij te lichten, maar om ons een glimp van het nachtelijk wildleven te gunnen. 

We zijn in Lake Manyara, een relatief klein natuurreservaat (330 vierkante kilometer) in het noorden van Tanzania. Het park strekt zich uit langs de westkant van de Grote Riftvallei, de zesduizend kilometer lange kloof die loopt van Libanon tot aan Mozambique. 

De vallei, het gevolg van scheurende aardplaten, heeft het landschap in de loop van de afgelopen dertig miljoen jaar drastisch veranderd. Al het natuurschoon dat we deze dagen bezoeken, bevindt zich in deze kloof: de geïmplodeerde vulkaan Ngorongoro, de vele zoutmeren, Afrika's hoogste berg, de Kilimanjaro, zelfs een actieve vulkaan.

Immense dierentuin

En Lake Manyara dus, met als naamgever een groot zoutmeer waarvan de randen roze zijn gekleurd door de vele flamingo's. Nog maar een paar uur geleden, toen de zon genadeloos hoog aan de hemel brandde, stonden we in hetzelfde park, kijkend naar een paar poedelende nijlpaarden. 

"Het is allemaal begonnen in deze vallei en mogelijk eindigt het hier ook," aldus gids Joseph Kitia (68) met enig gevoel voor dramatiek. Al bijna veertig jaar loodst hij toeristen door de bushbush, vertelt hij aan het begin van onze trip. Joseph kent alle dieren, verstaat hun geluiden; soms beantwoordt hij ze zelfs, om ze uit hun tent te lokken. 

De omineuze voorspelling van Joseph is tweeledig. De kloof waarin we ons bevinden wordt elk jaar een stukje wijder, en de valleibodem een stukje lager. Gaat dat zo door, dan zal dit deel van Oost-Afrika over zo'n drie miljoen jaar veranderen in een eiland. Maar ook de mensheid, die even verderop in dezelfde vallei zijn oorsprong zou vinden, vormt een bedreiging. "De mensheid is ontstaan om de aarde om zeep te helpen," zegt Joseph, doelend op onze vele ingrepen in de natuur. "Laten we dat samen voorkomen." 

Dan gooit het nijlpaard verderop zijn enorme bek wijd open. Een tiental telelenzen draait weg om in te zoomen op het dier. Einde presentatie; we zijn hier gekomen om wilde dieren te spotten. In Lake Manyara zijn dat onder andere honderden vogelsoorten als flamingo's, pelikanen en adelaars, maar ook de Big Five minus de neushoorn (stropers waren ons voor), giraffen, zebra's en andere grote zoogdieren. 

De boomklimmende leeuwen die graag op de takken van de acacia's rusten en waar Manyara om bekendstaat, zien we deze middag niet. Wel een dicht regenwoud bij de ingang van het park dat wordt gevoed door de ondergrondse rivieren. In de takken en op de grond slingeren vele bavianen en andere aapsoorten, en vinden bosbokken en dikdiks (een kleine antilope) een plek in de schaduw. 

Eenmaal uit het bos, op de open grasvlakte, treffen we een paar olifanten. Op hun dooie gemak banjeren ze voor ons uit. Zo zullen we nog veel meer overstekend wild tegenkomen tijdens deze game drive: zebra's, giraffen, gnoes, impala's. De dieren zijn zo op hun gemak met de ronkende fourwheeldrives, dat het soms lijkt alsof we door een immense dierentuin rijden. "Ze weten dat we in de auto blijven, daarom zijn ze niet bang," verklaart onze chauffeur. 

Kort na het vallen van de duisternis, na een maaltijd op de rand van de vallei, rijden Frank en Chrisple ons terug naar het park, ditmaal voor een nachtelijke tocht. Waarom in godsnaam 's nachts op safari gaan? Wel, naar verluidt komt de natuur juist dan tot leven. Nijlpaarden klimmen uit hun poel om zich te goed te doen aan sappig gras (of een soortgenoot te bespringen), nachtdieren als de caracal of genetkat komen uit hun schuilplaats om op zoek te gaan naar eten. 

De schijnwerper blijft in een tak hangen. Een galago, een soort halfaap, kijkt verschrikt terug - zijn ogen oranjegeel reflecterend in het lamplicht. Even later treffen we ook een kleine variant, die nog het meeste wegheeft van een Gremlin. "Dat is een bush baby," zegt Frank. De roep doet denken aan het gehuil van een baby, vandaar. "En kijk daar, een mot," wijst hij. Niet echt een lid van de Big Five, maar hé, we kwamen tenslotte voor het nachtleven.

Natuurkrachten

Dan begint het pas echt te regenen. Een tropische zondvloed; ongenadig hard stort het water naar beneden. Het canvas dakje blijkt zinloos te zijn. We kruipen tegen elkaar aan en trekken een velddeken over ons heen, terwijl Frank de jeep dieper het park instuurt. Ondertussen zoekt de man voorop nog altijd onverstoorbaar door naar de ons beloofde wilde dieren. Wij, de toeristen die hem dit aandoen, schamen ons diep. "Die man heeft de slechtste dag van zijn leven," roept Bob boven de storm uit, ten overvloede. 

We vragen ons ook af welke dieren zich nog naar buiten zullen wagen met dit weer. Buffels dus, blijkt als even later een groepje ogen geel oplicht in de schijnwerper. De kudde blijft even verdwaasd staan en verdwijnt dan in de struiken. 

Even later, op de open vlakte, stopt de regen. Voor even. We horen het blaffende geluid van een nijlpaard. Even later zien we het dier ook. Plompverloren hobbelt het beest over de weg, voor onze jeep uit, om na een tiental meters al even onhandig het moeras in te glijden. 

Ondertussen onweert het onverminderd hard verder. Bij elke bliksemschicht lichten de plassen in het moeras op spookachtige wijze op. "Dit zijn pas natuurkrachten," zeggen we tegen elkaar. Wanneer het nogmaals begint te hozen, besluiten de gidsen terug te keren. Rukwinden en blikseminslagen blijken de weg terug in een hindernisbaan te hebben veranderd. We rijden dwars door struiken en om gevallen bomen heen, het zicht ontnomen door de slagregens. "Zijn jullie oké?" vraagt onze ranger, het geweer nog altijd dicht tegen zich aan. We zijn oké. 

Dat het hier mogelijk ook eindigt? We kunnen het ons na deze avond levendig voorstellen. Gelukkig hebben we nog zo'n drie miljoen jaar te gaan.

SLAPEN

LAKE MANYARA SERENA LODGE

Aan de rand van de vallei, met geweldig uitzicht over het park. Vanaf 188 euro voor een tweepersoonsbungalow.

www.serenahotels.com

OL MESERA TENTED CAMP

Kleine accommodatie met luxe safaritenten tussen de baobabs, vanaf 170 euro voor twee personen.

www.ol-mesera.com

PANORAMA SAFARI CAMP

Met al even geweldig uitzicht als eerstgenoemde locatie. Je mag je eigen tent opzetten of kunt er één huren. Een nacht kamperen kost rond de vijf euro. Je vindt de camping net buiten het naastgelegen dorp Mto Wa Mbu.

REISINFORMATIE

Vlucht Turkish Airlines vliegt dagelijks vanaf Amsterdam via Istanboel naar Kilimanjaro, vanaf 777 euro voor een retourvlucht. KLM vliegt vijf keer in de week, met een tussenstop in Dar es Salaam, vanaf 977 euro voor een retour. In de zomermaanden liggen de prijzen een paar honderd euro hoger.

Valuta de nationale munt is de shilling, ook Amerikaanse dollars worden overal geaccepteerd. Eén euro is (op het moment van schrijven) zo'n 2200 shilling.

Beste reistijd Lake Manyara is het hele jaar door te bezoeken. Om grote dieren te spotten ga je het beste tussen juni en oktober, vogelaars reizen tussen november en juni.

Op safari Shella Beach Tours organiseert alle mogelijke safari's in Tanzania, inclusief accommodatie. www.shellabeachtours.com

Wayo Africa organiseert night game drives in Lake Manyara Park. Kosten rond de 50 dollar per persoon, plus de kosten van de entree voor het park. Te boeken via www.exploretanzania.nl

GEMIDDELDE PRIJZEN

Biertje van zo'n vijfduizend shilling (ruim twee euro) voor een toerist, tot een fractie daarvan voor een local.

Koffie niet aan te raden, je kunt beter thee drinken, net als de Tanzanianen.

Maaltijd rond de tienduizend shilling (vier euro) voor een hoofdgerecht.

 
Santiago wordt wakker

12-04-2014, Volkskrant Magazine

Het Frankfurt van Zuid-Amerika, zo stond Santiago de Chile lange tijd bekend. Economisch ging het lekker met de Chileense hoofdstad, maar op het gebied van cultuur was er weinig te beleven; saai, degelijk en provinciaals. 'Voor eeuwig in slaap', zo noemde de Chileense dichter Pablo Neruda zijn stad.

Maar sinds enkele jaren doet Santiago verwoede pogingen van dat duffe imago af te komen. In de aanloop naar het feestjaar 2010, toen het land tweehonderd jaar onafhankelijkheid vierde, onderging de stad een culturele metamorfose. Moderne cultuur-centra en musea werden uit de grond gestampt, stadsparken opgeknapt en buurten gepimpt, die prompt bohémien heetten te zijn. 

We laten ons rondleiden door de Amerikaanse Mac Mitchell van Bicicleta Verde, een bedrijfje met originele tours door Santiago en de verderop gelegen havenstad Valparaíso. De rondleidingen zijn te voet én op de fiets, want de metropool blijkt onverwachts een heuse fietsstad te zijn. 

En zo trappen wij even later ook door de straten van Santiago, op groene fietsen die met hun stalen boodschappenmandjes en onwaarschijnlijk brede sturen er tamelijk koddig uitzien. De gebruikelijke helm heeft Mitchell achterwege gelaten; als Nederlanders worden we geacht fatsoenlijk te kunnen fietsen. 

Enigszins onwennig - de drukke stromen verkeer van Santiago zijn toch net even anders dan we gewend zijn, volgen we Mitchell naar Bellas Artes en Lastarria, twee recent opgeknapte barrios in de stad. Eens werden de prachtige art-decogebouwen in deze buurt bevolkt door de beter gesitueerden, tot die aan het einde van de militaire dictatuur op de vlucht sloegen uit angst voor wraakzuchtige socialisten. 

Nu wonen er jonge gezinnen, kunstenaars en hipsters, kortom, de usual suspects van een buurt-in-opkomst. Je vindt ze in de verkeersvrije klinkerstraatjes van Lastarria, een gemoedelijke stadsoase omringd door twee parken, waar in het weekend de stoepen worden overgenomen door zingende en jonglerende straatartiesten. Ook fijn is het Plaza Mulato de Gil, een pleintje met daaraan het Museo Nacional de Artes Visuales en het Museo Archeológico, een cafeetje en een paar winkeltjes. 

In Bellas Artes, vernoemd naar het gelijknamige museum, houdt Mitchell halt en wijst naar een statig, lichtroze herenhuis aan de overkant van de straat. 'Ooit woonde daar één gezin, kun je je dat voorstellen?' Hij vertelt hoe na vele jaren van leegstand het satirische politieke magazine The Clinic het gebouw kraakte om er zijn redactie te huisvesten. 

Inmiddels heeft The Clinic het pand gekocht en getransformeerd in een alternatieve culturele verzamelplaats, met een cocktailbar, een filmhuis, expositieruimte en een vintagewinkel en als klap op de vuurpijl een seksshop voor vrouwen, bedoeld om het vrouwelijk schoon uit het conservatieve Chileense keurslijf te krijgen. En oh ja, je kunt in het gebouw ook je fiets laten repareren. 

Iets verderop huist het Centro Cultural Gabriela Mistral (GAM), vernoemd naar de Chileense dichteres Gabriela Mistral, de eerste Latijns-Amerikaanse schrijfster die de Nobelprijs voor de Literatuur won. Het dertienduizend vierkante meter tellende complex, in 1972 gebouwd door de socialistische president Allende, werd kort na de staatsgreep door Pinochet gebombardeerd tot het nieuwe regeringsgebouw en vernoemd naar de conservatieve staatsman Diego Portales - een postume belediging van Allende. 

Sinds 2010 heeft het complex weer zijn oude naam en functie terug. 'Allende wilde dat cultuur voor iedereen toegankelijk zou zijn, ook voor de arme boeren', vertelt Mitchell. En dus is, in de geest van de socialistische president, ook het nieuwe centrum gratis te bezoeken en zijn de prijzen voor de concerten, exposities en dans- en theatervoorstellingen vriendelijk. Behalve twee grote expositieruimten is er een grote, met kleurige glas-in-loodramen overdekte binnenplaats, waar je met een drankje op het terras van het café uitkijkt op coole kunstinstallaties. 

Voor een iets minder gepolijst stadsgezicht fietsen we naar Patronato, aan de andere kant van de Río Mapocho, de geelbruine rivier die Santiago in tweeën snijdt. 'El barrio commercial y cosmopolita' doopten een paar optimistische stadsvernieuwers deze buurt een paar jaar geleden. En nou ja, winkels zijn er inderdaad te over. Chinese vooral, hele blokken vol, met kleren die het naar verluidt precies één zomer uithouden. 

Maar laat je daardoor vooral niet afschrikken. Patronato, al eeuwenlang de immigrantenbuurt van Santiago, is een cultureel ratjetoe met precies de goeie rafelrand. Lange tijd was deze buurt de plek waar de outcasts van Santiago terecht-kwamen. Niet voor niets heet de deze kant van de rivier La Chimba - 'de overkant'. Eens waren dat de Inca's, later kwamen de Arabieren, Koreanen en Chinezen. 

Statige oude Moorse villa's, daar eens neergezet door vermogende Arabieren, worden afgewisseld met blokken verweerde maar kleurrijke arbeidershuisjes uit de vorige eeuw, hier en daar opgesierd met graffiti. Ga er eten bij een van de vele Koreaanse, Noord-Afrikaanse of Vietnamese eethuisjes en stort je in het gewoel van het licht-hysterische Chinatown. In dit stadsdeel is ongeveer alles, voor bijna niets te koop. 

Een paar straten verderop doemt een enorme, golfplaten markthal op. La Vega Central heet deze voedselmarkt, die zich uitstrekt over vijf stratenblokken. Menig toerist en rijke Chileen laat deze markt, in dit nog niet opgeknapte deel van het centrum, links liggen voor een bezoek aan de veel bekendere Mercado Central. Onterecht; La Vega is fantastisch. 

Het aanbod is ronduit overweldigend. Alle mogelijke soorten groenten en fruit, vers vlees en dito vis, kruiden en peulvruchten en zelfs een pad met hondenvoer. We zien de lichtgele, rode, en dieppaarse aardappels van het eiland Chiloé, vele bergen perfect rijpe avocado's, perziken, frambozen en glanzend oranje persimoenen. En pepers, in alle mogelijke kleuren, soorten en maten en van mild tot tongverschroeiend heet. 

Voorzichtig ruiken we aan een van de hoog opgetaste bergen merkén, de nationale specerij van Chili, gemaakt van zon-gedroogde en vervolgens gerookte chilipeper en zout. De Chilenen strooien het over hun geroosterde vlees of over de ceviche (visschotel) - eigenlijk maakt merkén alles lekker, als we de bejaarde peperverkoper achter de kraam mogen geloven. 

Dan stuiten we op een hal vol kleine restaurantjes, waar gezeten aan houten tafels met rood-witgeblokte tafelkleedjes, marktwerkers en buurtbewoners zich volstoppen met Chileense boerengerechten. Zoals cazuela, de traditionele Mapocho-stoof met kip, pompoen, wortel en mais. Een aanrader, want gemaakt met de verse producten van de markt en voor geen geld. 

Schrik overigens niet als er onder de tafel iets zachts langs je benen strijkt: La Vega is vergeven van de zwerfkatten. 'Ach', zegt Mitchell vergoelijkend: 'Dan zijn er in ieder geval geen ratten.'

Foto Jurriaan Teulings

 

 
Underground scene

22-02-2014, Het Parool

Waarom zou je in Londen naar een kerkhof gaan? Omdat de stad zeven prachtige victoriaanse tuinbegraafplaatsen telt, bijgenaamd The Magnificent Seven.

Abney Park 

Overdag waan je je er in een sprookjesbos, bij nacht in een horrorfilm. Grafstenen steken overal waar je kijkt schots en scheef de grond uit, groen bemost en overwoekerd door klimop. Langs de graven slingeren vele paadjes, waardoor het makkelijk verdwalen is. Midden in het dichte bos staat een verlaten, uitgebrande kapel, omringd door onthoofde engelenbeelden en een enkele omgevallen boom.

We zijn in Abney Park, de oude begraafplaats van de alsmaar hipper wordende wijk Stoke Newington (zie kader), in het Londense district Hackney. In 1840 werd dit 32 hectare grote park opengesteld als begraafplaats en bomentuin tegelijk - een bijzondere combinatie, zeker in die tijd. Nog steeds telt het park honderden verschillende soorten bomen, struiken en paddenstoelen. (Niet eten - ze zitten vol met arsenicum, afkomstig van de gebalsemde lijken van de victoriaanse society, maar dit terzijde.) 

De begraafplaats is minder opzichtig dan de rest van de Magnificent Seven - zoals de zeven victoriaanse tuinbegraafplaatsen in Londen bekendstaan - maar minstens zo bijzonder. Stoke Newington was destijds een wijk van religieuze dissidenten, en zo werd Abney de eerste begraafplaats waar doden van alle geloofsrichtingen terechtkonden. 

In 1978 sloot de begraafplaats, waarna het park aan zichzelf (en vandalen) werd overgelaten. Beelden en grafstenen raakten in verval, maar ook de natuur kon haar gang gaan. Het resultaat is een bijzonder stuk stadswildernis en misschien wel het mooiste stukje van Hackney. 

Inmiddels heeft een groep buurtbewoners zich over Abney ontfermd en is het park aangewezen als Local Nature Reserve - ofwel een beschermd natuurgebied, maar dan midden in de stad. De begraafplaats is een populaire plek onder de Londenaren. Buurtbewoners laten er hun hond uit, hollen dapper over de glibberige paden of ontmoeten hun geliefde bij het vallen van de schemering. Saillant detail: er schijnt nog ergens een niet-ontplofte bom uit de Tweede Wereldoorlog in het park te liggen. Betreden op eigen risico dus. 

www.abneypark.org 

Highgate Cemetery 

Parijs heeft Père Lachaise, Londen heeft Highgate - de grootste en meest bezochte loot van de Magnificent Seven. Eenieder die er in het negentiende-eeuwse victoriaanse Londen een beetje toe deed, wilde hier de eeuwigheid ingaan, bij voorkeur met een zo groot en protserig mogelijke tombe of met een prestigieus familiegraf. 

En voor wie er niet toe deed in de Londense society was de dood een uitgelezen mogelijkheid om middels een megalomaan graf alsnog postuum bekendheid te verwerven. Zoals de Joodse zakenman Julius Beer, die uit wraak voor het uitblijven van acceptatie onder de victoriaanse adel besloot dan maar het allergrootste mausoleum van Highgate voor zichzelf te bouwen, à raison van vijfduizend pond - het equivalent van drie miljoen pond nu. 

De begraafplaats, gebouwd tegen de heuvel van Highgate Village in het noorden van Londen, is nu een populaire bestemming onder toeristen. Ze vergapen zich er aan het graf van Karl Marx en andere Bekende Doden als George Eliot en de familie van Charles Dickens. De bezoekers laten zich de stuipen op het lijf jagen op het westelijke, oudste deel van de begraafplaats, dat met zijn door wildernis overwoekerde gotische grafmonumenten en mausolea, Egyptische obelisken en andere grafparafernalia een uitstekend decor vormt voor een horrorfilm. Niet voor niets vond Bram Stoker hier de inspiratie voor zijn Dracula. 

Het recentste, oostelijke deel is vrij toegankelijk. Het westelijke deel is sinds 1975 gesloten vanwege de deplorabele staat van de graven en is nu alleen onder begeleiding van een gids te zien. 

www.highgatecemetery.org 

Kensal Green 

'For there is good news yet to hear and fine things to be seen / Before we go to paradise by way of Kensal Green.' Zo dichtte eens G.K. Chesterton over Kensal Green Cemetery, de oudste begraafplaats (1833) van de Magnificent Seven, in de wijk Kensington and Chelsea. 

De tuinbegraafplaats is gebouwd naar het voorbeeld van Père Lachaise, met brede lanen waar eens de koetsen van de victoriaanse aristocratie overheen ratelden en smallere wandelpaden waarover het fijn slenteren was op de zondagmiddag. En dat is het nog steeds, getuige de vele buurtbewoners die door het park lopen of rennen, of spelen met hun kinderen op het gras tussen de graven. 

Hoewel Kensal Green nog altijd in gebruik is, hebben ook hier vele jaren van verwaarlozing het park veranderd in een klein stukje natuurgebied in Londen, met vele vogelsoorten, zeldzame planten en eeuwenoude bomen. De graven - van simpele kruisen tot mausolea compleet met Romeinse zuilengalerijen en badkuipvormige sarcofagen, en van glanzend marmer versierd met verse bloemen tot verzakte en vervallen stenen - staan kriskras door elkaar, ogenschijnlijk zonder enig onderscheid. Dat was er overigens wel, want het park was opgedeeld in plekken voor verschillende geloofsrichtingen, met drie bijbehorende kapellen. 

Ga op ontdekkingstocht langs de graven, het ene nog groter en protseriger dan het andere, en gebruik je smartphone om het verhaal achter de veelal poëtische grafschriften op te zoeken. Zo leren we over de Londense kwakzalver John Saint John Long, in 1830 veroordeeld voor het ombrengen van een jonge patiënte met zijn zelfbedachte 'experimentele' behandeling. Desondanks was de man zo geliefd onder zijn patiënten dat ze na zijn dood een metershoog grafmonument voor hem oprichtten, inclusief Mariabeeld en zuilengalerijtje met esculapen. 'By those who knew his worth, and his benefits.' 

www.kensalgreencemetery.com 

Abney Park ligt midden in één van de gewilde buurten van Londen op dit moment: Stoke Newington, door zijn bewoners ook wel liefkozend Stokie genoemd. Tot een jaar of tien geleden was deze buurt in het noordoosten van stadsdeel Hackney nog de afvoerput van Londen, een plek die je ten zeerste meed als je niet dood gevonden wilde worden - en de meeste Londenaren meden de wijk dan ook. 

Maar de laatste jaren is Stokie, net als de rest van Hackney, hard bezig zichzelf opnieuw uit te vinden. Krakers, kunstenaars en andere creatieven zetten de ontwikkeling in gang, een rondje stadsvernieuwing deed de rest. 

Daarbij heeft de wijk, van oudsher dé verzamelplek voor religieuze dissidenten en andere outcasts in Londen, zijn eigenwijze karakter behouden. Een Starbucks zal je er niet vinden - de bewoners wisten de komst van de keten succesvol tegen te houden. 

Wel vind je in Church Street en High Street een onwaarschijnlijke concentratie boetiekjes en vintagewinkels, met onder andere kleding, antiek, tweedehands platen en boeken. Op zaterdagochtend is er de Farmers' Market, de eerste volledig biologische boerenmarkt van Engeland. Ook heeft de buurt zijn eigen literaire festival; dit jaar is die van 6 tot 8 juni. 

Duik na het gravehunten en shoppen ook vooral de kroeg in: de straten zijn vergeven van gemoedelijke cafeetjes, pubs en restaurants. Zoals het onuitspreekbare Auld Shillelagh, een donkere Ierse pub in Church Street waar men zegt Guinness-perfectie na te streven. Een nieuwkomer is The Jolly Butchers, een pub met tientallen verschillende ciders, ales en bieren op tap, lokaal gebrouwen uiteraard. Voor de ware pubervaring neem je op zondagmiddag de sunday roast.

 
Picasso en pasta tussen de vleeshaken

18-01-2014, Volkskrant

Voormalige slachthuizen in grote steden transformeren tot alternatieve culturele en culinaire centra.
 
1. Teurastamo, Helsinki
 
Lekkerbekken halen hun hart op in Teurastamo, oftewel de voormalige slachthuizen van Helsinki. Sinds anderhalf jaar is het roodbakstenen, monumentale complex een culinair wonderland met vele restaurantjes, eetfestivals, marktjes en een eetbare tuin, verbouwd door buurtbewoners. Zo eet je er langzaam geroosterd varken van het spit en Italiaanse huisgemaakte pasta van een fabriekje op het terrein. Ook leuk zijn de verse vis en groente klaargemaakt in een buitenkeuken op zonne-energie, die je opeet in het eindeloze zonlicht van de Finse zomer.
 
teurastamo.com
 
2. Abattoir, Brussel
 
'Waar Brussel leeft', luidt de slogan van Abattoir, dat sinds een paar jaar behalve slachthuis en marktplaats ook een ontmoetingsplek voor de buurt is. Zo is het 19de-eeuwse slachthuizencomplex het toneel van feesten, exposities, boerenmarkten en debatavonden. Ook zijn er kookworkshops voor buurtkinderen, en op het dak wordt gewerkt aan de grootste stadstuin van Brussel. Wie op donderdagavond de enorme markthal van Abattoir binnenstapt, treft een paar duizend feestende Brusselaars, omringd door kraampjes waar artisanaal en lokaal geconsumeerd kan worden. In de kelders van hetzelfde complex vergaap je je aan een tentoonstelling en o ja, er worden ook nog ergens koeien geslacht.
 
abatan.be
 
3. Il Mattatoio di Testaccio, Rome
 
Van kunst en cultuur tot een 'alternatieve economie', u hoeft zich niet te vervelen in het Mattatoio, het oude Romeinse slachthuizencomplex in de alsmaar hipper wordende volkswijk Testaccio. Zo huist er sinds tien jaar het Romeinse museum voor hedendaagse kunst MACRO, waarvan de wisselende exposities zo'n beetje letterlijk tussen de vleeshaken hangen. Ook de rest van het complex is nog grotendeels in oude staat - maak dus vooral een wandeling over het terrein. In de wei waar eens het vee zijn beurt afwachtte, treft u nu de Città dell'altra economia, een organisatie van bewuste stedelingen met onder andere een biologische supermarkt, een dito restaurant, bar en moestuin. In de zomer zijn er ook marktjes en festivals.
 
museomacro.org
 
4. 1933 Shanghai, Shanghai
 
Dit kolossale art-decogebouw is vooral vanwege zijn bijzondere architectuur een bezoek waard. Het volledig in beton uitgevoerde slachthuis, gebouwd in 1933, bestaat uit een atrium op de begane grond - ooit de werkruimte van het slachthuis, met daarboven een bizarre constellatie van betonnen paden, wenteltrappen en luchtbruggetjes waarmee mens en dier zich door de vijf verdiepingen van boven naar beneden konden verplaatsen. Het slachthuis was tot 1958 in gebruik, waarna er onder andere diepvriesproducten en medicijnen werden gemaakt. In 2008 transformeerde een slimme zakenman het gebouw in een centrum voor 'cultuur en amusement', wat neerkomt op een verzameling restaurants en koffiebars, galeries en kleine boetiekjes. In de toekomst moeten er ook tentoonstellingen komen.
 
1933shanghai.com
 
5. Les Abattoirs, Toulouse
 
In 2000 opende Les Abattoirs, een museum voor moderne en hedendaagse kunst in de oude slachthuizen van Toulouse, aan de oever van de rivier Garonne. De neoklassieke architectuur van dit eind 19de-eeuwse complex loont op zich al de moeite, maar ook de collectie van een paar duizend, meest naoorlogse werken en de wisselende exposities in de kerkerachtige ruimtes mogen er zijn. Pièce de resistance is Picasso's 9 bij 12 meter grote toneelgordijn La Dépouille du Minotaure en costume de Harlequin, dat hij in 1936 schilderde voor het stuk Le 14 Juillet. Let wel op dat je in de goede tijd van het jaar komt, vanwege de slechte staat van het doek wordt het maar de helft van het jaar getoond.
 
lesabattoirs.org
 
6. Matadero, Madrid Eens sloeg Hemingway er oude vrouwen gaande, in de rij voor een shot vers varkensbloed. Nu kun je er kijken naar theatervoorstellingen, psychedelische kunstinstallaties of openluchtfilms. Of misschien heeft u meer zin in een concert, een leesclub of een workshop 'urban cycling'? Het kan allemaal in het oude slachthuis van Madrid, dat in 2006, twintig jaar nadat de laatste koe er het leven had gelaten, heropende als het nieuwe creatieve centrum voor jonge kunstenaars in Madrid. Met zeven verschillende culturele organisaties, van Teatro Español tot non-fictie bioscoop Cineteca is er voor elk wat wils.
 
mataderomadrid.org
Armeluiskeuken

30-11-2013, Het Parool

Vraag een willekeurige Romein naar Testaccio en zijn ogen zullen oplichten. Niet voor niets doorkruist menigeen op zaterdagmiddag de halve stad voor een broodje trippa alla Romana op de drukke Mercato di Testaccio of een copieuze lunch in één van de vele trattoria's in de oude volksbuurt, aan de voet van de Aventijn. "Qui si mangia bene," zal hij je toevertrouwen, 'hier eet je goed'.

Dat is geen toeval. Het was in deze voormalige slagersbuurt, gebouwd rond een enorm abattoir aan een oever van de Tiber, waar eind negentiende eeuw de Romeinse volkskeuken werd geboren. De arbeiders van het slachthuis kregen een deel van hun loon uitbetaald in het quinto quarto - letterlijk: het vijfde kwart, oftewel de delen van het dier die anders in de vuilnisbak zouden verdwijnen.

Niet wetende wat te doen met het slachtafval brachten ze het naar de trattoria's in de buurt, waar de koks het verwerkten in eenvoudige maar inventieve gerechten, de cucina povera (armeluiskeuken). 

Het slachthuis werd in de jaren zeventig gesloten, maar het slachtafval is nog overal in de buurt te vinden op menukaarten. De vele trattoria's, bescheiden eetlokalen die van generatie op generatie zijn overgegaan, serveren dezelfde 'armeluiskeuken' als honderd jaar geleden. Zoals Testaccio's allereerste trattoria, Checchino dal 1887, tegenover het abattoir, of het bijna even oude Perilli (Via Marmorata 39). 

Het populairst is de trippa alla romana, oftewel pens in tomatensaus met munt en kruidnagel, afgemaakt met de kaas pecorino. Maar ook coda alla vaccinara (ossenstaart) en pajata, dat gemaakt is van, houd u vast, de gekookte ingewanden van zuiglammetjes of kalfjes, zijn geliefde gerechten bij de Romeinen en een enkele avontuurlijke ingestelde toerist.

Gestoofde long

"Ecco la trippa," zegt kok Alessandro trots wanneer hij een bord pens in tomatensaus op tafel zet. Op zijn onderarm prijkt een getatoeëerde koeienkop. Deze chef is toegewijd, zoveel is duidelijk. We zijn in Agustarello, een eenvoudige trattoria (Via Giovanni Branca 98), waar Alessandro graag een paar van zijn specialiteiten laat proeven. Het is een familiebedrijf, net als veel andere zaken in de buurt. Alessandro bestiert de keuken, zijn gelijknamige zoon verzorgt de bediening. 

De pens ruikt en smaakt minder uitgesproken dan verwacht. "Daar zorgt de munt voor," zegt Alessandro, "dat maakt het gerecht lichter." De structuur van de repen koeienmaag is nergens mee te vergelijken - het geeft een beetje weerstand als je erin bijt, maar toch is het mals. 

Dan de pajata, de gekookte darmen van in dit geval een lammetje, gestoofd met tomaat. De kleine darmpjes zien er met een beetje goede wil uit als holle pasta, en het geheel geurt als een pasta bolognese. De smaak is mild, de substantie romig en zacht. "Dat komt doordat de maagbrij wordt meegekookt," verklapt de kok. Nou ja, het gaat om het resultaat. 

Alleen de coratella, een mengel van gestoofde long, hart en lever van een lam, kan ons niet bekoren. De aanblik van de grijzige brokjes vlees en de indringende geur en smaak - hier moet je van houden. 

Ook voor de orgaanvleesvrezende toerist of zelfs vegetariër is Testaccio een gastronomisch walhalla. Het hart van de buurt is de Mercato di Testaccio, een nogal onooglijke overdekte markt tegenover het oude slachthuis, waar behalve alle mogelijke soorten vleeswaren, ingewanden en organen ook kazen, groente, fruit en brood liggen uitgestald.

Kunst tussen de vleeshaken

Sluit je aan in de lange rij voor de kraam Mordi e Vai van de gepensioneerde slager Sergio Esposito, die het lumineuze idee had traditionele Romeinse gerechten in broodjes te stoppen. Zoals zijn signature dish alesso, gekookt rundvlees waarbij hij het broodje in hartige bouillon doopt alvorens het te vullen met warm vlees. Voor de vega is de artisjok met pecorino een aanrader. 

In de namiddag verzamelen de buurtbewoners zich op de Piazza di Santa Maria Liberatrice, waar de oudjes op bankjes gemoedelijk met elkaar keuvelen en jonge moeders zich hardop afvragen of ze zin hebben in een ijsje of een stuk pizza. Bij Remo op dat plein gaat naar verluidt de beste pizza van de stad over de toonbank. 

Wie nog een gaatje (of ruimte in de koffer) over heeft, of gewoon nieuwsgierig is naar de beste delicatessenzaak van Rome, wandelt naar Volpetti (Via Marmorata 47). Ook een familiebedrijf, gerund door de toegewijde broers Emilio en Claudio Volpetti. Je vindt er talloze Italiaanse kazen, van Romeinse pecorino tot verse buffelmozzarella uit Napels, hammen en worsten van blije varkens, wijnen, truffels en vijgen. De twee broers laten je het allemaal graag proeven. 

Om de hoek ligt Volpetti Piú, een klein eetlokaal waar je naast pizza (probeer vooral de 'witte' versie met courgettebloemen) ook pasta's, polpette en melanzane alla parmigiana kunt eten. En suppl�, gefrituurde ballen risotto, gevuld met mozzarella, nog zo'n Romeinse specialiteit. Maar gewoon een aperitivo van wat kazen en salumi met een goed glas wijn mag ook. 

Uitgegeten? In het voormalige slachthuis huist nu Macro, museum voor hedendaagse kunst. De gebouwen dateren van rond 1890 en verkeren grotendeels nog in oorspronkelijke staat. De kunst hangt letterlijk tussen de vleeshaken. Slenter over het enorme complex en vergaap je aan het ingenieuze transportsysteem waarmee bijna een eeuw de kadavers over het terrein werden vervoerd. 

Schrik niet als je een kudde hipsters tussen de voormalige stallen aantreft, al nippend aan flesjes Peroni. De wei waar vroeger de koeien hun slachting afwachtten is nu een ontmoetingsplek voor de nieuwe bewoners van de oude volkswijk - studenten, jonge gezinnen en artistieke types die het dure Trastevere aan de overkant van de Tiber zijn ontvlucht. 

Ze bliezen het verlaten slachthuis, ooit het economische centrum van de buurt, weer nieuw leven in met wat ze de Città dell'Altra Economia doopten. Het koeienveld doet nu dienst als moestuin, in de bijgebouwen vind je een biologische supermarkt en dito bar en een winkeltje met handgemaakte producten uit Testaccio. 

Van slachthuis naar biologische groentetuin, menig slager zou zich in zijn graf omdraaien. Toch blijft Testaccio onmiskenbaar een buurt van arbeiders en ambachtslieden. Italiaanse tradities laten zich niet snel uitroeien.

REISINFORMATIE

Vele wegen leiden naar Rome. KLM brengt je er dagelijks heen vanaf Schiphol, prijzen vanaf EUR 119 voor een retour. Ryanair doet hetzelfde voor EUR 69 euro, maar dan vanaf Eindhoven. 

Gemiddelde prijzen 

Koffie EUR 0,80 

Hoofdgerecht EUR 14 

Glas wijn EUR 2,50 

Een gastronomische rondleiding is een leuke manier om de buurt te ontdekken. Een vier uur durende wandeling van Eating Italy met twaalf proeverijen kost EUR65. 

www.eatingitalyfoodtours.com

 
Hip en jong in de cultuurfabriek

09-11-2013, Volkskrant

Het is een bijna surrealistisch tafereel. Op een koord, gespannen tussen de stallen van een vervallen slachthuizencomplex in een buitenwijk van Casablanca, balanceert een hip uitziende jongeman, onderwijl verwikkeld in een geanimeerd telefoongesprek. Zijn gespierde bast is ontbloot, het petje op zijn hoofd staat achterstevoren en zijn baardje is precies lang genoeg, net als de opgerolde pijpen van zijn spijkerbroek.

Dan valt het oog op de openstaande deuren van het naastgelegen, met graffiti en muurschilderingen versierde gebouw. LABO, staat in grote, vrolijke letters op de okergele art-decogevel. Uit het gebouw klinkt popmuziek. Hier gebeurt iets, zoveel is duidelijk. 

Binnen kijkt een groepje Marokkaanse twintigers naar een geïmproviseerd podium, waar een al even hippe jongeling achtereenvolgens als een ware balletdanser heen en weer springt, verleidt als een revuedanseres en charmeert als een jonge uitvoering van Charlie Chaplin. Hij besluit met een kleine buiging en werpt nonchalant een sigaret in zijn mond. Voorstelling over. 

We zijn in Les Abattoirs Anciens, de oude slachthuizen in de wijk Hay Mohammedi in Casablanca. Het is een in 1922 door de Fransen gebouwd 5 hectare groot complex met onder meer koelhuizen, een leerlooierij en administratieve gebouwen. Tien jaar geleden werden de slachthuizen verplaatst naar een modernere locatie elders in de metropool. 

In 2008 sloegen culturele stichtingen, kunstenaars en de gemeente Casablanca de handen ineen om het leegstaande monumentale complex te transformeren tot een 'cultuurfabriek' voor jonge Marokkanen. De gemeente Amsterdam, die eerder het Westergasfabriekterrein een dergelijke herbestemming had gegeven, bood een helpende hand bij het maken van de plannen. 

La Fabrique Culturelle, zoals het cultuurcomplex werd gedoopt, wordt beheerd door zeventien culturele stichtingen, variërend van een skaterscollectief tot jazzmuzikanten, filmfanaten, kunstenaars en hiphoppers. De vele gebouwen van het uitgestrekte complex doen dienst als ruimtes voor exposities, filmvertoningen, muziekrepetities en theater, en op de grote binnenplaatsen vinden festivals plaats. 

Daarmee is La Fabrique de grootste onafhankelijke cultuurruimte van Casablanca, of misschien wel van heel Marokko. En, aangezien alle activiteiten gratis zijn, ook de meest toegankelijke voor de doorgaans niet zo kapitaalkrachtige jonge Marokkaan. 'Er bestaan in Casablanca geen plekken als deze', zegt kunststudente Chaimaâ (21). 'Hier hebben we de ruimte om te maken wat we mooi vinden in het leven', vult Abdelilah (27) haar aan. 'Om het verschil te maken.' 

De twee zijn lid van Colokolo, een collectief voor circusartiesten en straatkunstenaars. In hun 500 vierkante meter grote 'Labo' organiseren ze onder andere circuslessen voor kinderen, artist-in-residence-plekken voor circusstudenten en kunstenaars uit andere steden, en voorstellingen. 

Er is één probleem: dezelfde gemeente die aanvankelijk enthousiast was over de herbestemming tot cultuurterrein, weigert nu deze herbestemming te formaliseren. Gevreesd wordt dat ze het complex, gelegen vlak bij het belangrijkste treinstation van Casablanca, alsnog aan een commerciële ontwikkelaar wil verkopen. 

Is dat omdat sommige activiteiten, van rap- en breakdance-battles tot zelfs een hackersworkshop van een collectief voor een 'open Marokkaanse cultuur', toch niet zo heel goed in het cultuurplaatje van de overheid passen? 'De gemeente heeft geen controle op wat we doen, dat zit ze dwars', zegt Chaimaâ. 'Maar wij gaan door, we laten ons deze plek niet meer afpakken.'

La Fabrique Culturelle

Avenue Jaafar Barmaki, Quartier Hay Mohammedi, Casablanca. 

abattoirs-casablanca.org 

METAMORFOSE

Volgende maand verschijnt een boek over de geschiedenis van het slachthuizencomplex - van de bouw in 1922 door twee Franse architecten tot de sluiting begin deze eeuw en de daaropvolgende metamorfose tot cultuurterrein. Het boek werd gefinancierd door de gemeenten Casablanca en Amsterdam; een student van de Rietveld Academie verzorgde het ontwerp. Voor wie het Arabisch niet machtig is, het is ook in het Frans en Engels verkrijgbaar.

Foto: Federico Cabrera

 
Dansen en drinken op troosteloze plekken

19-10-2013, De Volkskrant

'Anker't?' De Hongaarse student onderbreekt zijn vertolking van Madonna's Vogue om de verdwaalde verslaggever de weg te wijzen. 'Daar moet je zijn', wijst hij, biertje in de hand, naar een vervallen gebouw 10 meter verderop in de donkere straat. 'Veel plezier!'

Op de aangewezen plek staat een groepje mensen voor wat ooit een deuropening moet zijn geweest. Een bouwlamp werpt een ongenadig blauwig licht op het sinistere gebouw, dat er met zijn afbrokkelende gevel en dichtgetimmerde ramen uitziet alsof het elk moment naar beneden kan komen. 

Maar aan de andere kant van deze weinig uitnodigende entree wacht de weifelende bezoeker een enorm openluchtcafé waar honderden mensen drinken, dansen, praten en flirten. In de naastgelegen, werfkelderachtige ruimte zet een dj zijn publiek aan tot lome dansbewegingen, in een andere hangen Hongaarse studenten op banken van sloophout. 

De inrichting van deze zogeheten ruin pub is simpel: twee bars voorzien van een golfplaten afdakje en een verzameling meubilair bestaande uit lange tafels en klapstoelen. Een koord met witte lampions gespannen over de binnenplaats vormt een contrast met de gapende gaten op de bovenste verdiepingen die het gevoel geven dat je op een verboden plek bent aanbeland. 

De ruin pubs, oftewel openluchtcafés, op de binnenplaatsen (of zelfs daken) van leegstaande gebouwen, zijn de afgelopen jaren sterk in opkomst in de oude stadswijken van Boedapest. De meeste van deze romkocsma zijn net als Anker't te vinden in de oude Joodse buurt in het zevende district, waar begin deze eeuw ongeveer 80 procent van de verpauperde wijk leegstond. 

Projectontwikkelaars waren reeds begonnen de vervallen, veelal monumentale appartementencomplexen plat te gooien om plaats te maken voor nieuwbouw. Helaas voor hen dwarsboomde de gemeente hun plannen: die besloot om de sloop van de oude gebouwen te verbieden. Hierdoor bleven vele op instorten staande panden in de stad overeind staan. 

Jonge creatieve ondernemers speelden hierop in door de troosteloze plekken om te toveren tot bloeiende cafétuinen. Antikraak of tegen betaling van een beetje huur aan de eigenaar die wachtte op betere tijden. 

De ingrediënten? Wel, men neme een leegstaand gebouw of een braakliggend stuk grond in de stad en plaatst daar een verzameling van de straat geplukt meubilair, een paar biertappen en niet te vergeten wat vintage-attributen als antieke apparaten en racefietsjes tegen de muur voor het nodige hipsterdecorum. 

Toch is geen ruïnecafé hetzelfde. Naar de één ga je om een biertje te drinken en rustig te praten, onderuitgezakt op een versleten bank, bij de ander dans je tot de zon opkomt boven je door de Hongaarse brandewijn Pálinka benevelde hoofd. Sommige cafés organiseren ook exposities, filmavonden, biologische markten en fietsverkopen. Je kunt er zelfs overnachten, voor wie niet al te veel hecht aan nachtrust. 

De eerste was Szimpla, met de opening van een cafétuin in een verlaten appartementencomplex aan de Kazinczystraat, midden in de Joodse buurt. De ongedwongen, tikkeltje anarchistische sfeer in het openluchtcafé bleek grote aantrekkingskracht te hebben op de Hongaarse jongeren. 

Al snel volgden andere ondernemers het voorbeeld van Szimpla, waarmee het gebied rond Kazinczy in tien jaar tijd de drukst bezochte uitgaanswijk van Boedapest is geworden. Szimpla zelf is nog altijd onverminderd populair en heeft als 'moeder der ruïnecafés' een ware cultstatus verworven. 

Wat maakt het feesten in de vergankelijkheid zo populair? 'Ruïnebars zijn als een groot festival', zegt barvrouw Anna van Fogashaz, een cafétuin in een oude tandartspraktijk even verderop in de Joodse buurt. 'Het is eclectisch, alles is mogelijk.' Haar collega Csaba valt haar bij. 'Gewone cafés zijn nice and clean, net als de mensen die er komen. Hier is geen dresscode, iedereen is welkom.'

AFBRAAKBARS IN BOEDAPEST

Waar te gaan? De meeste ruïnebars in de Hongaarse hoofdstad huizen in het zesde en zevende district, allemaal op loopafstand van elkaar. Reizen zocht er zes voor u uit.

Szimpla Kert

Szimpla betekent 'simpel'. Nogal een understatement. Een nacht in Szimpla is als een psychedelische trip op een vlooienmarkt, waar je bier drinkt in een badkuip, oude Trabant of tandartsstoel, al lurkend aan een waterpijp onder een plafond volgehangen met duizend-en-een lampenkappen en elektronische apparaten waarvan niemand meer weet waarvoor ze ooit waren bedoeld. Drink een biertje, cocktail of Hongaarse wijn in de tuin of dwaal door het gebouw voor een klein concert van een lokale band of dj begint. Probeer u niet te storen aan de massa's andere toeristen, want off the beaten path is Szimpla helaas allang niet meer. 

Kazinczy utca 14

Élesztö

Wie liever tussen de Hongaren bier drinkt, spoedt zich naar Élesztö in het negende district. Een kroeg zoals het ooit bedoeld was, zeggen de kenners. Het een paar maanden geleden geopende café is gevestigd in een oude fabriek, in een buurt die nog niet zo heel erg in opkomst is. 

Ga zitten op een van de doorgezakte sofa's op het platform waar eens vrachtwagens werden ingeladen, bestel een Távoli Galaxis, Bors Anonymous of een van de zeventien (!) andere speciaalbieren, afkomstig van lokale brouwerijen, en praat, tot diep in de nacht. Want daar gaat het om. 

Tüzoltó utca 22

Corvintetö

Geen bar maar een club, en dit keer niet op de binnenplaats, maar op het dak van een oude socialistische supermarkt, op de grens van het zevende en achtste district: Corvintetö is niet echt een ruïnecafé, maar voor clubliefhebbers zeker de moeite waard. Bestel een biertje, laat je door de oude lift omhoog voeren en dans tot je de zon ziet opkomen boven de daken van Boedapest. 

Blaha Lujza ter 1-2

Fogashaz

'Huis met tanden', betekent Fogashaz, in het hart van de oude Joodse buurt. Eens zat hier een tandartspraktijk, nu grijnzen van alle hoeken en gaten enorme opengesperde gebitten de argeloze feestganger toe. 

Fogas is behalve openluchtcafé en club ook een zelfbenoemd cultuurcentrum met exposities, films en concerten. Maar ook als je een fiets wil huren, een waterpijp wilt roken en/of verlegen zit om een hostelbed kun je hier terecht. Probeer vooral de Pálinka volgens het 'geheime' recept van barvrouw Anna, met chilipeper, limoen en honing. Geneest alles. 

Akácfa utca 49-51

Anker't

Anker't is te vinden op de Paulay Ede utca 33. Alleen open in de zomer. De rest van het jaar kun je naar Anker Klub, het indoorzusje van de club aan de Anker köz 1-3.

PáLINKA

'Alles waarvan jam kan worden gekookt, daar kun je ook pálinka van maken', luidt een Hongaars gezegde. De vruchtenbrandewijn is zo'n beetje hét nationale product in Hongarije, na goulash dan. De Hongaar drinkt het als aperitief, naast zijn bier, als digestief, of zelfs als krachtig begin van de dag. De ruïnebars schenken vele variëteiten. Van de gangbare abrikoos, peer en pruim tot kweepeer (aanrader!) en pompoen. Probeer ze allemaal, maar niet tegelijk. Egészségedre!

De zeebonken zijn gebleven

31-08-2013, Volkskrant

Een dorpsstraatje uit de jaren vijftig, daar lijkt de Via Cavana in het oude centrum van Triëst nog het meest op. Zo een waar de salumeria en de farmacia zijn aangeduid met van die aandoenlijke groene gevelletters en de groenteman zijn wilde perziken en courgettebloemen heeft uitgestald op rood-witgeblokte tafelkleden.

Aan het eind van de middag vult het verkeersvrije straatje zich met een stoet Italianen voor de dagelijkse passeggiata. Bij ijs- en chocoladewinkel Chocolat is het een komen en gaan van buurtbewoners die de Corriere della Sera lezen aan de grote houten tafel buiten op straat, af en toe opkijkend om iemand te groeten of een praatje te maken. 

Wie toe is aan een borrel, bestelt een drankje bij het café op de hoek, bijvoorbeeld zo'n feloranje Aperol-spritzer, waarbij je met een beetje geluk ook een aperitiefhapje krijgt. Het café ligt tegenover een klein park, waar de plaatselijke oudjes hun dagen slijten op een bankje en ouders spelen met hun kinderen. 

Het ging er weleens minder lieflijk aan toe hier in Città Vecchia, het oude stadscentrum van Triëst, in het noordoosten van Italië. De wijk lag pal naast de haven van de stad, die tot een eeuw geleden nog deel uitmaakte van Oostenrijk-Hongarije, en was daarmee een verzamelplaats voor zeelui, handelaars en schurken uit alle windstreken. 

De dichtbevolkte stadswijk was berucht om zijn tientallen bordelen en talloze goedkope cafés, trattoria en drinklokalen waar rond de klok zeemannen en andere dronkenlappen hun dagelijkse shot absint haalden. 

Ook allerhande illuster schrijversvolk, van James Joyce tot Italo Svevo, voelde zich aangetrokken tot de schimmigheid van Città Vecchia, waar de steegjes zo smal zijn dat je slechts door je hoofd in de nek te leggen een glimp daglicht kan opvangen. Naar verluidt was Joyce een veel geziene gast in het bordeel aan de Via Pescheria, midden in het oude Joodse getto. 

Maar met de inlijving van Triëst bij fascistisch Italië kwam ook de sloopkogel die een deel van de wijk met de grond gelijkmaakte, om plaats te maken voor een paar moderne, zielloze gebouwen waar ambtenaren nu hun dagen slijten. De rest van de eens zo roemruchte volksbuurt raakte in verval tot alleen de lichtekooien van weleer waren overgebleven. 

Hoe het hier tien jaar geleden was? De barman met de onheilspellende naam Fausto begint te lachen. 'Brutto, brutto', zegt bij. Slecht, dus. Alleen eenzame zeelui waagden zich nog in de smalle en donkere straatjes van Città Vecchia, op weg naar een dame van plezier in een casa de toleranza. Dat is een mooi Italiaans woord voor bordeel. 

Toch besloot Fausto hier zijn bar Knulp te openen - midden in Cavana, het meest verloederde deel van het oude centrum. Het stadsbestuur had besloten tot een grootscheepse opknapbeurt van Città Vecchia, dat vanaf de waterkant omhoogklimt naar het kasteel San Giusto. 

Het verjoeg de hoeren uit hun huizen van tolerantie en gaf de vervallen en dichtgemetselde huizen en palazzi een grondige opknapbeurt. Daarbij werden de smalle en soms steile straatjes verkeersvrij gemaakt. 

Het resultaat? Wel, de hoeren en zeelui zijn er nog steeds, zij het respectievelijk tippelend op een verlaten straathoek en weemoedig zwijgend met een biertje aan de bar van Fausto in Knulp, omringd door blokkende studenten en buurtbewoners. 

In de schimmige straatjes van voorheen staan de luiken van de geel, blauw en roze geschilderde huizen weer open en ruikt het naar drogend wasgoed. Waar eens de bordelen zaten, struikel je nu over restaurantjes, koffietentjes, gelateria, galeries en de onvermijdelijke vintagewinkels. En musea, zoals die gewijd aan de schrijvers Svevo en Joyce. 

Toch gaat de wijk niet aan hipheid ten onder, zoals maar al te vaak het lot is van de volksbuurt-in-verval na een rondje stadsvernieuwing. Wellicht komt dat doordat de wijk nog steeds deels in puin ligt - vooral op de heuvel San Giusto kom je menig dichtgemetseld palazzo tegen. 

Daarbij zijn de Triestini gewoon niet zo dol op verandering. 'Wij houden de dingen het liefst zoals ze zijn', verzucht de 60-jarige zeebonk Giorgio Gherlani aan de bar van Fausto. 

Dat blijkt. Zo eten de stadsbewoners al sinds de Habsburgse tijd bij voorkeur staand aan de bar van een zogeheten buffet. De populairste is Da Pepi (sinds 1897), om de hoek van Piazza Borsa. Om binnen te komen, worstel je je door een haag mannen met kroezen bier, waarna je terecht komt in een onooglijk eetlokaal dat nog het meeste wegheeft van een Oostenrijkse Stübe, compleet met lambrisering van houten planken, dito krukjes en een bar versierd met bierpullen van aardewerk. 

Achter die bar snijdt een blozende kastelein plakken vlees van een homp varkensgebraad, dat je eet met mosterd of mierikswortel en een bel doordrinkwijn à 1 euro, getapt uit een houten vaatje achter de bar. Net als in 1897, eigenlijk.

OVER HET PAD DAT NAPOLEON LIET UITHAKKEN

Neem ook een dag om de stad uit te gaan, want zowel bergen als zee zijn om de hoek. 

Triëst ligt ingeklemd tussen de Adriatische Zee en het Karstgebergte, het met dennenbossen, wijnranken en appelbomen overgroeide kalksteenplateau, dat zich uitstrekt tot in Slovenië en Kroatië. 

Het plateau staat bekend om zijn vele onderaardse riviertjes, gangen en grotten - waaronder de allergrootste voor toeristen toegankelijke grot ter wereld, met de toepasselijke naam Grotta Gigante. 

In de overwegend Sloveense dorpjes verspreid over het kalkplateau vind je vele agriturismi en osmize, de tijdelijke drinklokalen waar de boeren hun wijnoogst en zelfgemaakte hammen aan de man brengen. 

Op 20 kilometer van Triëst ligt het natuurgebied Val Rosandra, een beboste vallei omgeven door steile rotswanden. Neem een duik in een van de kleine meertjes of vergaap je aan een 30 meter hoge waterval. 

Je kunt daar naartoe fietsen over de pista ciclabile, een voormalige spoorweg tussen Triëst en Slovenië. Wandelen kan ook, bijvoorbeeld over het pad dat Napoleon liet uithakken in de steile kliffen langs de zee. Kijk zo ver als je kan over de Golf van Triëst - met helder weer reikt dat uitzicht tot in Kroatië. 

Naar een zandstrand is het door het rotsachtige landschap lang zoeken in Triëst, maar vanaf de rotsen duik je doorgaans zo de kalme zee in. De Triestini doen dat het liefst in Barcola, ongeveer 10 minuten rijden van het centrum van de stad.

JAMES JOYCE

Altijd al willen weten waar James Joyce een eeuw geleden zijn ontbijt haalde, in welke koffiehuizen hij graag rondhing en hoe zijn favoriete bordeel heette? Een route uitgezet door de universiteit van Triëst voert je langs een veertigtal plekken waar de Ierse schrijver tijdens zijn elf jaar lange verblijf in de stad te vinden was. Ook leuk voor wie het nooit verder schopte dan de openingszin van Ulysses, overigens, want de tocht is tegelijkertijd een ode aan de Oostenrijks-Hongaarse hoogtijdagen van Triëst. Bij de VVV op het Piazza dell'Unità d'Italia vind je het bijbehorende boekje met route en toelichtingen.

Geheimtip: Triƫst

08-06-2013, De Volkskrant

Huisgemaakte wijnen en hammen, op het erf van de boer. Bij de osmize in de provincie Triëst vind je la dolce vita zoals Bacchus het bedoeld heeft. 

'Beter een liter vandaag dan morgen een glas', zo luidt de tegelwijsheid die de Triestini aanmoedigt zich de nieuwe wijnoogst goed te doen smaken.

Het is zaterdagmiddag en we zijn in de zogenoemde osmiza van de boerenfamilie Fabec in Malchina, een dorp in de provincie Triëst. 

Om ons heen heerst een liederlijke vrolijkheid van groepen mensen die, gezeten aan lange picknicktafels, zich laven aan grote karaffen wijn en planken vol plakken rauwe en gerookte prosciutto, salami en brokken kaas besprenkeld met olijfolie en venkelzaad. 

'Andar per osmiza' is voor de Triestini hetzelfde als voor ons een middag in het café. Al sinds de tijd dat deze regio nog onderdeel was van het Habsburgse Rijk openen boeren hier om de zoveel tijd een osmiza, een soort pop-up drinklokaal waar ze een paar weken lang hun huisgemaakte vleeswaren, kazen en wijnen verkopen. 

En zo is er in elk dorp in de omgeving van Triëst, of beter gezegd in Karst, het kalkplateau dat zich uitstrekt op de landtong tussen de zee en Slovenië, wel een osmiza te vinden. Rij een willekeurig dorp binnen en speur naar een samengebonden takkenbos aan de rand van de weg, de traditionele wegwijzer voor een osmiza. 

'Vroeger waren de osmize vooral iets voor de arme boeren', aldus Tomaz Fabec (38), de jongste telg van de familie. In de meeste gevallen deed een lege stal dienst als drinklokaal, waar de dorpelingen al borrelend de dag doorbrachten. Geen wonder. Met nog geen 5 euro voor een liter vino di terreno is het goed toeven in de osmiza. 

Tegenwoordig weten ook de stedelingen uit nabijgelegen Triëst en een enkele toerist de osmize te vinden. De stallen van weleer zijn vervangen door lokalen met geïmproviseerde bar en tafels met geblokte of gebloemde tafelkleden, die in geval van zon verplaatst worden naar de tuin. 

Oorspronkelijk mocht een osmiza slechts acht dagen open zijn - osem betekent acht in het Sloveens. Nu heeft iedere gemeente zijn eigen regels - zo is in Malchina de openingstijd afhankelijk van het aantal varkens en liters geproduceerde wijn. 

Nog een wet in Malchina: het is streng verboden om iets van buiten de regio te verkopen. 'Er zijn osmize die dolci met nutella verkopen', zegt Tomaz misprijzend. Daar beginnen de Fabecs niet aan. Hier vind je strudel met appels uit eigen boomgaard en crêpes gevuld met de mermelata van oma Fabec. Zoals het hoort. 

Op osmize.com vind je de die dag geopende osmize. Even bellen om te reserveren is een goed idee.

 
Mexicaanse trip

09-03-2013, Volkskrant

Relajaaaaaar. Just relax to the max. Ommmm... De oude hippie prikt in mijn schouders, trekt aan wat vingers, en bewerkt mijn rug met zijn ellebogen. 'Ontspan!' Maar dat is makkelijker gezegd dan gedaan, midden op een Mexicaans dorpsplein op zondagmiddag. Ik sta blootsvoets op een rieten matje, onder een boom. Om me heen worden maiskolven geroosterd en taco's gebakken. Als ik mijn ogen even opendoe kijkt een stel dorpelingen me glimlachend aan. Van een verstokte hippie die een argeloze toerist een stoomcursus ontspannen geeft, kijken zij allang niet meer op.

Charly slaat zijn armen om me heen en neemt me in een soort heimlichgreep. Met nog steeds gesloten ogen laat ik me in zijn armen vallen. Een snelle beweging omhoog, krak! Dat was mijn rug. Au. Maar het lucht wel op. Dan moet ik 5 minuten op de grond gaan liggen, om mijn lichaam 'weer op te laden'. Prompt gaat mijn relaxmeester ervandoor, even een taartje halen. 

Charly 'Sanate' is de plaatselijke cosmic mecanic van het Mexicaanse bergdorpje Tepoztlán. Wie niet beter weet zou hem voor de dorpsgek verslijten. Op zijn door de zon verweerde hoofd prijkt een zilveren cowboyhoed voorzien van adelaarsveren, met daaronder zijn lange grijze haar, samengebonden in een staart. Aan zijn lijf een gevlekt T-shirt met de tekst haz paz (maak vrede), aan zijn arm bungelt een trompet. Schoenen ontbreken. 

Maar zijn staalblauwe ogen kijken je helder aan, en in Spaans met nog maar een licht Amerikaans accent vertelt hij over zijn missie in het leven. Charly leert mensen ontspannen, in slechts 5 minuten. Hoewel opgeleid tot masseur en acupuncturist, noemt hij zichzelf liever 'reparateur van de kosmos'. Daarvoor is Tepoztlán een uitgelezen plek, aldus de grijsaard. 36 jaar geleden verliet hij zijn geboortegrond in New Mexico om zich hier te vestigen. Want in Tepoz is 'magische energie', zegt hij, wijzend naar de grond. 'Voel je het al?' 

Tepoztlán is een sprookje, aldus Charly. Dat is misschien wel de juiste omschrijving: de meeste reisgidsen noemen het dorpje 'idyllisch' of 'schilderachtig'. Het bergdorp, door de dorpelingen liefkozend Tepoz genoemd, is als het ideale decor voor een film van Sergio Leone. 

Een rotswand torent vervaarlijk boven het dorp uit, de imposante bergtoppen steken triomfantelijk de felblauwe lucht in. De steile straatjes zijn stoffig en hobbelig, de huisjes zijn okergeel en roze-rood geschilderd. De mensen zijn al net zo kleurrijk - van inheemse boeren tot een kolonie verstokte hippies. Je wordt er wakker van kraaiende hanen, er hangt altijd de geur van versgebakken tortilla's in de lucht, en op straat kom je af en toe een nu eens niet voor toeristen bedoeld paard tegen. 

Naar verluidt is het magnetisch veld hier uitzonderlijk sterk en dat werkt, nou ja, als een magneet op allerlei spirituele en artistieke figuren die van over de hele wereld naar het Mexicaanse bergdorpje zijn getrokken. Je herkent ze aan hun blote voeten. Schoeisel zou al die magnetische energie maar tegenhouden, is de gedachte. 

Voor de indiaanse bevolking van Tepoz is de grond van het omringende Tepoztecogebergte al even heilig. Boven op de berg staan de resten van een oude Azteekse tempel. Deze piramide is gewijd aan Tepoztecatl, de god van de pulque. Dit is de traditionele Aztekendrank, gebrouwen van het gefermenteerde sap van de maguey-cactus. Deze heilige, alcoholische drank is alom verkrijgbaar in een van de pulquerías beneden in het dorp. 

Volgens de inheemse dorpsbewoners waart Tepoztecatl vandaag de dag nog altijd rond op deze berg en beschermt hij hen tegen kwade invloeden van buitenaf. Onder anderen ook tegen bemoeizieke politici en projectontwikkelaars, die van Tepoz een luxe resort pogen te maken, wat de opstandige dorpelingen tot nog toe hebben weten te verhinderen. Of tegen drugsgeweld, dat hier volkomen afwezig is. Maar de god is ook een grillige. Wanneer een stevige wind het stof doet opdwarrelen, verzuchten de dorpsbewoners: El Tepozteco está enojado- kwaad, dus 

In het weekend wordt het dorp overspoeld met dagjesmensen en rijke Mexicanen uit het nabijgelegen Mexico-Stad. Zij komen even de rust opzoeken in hun vakantievilla's aan de rand van het dorp. Lurkend aan micheladas, oftewel grote bekers bier met veel limoen en een dikke laag chilipoeder op de rand, lopen ze langs de marktkraampjes in de straatjes rond de kerk. De marktwaar varieert van het gebruikelijke aanbod taco's, tamales en quesadilla's tot allerhande esoterische snuisterijen als auraspray en magnetische stenen, holistische massages en andere alternatieve therapieën. 

Geomancia - la magia de la tierra, staat er op een uithangbord langs de drukke weg omhoog naar de piramide. Eronder zit een oude man. Met een stokje tekent hij cryptische figuren in de bak zand naast hem. Iets met 'de toekomst voorspellen', al wordt me niet helemaal duidelijk hoe het in zijn werk gaat. Wellicht is dat de Hollandse nuchterheid. 'Tepoztlán is een magische plek', aldus Mic Zacbé, die drie jaar geleden het leven in de hoofdstad verruilde voor dat in het bergdorp. 'Schrijvers schrijven hier hun beste boeken, kunstenaars maken hier hun mooiste werk. De energie verandert je ziel, geest en lichaam. Ook die van jou. Let maar op, je voelt het nu al.' 

De straatverkopers Alejandro en Hector, even verderop in de straat, vinden het spirituele gebeuren eigenlijk maar onzin. 'Veel mensen geloven erin', zegt Alejandro. 'Ik ken zelfs mensen die zeggen ufo's te hebben gezien.' Hij haalt zijn schouders op. 'Iedereen moet maar geloven wat hij wil. Ik vind Tepoz vooral een hele mooie en fijne plek om te wonen.' Hij pakt zijn gitaar, en begint te zingen, samen met Hector: All you need is love. 

Ondertussen spelen, in dorpscafé Buenos Tiempos, tegenover de kerk, twee Mexicanen een potje schaak; een Franse import-hippie checkt zijn mail. Af en toe loopt een straatverkoper binnen met een mand zoete broodjes, chocola of verse kruiden. Dan betreedt een groepje meisjes de zaak. Met hun donkere ogen en mystieke entourage zien ze eruit alsof ze zo uit de opera Carmen zijn weggelopen. Ze voegen zich bij de Fransoos en beginnen een gesprek in een mengelmoes van Frans, Engels en Spaans. Deze jongere immigranten van Tepoz wonen veelal in communes, in colonias net buiten het dorp, waar ze bijvoorbeeld veganistisch brood bakken of sieraden maken om in het dorp te verkopen. 

Een Mexicaanse dorpsbewoner leest de hand van een Zwitserse toerist. 'De handen zeggen veel over een persoon', zegt hij diepzinnig. Op het tafeltje staat een groene plastic zak vol met kippen. Het gezin luistert geboeid naar zijn verhalen, die doorspekt zijn met, alweer, de woorden geest en ziel. Dan staat hij abrupt op en verontschuldigt zich. 'Ik moet weer terug naar mijn winkel. Tot morgen!'

EETCULTUUR EN UITZICHT

De Tepoztekers zijn een traditioneel volk, ook bij het eten en drinken. De tortilla's worden hier op ambachtelijke wijze gebakken van zelf verbouwde maïs, de koffie bij Café Tepozteco komt van de eigen plantage, en zo verder. Ga ook vooral een pulque drinken bij een van de pulquerías. Behalve naturel zijn ze ook gegist met fruit of noten verkrijgbaar. De pulquerías zijn een belevenis op zichzelf. 

Wie graag weet wat hij eet en drinkt, boekt een TepozTaste tour bij de Nederlandse Anneke Kooijmans. In drie uur tijd leer je de Mexicaanse eetcultuur grondig kennen door een bezoek aan alle lekkere plekken van Tepoztlán. Ondertussen vertelt Kooijmans hoe tortilla's gemaakt worden, waarom tamales in een maïsblad gewikkeld worden en dat burrito's een Amerikaanse uitvinding zijn. Ook een bezoek aan de pulquería en mescalería staan op het programma. 

tepoztaste.com 

Tepoztlán is ongeveer een uur rijden van het zuiden van Mexico-Stad, in de deelstaat Morelos. Slapen doe je in een van de vele eenvoudige hospedajes in het dorp, of in een wat luxere posada of hotel net erbuiten. Zoals in Hotel Buena Vibra, waar je in de prachtige hoteltuin met uitzicht op de bergwand de dag kunt beginnen met een decadent ontbijt. Ook een 'holistische retreat' in de spa behoort tot de mogelijkheden. 

hotelbuenavibra.com 

De klim naar de piramide is een behoorlijke, maar het uitzicht op de vallei is zeer de moeite waard. In het weekend is het dringen op de smalle stenen trappen. Beter kun je een gids zoeken die je via de andere kant van de berg omhoog leidt.

VOORPROEFJE

Voor een preview van Tepoztlán kunt U naar de bioscoop, waar Post tenebras lux ('Na het donker komt licht') draait. De film van de Mexicaanse regisseur Carlos Reygadas speelt zich af in Tepoztlán, waar hij vijf jaar geleden een huis bouwde. Post tenebras lux portretteert een jong gezin na hun verhuizing van de hoofdstad naar het platteland, en is deels autobiografisch. Zo zien we onder andere het huis van Reygadas, waar hoofdpersonage Juan woont in de film. Reygadas' twee kinderen Rut en Eleazar spelen zichzelf, net als zijn honden.