Ynske schrijft

Ynske Boersma +31645192530

blancodesign
Aan de rand van de afgrond

september 2016, Columbus Magazine

‘Kijk, die lijkt nog het meest op een fallus!’ zegt onze gids Chunel enthousiast. Hij wijst naar een metershoge rots even verderop in de vallei, een door zon en wind uitgesleten maanlandschap vol metershoge rotsformaties die recht omhoog de lucht insteken. En wel, de gelijkenis met het mannelijk geslachtsdeel is inderdaad treffend. Niet voor niets doopten de Rarámuri, de inheemse bewoners van dit gebied, dit de Vallei van de Penissen. Een practical joke van de goden, aldus Chunel, zelf ook geboren en getogen in een Rarámuri-gemeenschap. ‘Volgens de legende van de Rarámuri is de wereld gemaakt door onze padre Onorúame en zijn oudere broer. Tijdens het werk hielden ze af en toe even stil om uit te rusten, waarbij ze een spel speelden met de nog vloeibare steenmassa, en deze rotsen boetseerden.’

Ook op andere plekken in de canyon zien we de resultaten van dit goddelijk speelkwartier. Van rotsformaties in de vorm van reusachtige paddenstoelen in de Valle de los Hongos, tot tientallen uit de kluiten gewassen kikkers in de Valle de las Ranas. En ook in het Rarámuri-dorpje San Luis de Majimáchi, waar we ons kamp opslaan voor de nacht, vinden we de meest vreemdsoortige rotsen, die provocatief balancerend op hun punt al tientallen miljoenen jaren de wetten van de zwaartekracht lijken te negeren.

We zijn in de Koperkloof, met zeven met elkaar verbonden canyons het grootste canyonsysteem ter wereld in het noordwesten van Mexico, in de staat Chihuahua. Om een idee te geven: In oppervlakte is de Koperkloof vier keer zo groot en bijna twee keer zo diep als de veel bekendere Grand Canyon in Arizona. Dat is even spectaculair als het klinkt. Op de bergplateaus diep in de canyon kijk je uit over eindeloze bergketens die hoe verder naar de horizon blauw en grijs van kleur verschieten, met haast verticale mosgroene en roestbruine bergwanden bijna tweeduizend meter de diepte in. Verstopt tussen de dennenbossen stuit je op kleine Rarámuri-gemeenschappen, meestal niet meer dan een vijftal families wonend in eenvoudige huizen van hout, levend van de opbrengst van de grond en hun dieren.

Nog voor zonsopgang stapten we op de Tren de Chihuahua al Pacifico, bijgenaamd El Chepe, de treinreis dwars door de Koperkloof die van provinciehoofdstad Chihuahua naar het 700 kilometer verderop gelegen Los Mochis leidt, aan de westkust in de provincie Sinaloa. De trein werd eind 20ste eeuw aangelegd om het Amerikaanse midwesten met de mineraalrijke canyons te verbinden. Het duurde maar liefst 90 jaar voordat het traject met 89 tunnels, 39 bruggen, enkele viaducten en talloze bochten die zich om de bergen heen slingeren voltooid zou worden, een bouwkundige nachtmerrie die het land bijkans bankroet achterliet. Vandaag de dag zijn het vooral toeristen die de reis maken, die bekend staat als één van de mooiste treinreizen ter wereld.

Wanneer we tegen twaalven met veel getoeter en al dikke zwarte rookwolken uitspuwend Creel binnenrijden, schudt het dorp wakker. Indigenavrouwen gekleed in felgekleurde rokken en omslagdoeken verzamelen zich op het perron, hun armen vol handgeweven manden en wollen sjaals hoopvol omhooghoudend naar de toeristen. Het dorp zelf is niet meer dan een paar stoffige straten langs het spoor, een kerkje en een dorpsplein, omgeven door hoge rotswanden. Je zou er zo voorbijrijden, ware het niet dat het dorp pal tussen de verschillende canyons ligt, waardoor het een goede stop is om verder de canyon in te trekken, zoals ook wij van plan zijn.

Even later ontmoeten we Chunel Palma en zijn vrouw Daniela Ramirez, onze gidsen voor de trip naar de canyon. De twee zijn de drijvende krachten achter Eco-Alternative, een kleinschalige community-based reisorganisatie in Creel. Hun voornaamste doel is toeristen een inkijk te geven in het leven van de Rarámuri, met naar schatting rond 90000 de grootste inheemse bevolkingsgroep van de siërra’s in Chihuahua. Daarbij zijn de Rarámuri één van de laatste volkeren in Noord-Amerika die hun tradities hebben weten te behouden, dankzij hun afgezonderde leven in kleine dorpen in de bergen van de Koperkloof, met een sociale organisatie gebaseerd op zelfbestuur en vele rituelen om hun cultuur door te geven aan de volgende generaties.

De meeste toeristen in de Koperkloof krijgen maar weinig van die cultuur mee. Het contact met de lokale bevolking blijft bij het aanschaffen van een rieten mandje, het traditionele handwerk van de Rarámuri-vrouwen dat ze sinds de komst van de toeristen in groten getale aan de man pogen te brengen. Inheemse gidsen als Chunel, zelf een Rarámuri, om de toeristen rond te leiden zijn zeldzaam. Hoewel verschillende organisaties trekkings organiseren binnen de canyon, zijn er maar weinigen die een verblijf binnen een Rarámuri-dorp aanbieden, en daarmee de kans om echt contact te maken met de lokale bevolking. ‘Toeristen komen hier voor het mooie landschap, maar vergeten zich vaak af te vragen wie de mensen zijn die daar wonen,’ zegt Chunel.

Chunel en Daniela, beiden antropologen, wilden daar verandering in brengen. In San Luis de Majimáchi, een gehucht op een uur rijden van Creel, vonden ze een familie bereid om kleine groepjes toeristen te ontvangen. En zo komen we na een bochtige rit van een uur door de bergen aan bij het huis van Micaela, onze gastvrouw voor de komende 24 uur. Micaela is ‘ongeveer vijftig,’ zegt ze wanneer we naar haar leeftijd vragen, onder haar felroze plooirok drie geitjes die ze om de beurt melk geeft uit een babyfles, een vriendelijk gezicht onder een oranje batik hoofddoek. Haar hele leven woont ze in dit dorp, samen met haar zoon Toribio en haar man Begnigno. Ons verblijf is een koepeltentje, pal tussen een kudde geiten, scharrelende kippen en twee biggen. Het dorp bestaat uit niet meer dan een achttal houten huizen en een kerkje, omgeven door bijna verticale tientallen meters hoge witte rotswanden. De aarde is droog en gebarsten, de zon op deze 2400 meter zo fel dat na een paar uur de blaren op fotograaf Hans zijn oren staan, terwijl het in de nachten kan afkoelen tot ver onder nul.

Het leven van de Rarámuri is eenvoudig, dicht bij de natuur. Ze verbouwen hun eigen mais, bonen en aardappelen, houden kippen, varkens en geiten. Hun houten huizen zijn klein, met een wc buiten, niet meer dan een gat in de grond en een paar wanden van ijzerplaat. ‘De Rarámuri hebben een andere manier van leven, gaan anders om met tijd en ruimte,’ zegt Chunel wanneer we even stilstaan tijdens een wandeling door de kloof. ‘Wij kunnen urenlang uitkijken over de canyon, luisterend naar de wind. Meer hebben we niet nodig om gelukkig te zijn.’

’s Avonds eten we in de keuken annex slaapkamer van Micaela. Zittend op een krukje pakt ze een bolletje deeg uit een afwasteil, rolt het uit en roostert de tortilla op een gloeiende plaat gestookt met houtvuur midden in de ruimte. ‘Pak er maar één van het vuur,’ nodigt ze ons uit. Op het bed ligt een oude man te slapen, die verder geen introductie krijgt. Haar vader, horen we later van Daniela. Onder het bed miauwt een doos met pasgeboren kittens. Houtrook en de geur van verse tortilla’s en de soep die op hetzelfde fornuis pruttelt vullen het huis. Buiten is het stil, de heldere hemel vol sterren. Volmaakt gelukkig eten we onze soep en tortilla’s, zittend op een houten bankje naast de slapende man. 

Niet alleen geloven de Rarámuri dat de wereld met hun goden is begonnen, ook zijn ze verantwoordelijkheid voor het laten voortbestaan ervan, vertelt Chunel even later bij het kampvuur. Het doet hem daarom pijn te zien dat veel jongeren hun gemeenschap verlaten voor een westers leven in de stad. ‘Rarámuri geloven dat ze voor de aarde moeten zorgen, in plaats van haar uit te buiten. Met onze rituelen en ceremonies doen we ergens in het universum een beweging ontstaan. Dat zuchtje wind, dat wij niet kunnen controleren, leidt uiteindelijk tot regen. Zo houden we de aarde in beweging. Wanneer we daarmee ophouden, verdwijnt ook de zin van het leven.’

Van de Koperkloof dalen we af naar de Bahía de Banderas, aan de westkust van Mexico. De baai staat bekend om de badplaats Puerto Vallarta, sinds de jaren zestig uitgegroeid tot een populair vakantieoord voor vermogende Amerikanen, met talloze all-inclusive vakantiecomplexen pal aan de doorgaande weg. Niet zo heel erg Columbus dus. Maar wat velen niet weten, is dat een uurtje ten zuiden van Vallarta de baai nog haast ongerept is, met een jungle zo dicht dat de dorpen aan dit stukje Pacific, Cabo Corrientes geheten, alleen te bereiken zijn per panga, vanuit het dichtstbijzijnde dorp Boca de Tomatlán.

Vanuit Boca is het een half uurtje varen naar Yelapa, een dorp van zo’n tweeduizend inwoners verstopt achter een kleine inham in de baai, omgeven door een woud van palmbomen. Het dorp is niet bijzonder mooi maar wel zo charmant, met een wirwar van steile straatjes en smalle steegjes die geregeld doodlopen op een rommelig erf waar een oud mannetje je dan onaangedaan een goedendag wenst, uitpuffend in een hangmat. Auto’s ontbreken, je wordt er hooguit omvergereden door een dorpeling te paard of op een knetterende bromfiets, en het enige geluid komt van de golven en de salsamuziek die altijd wel ergens aanstaat. Het water in de baai is haast turquoise, met voor anker liggende vissersbootjes bezet door clubjes pelikanen die daar hele vergaderingen lijken te beleggen.

De dorpelingen vormen een eigenaardig contrast met de kolonie Amerikaanse pensionado’s die sinds de jaren zeventig het dorp bevolkt, veelal flowerpowertypes op zoek naar een alternatief voor het al te commerciële Vallarta. Je herkent ze aan de straffe pas waarmee ze je voorbijsnellen op het steile rotspad langs de baai, ‘I will go zoomer boomer past you, I am so fast,’ roept een van hen naar me vlak voordat ze uit het zicht verdwijnt, haar witte haren wapperend in de wind. Zodoende voorzagen de importhippies het dorp van een bohemiaans sfeertje, met her en der aankondigingen voor schrijversavonden in het lokale café, exposities en yogaretreats.

Maar anders dan in Vallarta zijn projectontwikkelaars niet welkom in Yelapa. Het toerisme bestaat uit twee bescheiden hotels aan de baai en een verzameling particulier verhuurde palapa’s langs de kust, waardoor het dorp nog aangenaam zichzelf is gebleven. Ook Verana, de jungle retreat waar we deze dagen verblijven, is in harmonie met de omgeving, bestaande uit een tiental verschillende huizen en palapa’s verstopt in het tropisch woud. De lodge ligt op een twintig minuten lopen van het dorp, langs het rotspad en dan omhoog de jungle in. Vanaf hier is het fijn uitkijken over de zonsondergang in de baai, luisterend naar de geluiden van vogels, padden, gekko’s en andere woudbewoners.

‘Het leven is goed in Yelapa,’ zegt de 92-jarige Simon, opkijkend van de bijbel dicht voor zijn kippige ogen, terwijl hij vliegen wegslaat met een oranje mepper. Sinds hij niet meer kan lopen brengt hij zijn dagen door op zijn erf, waar hij een handeltje drijft van gedroogde varkenshuid met chili en limoen, een populaire snack in Yelapa. Een jongetje met flaporen schopt een lekke voetbal in het rond, naast Simon ligt een hond te slapen op een stoel. Hij vertelt hoe het dorp is veranderd met de komst van de Amerikanen. Het dorp kreeg elektriciteit, een waterleiding, de wegen werden bestraat. ‘Nog maar 15 jaar geleden was dat. ‘Daarvoor was het hier een stuk primitiever, verlichtten we de weg met kaarsen.’

Maar het dorp blijft zo’n plek waar de tijd lijkt te hebben stilgestaan. Wandel langs het rotsachtige pad langs de baai, duik in de zee op één van de verlaten strandjes die je onderweg tegenkomt, misschien heb je zin om te snorkelen. Dwaal door de steile straatjes, eet een zoet broodje van de bakker die in de namiddag al toeterend door de straten stuift, waarop de Yelapeños hun deuren uitkomen en om de bakkersbrommer heen drommen. Tegen zes uur komt het dorp tot leven, wanneer de Yelapeños bijeenkomen voor een taco van gebakken koeienhoofd bij een van de geïmproviseerde stalletjes midden op straat, weggespoeld met een flesje Corona, een waar schouwspel van spelende kinderen, aangeschoten mannen en vittende vrouwen. Ook wij melden ons voor een taco, die we zittend op een plastic stoel tegen de muur opeten, ons vermakend met de dorpstaferelen om ons heen.

Simon heeft gelijk, zeggen we tegen elkaar: Het leven is inderdaad goed in Yelapa. En hoe ver deze wereld en die van de Rarámuri-gemeenschap waar we onze reis begonnen ook van elkaar afstaan, hebben ze één ding met elkaar gemeen. Het geluk zit er, hoe clichématig dat ook klinkt, in de eenvoud van de kleine dingen. En meer heb je ook eigenlijk niet nodig.

 

 

Het land naast de boze buurman

herst 2016, Bouillon Magazine

Er is maar één plek op Cuba waar je lekker kunt eten. Aan de uiterste oostkant ligt Baracoa, een stadje omringd door bergen, begroeid met tropische jungle waar de bananen, kokosnoten en cacaovruchten zó van de bomen vallen.
 
Precies die ingrediënten vormen ook de basis van de keuken waar Baracoa om bekend staat, met inventieve gerechten die teruggaan tot de tijd van de Taíno, de indigena die Cuba bevolkten tot de Spanjaarden er hun slachtpartij begonnen. Maar de culinaire tradities overleefden, en vermengden zich in de loop der eeuwen met die van Haïtiaanse en Jamaicaanse immigranten. Zo eet je er vis, gestoofd in verse kokosmelk, snack je in bananenblad gestoomde pakketjes van geraspte banaan met krab, en ga je je te buiten aan cucurucho, een zoetigheid van met fruit en honing vermengde kokosrasp.
 
En dan is er de tetí, een visje van vier centimeter lang en twee millimeter breed dat alleen zeven dagen na volle maan opduikt in de rivieren die bij Baracoa uitmonden in zee. Deze lokale delicatesse zou zo potent zijn, dat het bekendstaat als een afrodisiacum. Wie het visje wil vangen gooit zijn netten uit in het holst van de nacht, wachtend op het moment dat de school visjes als een zilveren wolk de riviermonding binnenzwemt. Maar, vertrouwt een oude visser ons toe: ‘De teti laat zich alleen vangen door mannen met een schoon geweten. Bij wie iets op zijn kerfstok heeft, zullen de visjes door de mazen glippen.’
En zo doen er nog wel meer legendes de ronde in het stadje. Zo zal iedere dorpeling je vertellen dat wanneer je je in de Rio de Miel baadt – de Rivier van Honing - je gedoemd bent terug te keren naar Baracoa. Dat zit zo: Eens verliefde zich een meisje met een huid als honing op een zeeman, die haar liefde met passie beantwoordde. Maar toen zijn vertrek aanstaande was, overviel het meisje zo’n groot verdriet dat ze in huilen uitbarstte in de rivier waar ze elkaar voor het eerst ontmoetten. De zeeman besloot zijn vertrek uit te stellen om zich in de rivier te baden, en is nooit meer weggegaan.
 
Tot 1965 was Baracoa volledig afgesloten van de rest van Cuba. Toen besloot Fidel de Baracoenses een weg uit de jungle cadeau te doen, als dank voor hun hulp bij de revolutie. Door die afgelegen ligging in de jungle heeft het stadje een geheel eigen karakter behouden. Het leven speelt er zich buiten af, op de twee wigvormige pleintjes, waar altijd wel een groepje rum drinkende oude mannetjes domino aan het spelen is, en op de veranda’s van de pastelkleurige koloniale huisjes, waar complete families wiebelend op houten schommelstoelen voorbijgangers van commentaar voorzien. ‘Buen día, wil je een kamer, of zoek je een jongen om mee uit te gaan?’
 
Aan de overkant van de Honingrivier ligt het vissersdorpje Boca de Miel. Een handvol houten huizen aan de oever van de rivier tussen de palmbomen, meer is het niet. Wanneer we de krakkemikkige houten loopbrug oversteken ontmoeten we kokosplantagemedewerker Chi Chi, die ons spontaan uitnodigt voor de maaltijd bij zijn familie. Maar eerst moeten de ingrediënten nog verzameld worden. Dat neemt Chi Chi heel letterlijk. Hij kijkt keurend naar de kruinen van de kokospalmen, gooit dan zijn touw om een stam heen en klimt omhoog met zijn machete, waarna hij vakkundig zes noten uit de boom hakt.
Een dag later komen we, met de zak vol kokosnoten en de mango’s die Chi Chi onderweg ook nog uit de boom plukt, aan bij de familie Terrero. Opa Emilio blijkt in de vroege ochtend op pad te zijn gegaan om zeekrabben te vangen, die hier jaiba heten. Vijftig jaar viste hij voor de Cubaanse staat. Nu is hij met pensioen en brengt zijn tijd door op de veranda, zijn voeten in twee verschillende slippers gestoken. Met de krabben en kokosnoten lopen we naar het volgende huis, waar zijn ex-vrouw, vijf dochters en kleinkinderen wonen. Of we bij hen mogen koken? Prompt komen de vrouwen in actie. De één maakt krabben schoon, de ander zet ui, knoflook en groene pepers aan in een grote pan boven een houtvuur. Chi Chi raspt kokos, die oma Maria met heet water overgiet en uitknijpt boven de pan. ‘Kijk, zo maak je kokosmelk.’ Ze kleurt de saus met de rode zaadjes van de achiote, en doet er dan de krabben bij. In een andere pan koken platanos, die ze - eenmaal gaar - pureert met wat van de saus. Erbij salade van tomaat, komkommer en kool, mangosap, en, hoe kan het ook anders, rijst met bonen.
 
Maar zelfs die smaken nu fantastisch. Dit is comida criolla Cubana op zijn best. Op de terugweg duik ik zonder aarzeling in de rivier. Hier kom ik graag nog eens terug.

foto Ynske Boersma

Elke Argentijn drinkt mate

zomer 2016, Bouillon Magazine

Waar wij niet zonder onze koffie kunnen, zijn de Argentijnen, Uruguayanen, Brazilianen en Paraguayanen verslingerd aan hun mate. De bittere kruidenthee, gemaakt van de gedroogde en fijngehakte blaadjes van de yerba mate plant, vormt zo’n beetje het fundament van het Zuid-Amerikaanse sociale leven. Vriendschappen en liefdes beginnen met het delen van een mate, familiefeesten kunnen niet zonder, ruzies opgelost, kinderen groeien ermee op. Bij rijk en arm, jong en oud. ‘Drink je mate?’ is de eerste vraag waarmee een nieuwe relatie wordt aangegaan. ‘Met of zonder suiker?’, de tweede. Al vinden de puriteinse Uruguayos die suiker dan weer een gotspe. De ware drinker neemt hem immers bitter.

Talloze eigenschappen krijgt de kruidenthee toegedicht. De Zuid-Amerikaanse Indianen dronken hem al. Zo zou het brouwsel een zowel opwekkend als rustgevend effect hebben, de honger stillen en bovendien talloze vitaminen en mineralen bevatten. Het helpt je de dag door, om het maar op zijn Koffietijds te zeggen. En dat nemen de Latino’s zeer serieus. Met name de Uruguayanen staan ermee op en gaan ermee slapen, en gaan nooit de deur uit zonder een gevulde thermosfles onder de oksel en een matepot in de hand, om ook onderweg niet van hun geliefde brouwsel verstoken te zijn. Op het werk, in het park, thuis of op straat, kijk om je heen en je ziet werkelijk overal matepotten.

In het begin vond ik het maar aanstellerij, dat gedweep met die kalebasjes. Wat kon er nou zo bijzonder zijn aan een potje thee? Tot het moment dat mijn Argentijn voor het eerst een mate met me deelde. Het heeft iets geruststellends, zoals de blaadjes met elke keer opgieten weer tot leven komen, waarna je met kleine slokjes de mate naar binnen werkt, zachtjes slurpend door het rietje, terwijl je hand het rondgebuikte matepotje omsluit. ‘De groene long voor de eenzamen,’ noemde de Argentijnse schrijver Julio Cortazar zijn geliefde brouwsel in Rayuela, een hinkelspel, een boek dat iedereen zou moeten lezen.

Maar mate is boven alles een sociale gebeurtenis, gebonden aan een reeks ongeschreven en voor de vreemdeling haast onnavolgbare regels. Zo drinkt het hele gezelschap uit dezelfde mate, en ja, ook door hetzelfde rietje, oftewel de bombilla. Binnen de groep is er maar één persoon die de mate bijvult met heet water en met de klok mee ronddeelt. Daar bestaat zelfs een speciaal werkwoord voor: cebar. Wanneer je de mate krijgt toebedeeld dan neem je die zwijgend aan - wie de mate teruggeeft met een dankwoord, geeft daarmee aan genoeg te hebben gehad. En tot slot: Un mate no se niega a nadie, oftewel, een mate ontzeg je aan niemand.

Hoe bereid je mate?

De meeste mates zijn gemaakt van uitgeholde kalebaspompoenen, al vind je ze ook van hout of plastic. Het rietje is van metaal en heeft gaatjes aan de onderkant, zodat de blaadjes achterblijven in het potje. Om de mate te bereiden vul je de de pompoenpot tot driekwart met yerba mate, waarna je de helft overgiet met een beetje warm water. Geen kokend water, want daarmee verpest je de mate. Vervolgens stop je liefdevol het rietje in de natte blaadjes, en giet je zoveel water op de blaadjes dat ze net niet onder staan. Je eerste mate is klaar om te drinken. Herhaal het opgieten tot de blaadjes beginnen te drijven, dat is het moment om de yerba te vervangen.

foto Ynske Boersma

Mate in Nederland: Verschillende Nederlandse webshops verkopen yerba, kalebassen en bombillas, geïmporteerd uit Zuid-Amerika. Je kunt kiezen uit yerba mate mét en zonder de takjes van de yerba plant, palo genoemd. De Uruguayos drinken hem zonder, de Argentijnen met.

 
Hoe gaat het nu met Cuba?

17-05-2016, De Correspondent

'Strijder voor de revolutie.’
 
Dat staat op het beduimelde pasje dat Emilio Terrero (75) tevoorschijn haalt in een vissersdorp aan de oostkust van Cuba. Vijftig jaar bracht hij door op zee, vissend voor de Cubaanse staat. Hij maakte het allemaal mee: de dictatuur van Batista,  de revolutie waarmee Fidel Castro Batista’s regime omverwierp en de socialistische republiek die hij vervolgens op Cuba installeerde. Het waren tijden van hoop en voorspoed voor Terrero’s familie, die onder Batista in diepe armoede had geleefd.
‘Maar van het socialisme is weinig meer over,’ zegt Terrero gelaten. Nu is hij met pensioen en brengt hij zijn dagen door op deze veranda in Boca de Miel, zittend op een houten schommelstoel, zijn voeten gestoken in twee verschillende badslippers. Zijn gehele pensioen van omgerekend 8 euro per maand gaat op aan eten en medicijnen. ‘Het is een strijd. Maar om te overwinnen mogen we de strijd niet opgeven.’
 
Terrero lijkt een reliek uit het verleden. Buiten de wereld van zijn vissersdorp zijn grote veranderingen gaande, ingezet door het regime van de Castro’s zelf. Sinds Raúl Castro zijn broer Fidel opvolgde in 2008, zette hij een reeks hervormingen in gang om het economisch in zwaar weer verkerende Cuba uit het slop te trekken. De inefficiënte Cubaanse planeconomie werd deels geliberaliseerd, reisbeperkingen voor de Cubanen opgeheven én de onbetaalbaar geworden socialistische verzorgingsstaat werd hervormd. Dat alles zonder de totale politieke controle van de eenpartijstaat uit handen te geven. 
 
En zelfs de ‘imperialistische vijand’ is terug in beeld. Anderhalf jaar geleden kondigden de presidenten Raúl Castro en Barack Obama een herstel van de diplomatieke banden tussen de twee landen aan. Het bleef niet bij woorden. Het Amerikaanse handelsembargo tegen Cuba werd versoepeld, reisbeperkingen deels opgeheven en politieke gevangenen over en weer uitgewisseld. Daarbij mogen Cubanen in de VS nu grotere sommen geld naar hun familieleden sturen. Ambassades werden heropend, en maart dit jaar was Obama de eerste Amerikaanse president sinds de revolutie om een bezoek te brengen aan Cuba.
De resultaten zijn al merkbaar. Buitenlandse investeerders staan te dringen om hun graantje mee te pikken van de verwachte ontwikkeling van het economisch bijna ongerepte eiland. Het toerisme, Cuba’s voornaamste inkomstenbron, explodeerde het afgelopen jaar met een recordaantal van 3,1 miljoen bezoekers. 17 procent meer dan het jaar ervoor, schreef Cubaanse staatskrant Granma.
 
Maar wat merken de ‘gewone Cubanen’ van deze veranderingen? Is hun leven er beter op geworden? Hoe bezien zij de politieke en economische ontwikkelingen en wat verwachten ze van de toekomst? Met deze vragen in mijn hoofd vertrok ik voor drie weken naar Cuba. Op straat, in de particuliere B&B’s waar ik verbleef, in de collectieve taxi, kippenbus of in het café, overal bleken de Cubanen gretige gesprekspartners. Met uiteenlopende verhalen tot gevolg.
 
‘Verandering door de verbeterde relatie met de Amerikanen? Was het maar waar!’ verzuchten René (31) en Argelio (32) in een cafetaria in het noordoostelijke Gibara. René werkt achter de bar van het café, voor 25 Cubaanse peso’s (1 euro) per dag. Argelio werkt in een cultureel centrum van de overheid, voor nog minder. Je kan ervan eten, maar meer ook niet, zeggen de twee vrienden. Ze willen niet met hun achternamen in dit verhaal.
 
‘Degenen die profiteren van de verbeterde relatie met Amerika zijn dezelfden als altijd,’ zegt Argelio. ‘Politiek is zakendoen, met ideologie heeft het niets te maken. De overheid heeft geld nodig, daarom gooien ze de grenzen open voor investeerders. En van alle extra inkomsten door het toerisme gaat het merendeel naar de staat, die het grootste deel van de toeristenindustrie runt. Maar voor de werkende klasse verandert er niets. Wij verdienen nog steeds even weinig. Het is overleven.’
 
Inderdaad wordt het grootste deel van de Cubaanse toeristenindustrie gerund door el Grupo de Administración Empresarial (GAESA,) een concern  van minstens 57 grote bedrijven in handen van het Cubaanse leger. Het concern zou goed zijn voor 50 tot 80 procent van de bedrijfsopbrengsten in Cuba. Het concern wordt gerund door Raúl Castro’s schoonzoon Luis Alberto Rodriguez, een generaal uit het Cubaanse leger. Dezelfde Rodriguez is de baas over de nieuwe vrijhandelszone Mariel, waar de komende jaren honderden buitenlandse bedrijven een vestiging moeten openen.
 
René en Argelio zijn wat politiek betreft nog sceptischer. ‘Er zal niets veranderen. Cuba is en blijft een eenpartijstaat, of beter gezegd: een dictatuur. Wat dit land echt nodig heeft, is een nieuwe revolutie, één om het regime van de Castro’s te laten vallen. Maar dat durft niemand hardop te zeggen. Oppositie voeren is onmogelijk, elke kritiek op het regime wordt als een aanval op de waarden van de revolutie beschouwd en daarvoor ga je de gevangenis in. Het vormen van verenigingen met andere politieke ideeën is verboden. Van hen kunnen we simpelweg niet winnen,’ zegt Argelio.
Toch zien ze wel verbeteringen. Het internet dat sinds kort in alle steden aanwezig is, is weliswaar duur (twee dollar per uur), maar we hebben nu tenminste wel toegang, zegt René. ‘Het is iets.’
 
Een nieuwe caféganger, Pasi, mengt zich in het gesprek. ‘Maine, USA,’ meldt zijn petje. Hij is een van de naar de VS geëmigreerde Cubanen die met de nieuwe regeling voor vertrekkers uit 2012 mag terugkeren mét behoud van zijn Amerikaanse nationaliteit. Nu leeft hij comfortabel van zijn Amerikaanse spaargeld. Pasi, die zijn achternaam niet wil zeggen: ‘De Cubanen die vertrokken naar het buitenland nemen doorgaans veel geld mee terug. Raúl is een stuk pragmatischer dan Fidel, die de emigranten als ‘wormen’ bestempelde. Cubanen gaan weg om de economie, meer dan om de politiek. Maar uiteindelijk willen ze weer terug naar waar ze vandaan komen.’
 
‘De regering had geen andere keus dan het aanhalen van de banden met de VS,’ zegt Yoel (33), flamencoleraar in Santiago de Cuba. ‘Nadat ze tientallen jaren het verhaal hebben verteld van de boze imperialistische vijand, wil de jongere generatie zelf uitzoeken hoe het daar is. Zouden de Castro’s de grenzen gesloten houden, dan zou op den duur een nieuwe revolutie zijn uitgebroken.’ Ook Yoel wil niet met achternaam genoemd worden, ook zijn uitspraken doe je beter niet hardop in Cuba.
Ook al is de economie sinds de verbeterde relatie met Amerika met 4,7 procent 
gegroeid, voor veel Cubanen kunnen de economische ontwikkelingen niet snel genoeg gaan. Ze willen meer welvaart en meer toekomstperspectief dan het socialistische Cuba ze te bieden heeft. ‘De transitie naar een kapitalistische consumptiemaatschappij is niet meer te stoppen,’ zegt Yoel. ‘We denken als bewoners van dit derdewereldland: we willen merkkleding, technologie en auto’s, maar die kunnen we ons bijna niet veroorloven. Ik denk dat in tien jaar niets over zal zijn van wat je nu ziet.’
 
Wie een paar dagen over het eiland reist, begrijpt wat Yoel bedoelt. De ijswinkels van de staat hebben hooguit drie smaken (‘soms hebben ze chocola,’ zegt iemand die ook in de rij staat), het eten in de staatsrestaurants is inspiratieloos en achter de geblindeerde ruiten van de staatswinkels is het aanbod beperkt en voor de meeste Cubanen niet te betalen.
 
De meesten die ik spreek, zijn daarom wel blij met de nieuwe relatie met de noorderburen. ‘Cuba is een eiland en daarom altijd afhankelijk geweest van de relatie met andere landen,’ zegt econome Lianne Rodriguez (40), uit Santiago de Cuba. ‘Met de opening kan Cuba nieuwe investeerders aantrekken, dat is goed voor onze economie. Maar pas als de VS het handelsembargo helemaal opheffen, zullen de Cubanen er echt iets van merken.’
 
Sinds Fidel Castro in 2011 economische hervormingen doorvoerde, werken ongeveer 1 miljoen Cubanen in de particuliere sector - één vijfde van de totale werkzame bevolking. Een van hen is Yuri (40). Tot voor kort werkte hij in een staatsslagerij voor zo’n 12 dollar per maand. Nu runt hij vanuit zijn huis in het centrum van Havana een van de kleine geïmproviseerde cafeetjes zoals je die nu overal op Cuba tegenkomt. Vanuit zijn raam serveert hij kleine kopjes koffie uit een thermoskan, broodjes en frisdrank.
 
Maar de overheid maakt het kleine zelfstandigen niet makkelijk. ‘Er zijn veel bureaucratische hindernissen,’ zegt Yuri. ‘Voor elke kleine uitbreiding moet betaald worden. Als ik spaghetti wil serveren, heb ik een andere vergunning nodig dan voor hamburgers. Daarbij mag ik alleen de dure producten van de staat inkopen en zijn mijn prijzen vastgesteld door de overheid. Daarom kan ik nauwelijks winst maken.’
De nieuwe relatie met de Amerikanen doet hem weinig. ‘Het zorgt ervoor dat er meer geld binnenkomt, vooral in het toerisme. Maar voor de gewone man verandert er niets.’
 
Sterker nog: de sociaal-economische verschillen worden alleen maar groter. ‘In theorie zijn we allemaal gelijk in Cuba, maar in de praktijk zijn er grote inkomensverschillen tussen wie nationale peso’s en wie inwisselbare peso’s verdient, of geld krijgt uit het buitenland,’ zegt Yoel. ‘Met de opening met de VS zullen die verschillen groter worden.’ 
 
Daarbij zijn de verworvenheden van de socialistische verzorgingsstaat op hun retour. De gratis huizen voor arme Cubanen zijn grotendeels verleden tijd, waardoor jongeren noodgedwongen bij hun ouders blijven wonen. Het sterk gesubsidieerde openbaar vervoer is zo overbelast dat de meesten met het duurdere particulier vervoer moeten reizen. En zelfs de gratis zorg is niet zo heel erg gratis, hoor ik van vele kanten. De dokter wordt zo slecht betaald, dat hij prioriteit geeft aan de patiënten die hem wat extra’s toestoppen.
 
‘Onze regering is een socialistische gever, en een kapitalistische nemer,’ vat Lazaro (60) samen. Hij is eigenaar van een particuliere B&B in Havana, en runt daarnaast een clandestiene tandartspraktijk in zijn badkamer. ‘Als tandarts verdiende ik 20 dollar per maand. Je kan nog beter koffers gaan inladen bij een hotel, dan krijg je alleen aan fooien al meer. Nu krijg ik een pensioen van 15 dollar per maand, daar kan niemand van rondkomen. Het grootste probleem van Cuba is de economie. Jongeren zijn wanhopig, ze zien hier geen toekomst. Ik hoop dat dat met de opening naar de VS gaat veranderen. Maar of daarmee de verworvenheden van het socialisme – gratis zorg en onderwijs, en bijstand voor de armen - behouden kunnen blijven, dat is de vraag.’
 

 

Altijd zondag in Montevideo

09-01-2015, Volkskrant Magazine

Zomaar een zondag in Montevideo. Stadsbewoners hangen ontspannen rond op het gras, een stel hippies balanceert op een koord tussen de palmbomen. Verderop zakt de zon langzaam in de Rio de la Plata, de Zilver-rivier, aanschouwd door zoenende stelletjes. Niets aan de hand. Dan klinkt een diep, dreigend gerommel. Reisgenoot Luis Suárez springt op. 'Dat zijn de llamadas!' roept hij opgewonden. 'Vamos!'

We lopen de stad in, onze oren achterna. De straten zijn uitgestorven, op een hoek smeult een houtvuurtje. Het geluid zwelt aan. Dan doemt een enorme vlag op, rondgezwaaid door een man die twee keer zo klein lijkt. In zijn kielzog een twintigtal dansende vrouwen, gevolgd door een groep mannen die ritmisch slaan op felgekleurde trommels zo groot als regentonnen. Hoe verder ze gaan, hoe meer mensen uit hun deuren komen en zich aansluiten, van ouderen met wandelstokken tot moeders met kinderwagens en flirtende jeugd, meedansend met de trommelaars of staand langs de route.

Dit is Montevideo, waar de inwoners van elke zondag een feestje maken. De traditie van de llamadas - llamar betekent 'roepen' - voert terug op de tijd dat de Afrikaanse slaven in Montevideo op zondagmiddag hun vrienden luidruchtig optrommelden om samen te dansen op de ritmes van de houten tambores. Die traditie, de candombe genoemd, is inmiddels een wekelijks volksfeestje voor alle Montevideanos. Ze beschouwen de optochten als hét symbool van hun nationale cultuur.

En zo zijn er nog meer redenen om een keer de oversteek van ruim 200 kilometer te maken naar deze kant van de riviermonding die Montevideo scheidt van zijn bekendere buurman Buenos Aires. De stad is een beetje als zijn bekendste stadsbewoner, de oud-president José 'El Pepe' Mujica die zowel het homohuwelijk als de welig tierende wietteelt in het land legaliseerde, en internationaal furore maakte als de 'armste president ter wereld' doordat hij 90 procent van zijn inkomsten wegschonk. Montevideo is even eigenzinnig als pretentieloos, en net als 'El Pepe' op het eerste gezicht een beetje groezelig. Maar wie verder kijkt, komt er veel moois tegen.

lees verder via Blendle: 

https://blendle.com/i/volkskrant-magazine/altijd-zondag-in-montevideo/bnl-vkm-20160109-5650837?sharer=eyJ2ZXJzaW9uIjoiMSIsInVpZCI6Inluc2tlYm9lcnNtYSIsIml0ZW1faWQiOiJibmwtdmttLTIwMTYwMTA5LTU2NTA4MzcifQ%3D%3D

Foto Ynske Boersma

Deze gevangenis lijkt zoveel mogelijk op de buitenwereld (en dat werkt)

07-01-2016, De Correspondent

Hett is spitsuur in de bakkerij. Broodjes gaan over de toonbank, terwijl het bijbehorende eetzaaltje zich vult met families voor de lunch. Bakker Fabián Rodríguez (40) loopt ondertussen af en aan met flessen cola, terwijl zijn vrouw de bestellingen opneemt. Een kind zeurt om een ijsje.

Niets doet vermoeden dat we hier in een gevangenis zijn.

Waarom we daar zijn? Omdat het leven binnen deze Punta de Rieles-gevangenis in de Uruguayaanse hoofdstad Montevideo zo veel mogelijk op het leven in een doodgewoon dorp lijkt.

Dus hebben de ruim 500 gevangenen overdag alle vrijheid om te gaan en staan waar ze willen. Zijn cellen alleen om te slapen - en blijven die in de meeste gevallen nog open ook. Een misdadiger is een product van zijn omstandigheden, is de filosofie daarachter. Wat levert deze filosofie concreet op?

De gevangenis die een dorp is

‘Mijn missie is een omgeving creëren waarin de waardigheid van de gevangene wordt gerespecteerd,’ zegt Luis Parodi (65), sinds een jaar directeur van Punta de Rieles en een van de twee bedenkers van het gevangenisdorp. ‘Dat, en de mogelijkheid om te werken, studeren en andere activiteiten te ontplooien, genereert nieuwe perspectieven.’

Parodi vindt contact met de buitenwereld namelijk heel belangrijk. ‘Ik geloof dat een gevangenisomgeving zo veel mogelijk op de buitenwereld moet lijken, met zowel haar goede als slechte aspecten. Conflicten horen daar ook bij, de uitdaging is om ze op te leren lossen. Want één ding is zeker, deze mensen komen ooit een keer vrij, of we dat nu willen of niet. Hier bereiden we ze daarop voor, in een omgeving die zo veel mogelijk op een leven in vrijheid lijkt.’Zo kunnen de gevangenen - van jonge veelplegers tot veroordeelden voor moord - binnen de muren van het ‘dorp’ werken, boodschappen doen, een potje voetballen, naar school of te kerk gaan, of gewoon een paar matés drinken met hun medegevangenen of familieleden. Ook heeft het ‘dorp’ een eigen radiozender, een ongecensureerde gedetineerdenkrant en bezit elke gevangene een telefoon met beperkt toegang tot internet.

Waarom Parodi zo vooruitstrevend kan zijn? Voor een antwoord op die vraag moeten we even terug in de tijd.

Na het uitkomen van een vernietigend VN-rapport Lees hier meer over dat VN-rapport. over de onmenselijke omstandigheden in de Uruguayaanse gevangenissen in 2009 - zo schreef de rapporteur over overbevolkte gevangenissen waar veroordeelden tot 24 uur opgesloten zaten en veelal gewelddadig werden onderdrukt door gevangenisbewakers - gaf de Uruguayaanse overheid in 2010 het startschot tot een grootscheepse hervorming gericht op resocialisatie en humanisering van het gevangeniswezen.

Inmiddels zijn alle 29 gevangenissen ondergebracht bij een nieuw opgericht Nationaal Instituut voor Rehabilitatie. Het hervormde gevangenisbeleid voorziet nu in mogelijkheden om te werken en te studeren voor de gevangenen, programma’s voor de mentale gezondheid van de gedetineerden, een speciale eenheid voor moeders met kinderen en taakstraffen.

In het kader van datzelfde beleid kregen Parodi en zijn voorganger Rolando Arbesun in 2012 de vrijheid om binnen de muren van Punta de Rieles te pionieren met het model van een gevangenisdorp dat ze voor ogen hadden – een uitvloeisel van vele jaren ervaring in het werken met delinquente adolescenten, in het geval van Parodi. Ook elders in het land wordt geëxperimenteerd met meer vrijheden voor gedetineerden. Zo functioneren een paar gevangenissen als boerenbedrijven, met gevangenen die vrij op het land werken.

De gevangenis waar je een bedrijf op kan zetten

Terug naar Punta de Rieles. Waar de gevangenen zelf werkgelegenheid creëren: 32 van de 36 ondernemingen binnen de muren zijn eigendom van de gedetineerden. Zo zijn er een kruidenier, een bakker, enkele eethuisjes, een kapper, koffietent en zelfs een tattooshop. Wie iets nieuws wil beginnen, dient een ondernemingsplan in, waarna de (renteloze) gevangenisbank al dan niet een lening verstrekt en de ondernemer van start kan.

En dat is een bijzondere transformatie, als je bedenkt dat het voor het gros van de gevangenen hun eerste werkervaring is. Want die vertellen allemaal hetzelfde verhaal. Opgegroeid in een marginale buurt of sloppenwijk, school voortijdig afgebroken, omringd door werkloosheid, criminaliteit en vooral, uitzichtloosheid. Tsja, wat doe je dan?

‘Dan ga je roven, net als de oudere jongens uit de buurt,’ zegt Matias (23), voor de cafetaria waar hij als keukenhulp werkt. Zijn ogen vanonder het witte Nike-petje kijken me vriendelijk aan. Mamá, leest de tatoeage op zijn onderarm. Op zijn negentiende werd hij veroordeeld tot zes jaar voor een overval. ‘Ik praat het niet goed, maar de criminaliteit was het enige voorbeeld dat ik had,’ zegt hij nu.

Arellano was drie jaar geleden met de opening van zijn kruidenierszaak de eerste gevangene om een onderneming te beginnen in Punta de Rieles. Zijn grootste trots zijn twee grote koelkasten, waarvoor hij een sponsorcontract met Coca-Cola wist binnen te halen. Met de inkomsten van de winkel ondersteunt hij zijn familie buiten de gevangenis.‘De realiteit in Uruguay is dat wanneer je opgroeit zonder onderwijs, je uiteindelijk in de cel eindigt,’ zegt ook Antonio Arellano (36), veroordeeld voor een gewelddadige overval. Vijf jaar geleden werd hij overgeplaatst naar Punta de Rieles. Net als Matias belandde hij voor zijn twintigste in de gevangenis.

‘In andere gevangenissen had ik nooit zo ver kunnen komen,’ stelt hij. ‘In Libertad [een zwaarbewaakte gevangenis in Montevideo, YB] zat ik 23 tot 24 uur per dag opgesloten en praatte ik met bijna niemand. Hier heb ik die sociale vaardigheden weer teruggewonnen, nieuwe aangeleerd en mijn middelbare school afgemaakt.’

De gevangenis waar geen bewakers zijn (maar sociaal werkers)

En dat geldt eigenlijk voor iedereen die ik tegenkom op mijn wandeling over het gevangenisterrein. Allen willen graag vertellen over hun ervaringen, niemand heeft problemen met een foto. Spanning is afwezig, de sfeer is vooral gemoedelijk, er worden grappen gemaakt. Wat nog meer opvalt: het gebrek aan geüniformeerde bewakers binnen de muren. Punta de Rieles was in 2012 de eerste gevangenis in Uruguay gerund door maatschappelijk werkers.

Het tweetal Parodi en Arbesun besloot bij hun aantreden in 2012 namelijk alle politiebewakers binnen de muren te vervangen door 110 civiele gevangenismedewerkers: maatschappelijk werkers, onderwijzers en psychologen, onder andere, waarvan 80 procent vrouw. Een deel van hen houdt de veiligheid in de gaten, terwijl anderen een educatieve of sociale functie hebben.

Al het personeel binnen de gevangenis is nu ongewapend. Alleen de legerbewakers op de wachttorens dragen een wapen, net als de politiemedewerkers bij de ingang. Wanneer een conflict dreigt tussen de gevangenen, proberen de medewerkers dat in eerste instantie op te lossen door te bemiddelen tussen de ruziemakers. Loopt het toch uit de hand, dan is de politie dichtbij.

De komst van de maatschappelijk werkers verbeterde niet alleen de relatie tussen de bewakers en de gevangenen – ‘de politie is er om ons te arresteren en te onderdrukken, niet om ons te resocialiseren,’ aldus eerdergenoemde Arellano – maar zorgde ook voor een aanzienlijke vermindering van corruptie binnen de gevangenis, een hardnekkig probleem binnen de Latijns-Amerikaanse politiestructuren. De invloed van ‘buiten,’ in de vorm van de civiele medewerkers, hielp dergelijke structuren open te breken.

En de gevangenis waar iedereen welkom is

In principe zijn alle soorten delinquenten welkom – minus plegers van seksuele delicten – op voorwaarde dat ze de regels respecteren en initiatief tonen tot het ontplooien van activiteiten. In de praktijk blijkt dat één op de vier moet worden teruggestuurd naar de gevangenis waar hij vandaan kwam. ‘Wie geweld gebruikt of drugs verhandelt, moet weg,’ zegt Parodi. Ook wie na een paar maanden nog geen enkel initiatief vertoont, moet vertrekken.

Hoewel agressie binnen de gevangenis weinig voorkomt, ging het ook hier een keer flink mis. Een jaar geleden vermoordde een veroordeelde een medegevangene, vermoedelijk om een openstaande drugsschuld. ‘Het rechtvaardigt het niet, maar we kunnen niet alles onder controle hebben. Bij een dorp hoort helaas ook een begraafplaats,’ zegt Parodi.

Hoe erg ook, het blijft een uitzondering. Wie een tijdje rondloopt over het terrein zal merken dat er een sfeer van respect heerst en dat de gevangenen er vooral iets van willen maken. Dat blijkt ook uit het recidivecijfer, dat na drie jaar vooralsnog blijft steken op 3 procent, tegen meer dan 50 procent gemiddeld in Uruguay.

Directeur Parodi bevestigt de veel lagere terugval, maar waarschuwt niet te vroeg te juichen. ‘Dat ze nog niet terug zijn, betekent niet dat ze aan het werk zijn. Ze kunnen nog zoveel leren hier, maar wanneer ze vrijkomen wacht hen vooralsnog weinig toekomstperspectief. Het ontbreekt in Uruguay nog aan rehabilitatieprogramma’s na de straf. Dan zijn het kleine dingen die hen weer kunnen laten ontsporen.’

16-11

16-11-2015, Parijs

Het is misschien wel de zwartste maandagmiddag in de Parijse geschiedenis, ondanks de zee van bloemen en waxinelichtjes in de stad.  De terrassen zitten even vol als altijd rond het Franse lunchuur, triomfantelijk bijna, als een hedonistische middelvinger in de vorm van steak tartare en rode wijn. Om twaalf uur is heel Europa stil, maar in Parijs gaat het leven ook die ene minuut gewoon door.  

Op Place de la République stuit je op een haag van antennewagens en een troep journalisten die zich als aasgieren op de rouwenden stort, in de strijd om het schrijnendste verhaal. In hun kielzog de ramptoeristen, die het geheel vastleggen op hun smartphones. Je volgt de stroom mensen, langs het Canal Saint Martin, tot je niet meer verder kan. De dranghekken zijn behangen met boze teksten, smeekbeden en herinneringen aan de velen die honderd meter verderop als katten in het nauw werden neergeschoten. Een man knielt neer en probeert met een brandende kaars de waxinelichtjes weer aan te steken. Na drie windvlagen blaast hij de aftocht, de blik gejaagd. Een pamflet met in rood-wit-blauwe viltstiftletters Je Suis Paris is gescheurd, dwars door de nu al iconische vredeseiffel heen. Op de achtergrond  de noodlottige concertzaal, de helft van het geelrood geschilderde gebouw aan het zicht ontnomen door een grijs zeil. 

Hoe demonstratief ook de Parijzenaren zich niet klein laten krijgen, achter die façade is iedereen bang. Angst die al snel omslaat in paranoia. Op de stations kijkt men schichtig om zich heen, beducht op de volgende schutter. Daar helpen de imposant uitziende militairen weinig tegen. Je pikt de bomvesten er nu eenmaal lastig uit, in deze bepakte massa reizigers. Zoals ze hun handen laten rusten op die bungelende mitrailleurs, lijken ze bijna dreigender dan de echte dreiging. Remember all the people, zingen een paar meisjes later die middag op de collectieve piano van station Saint-Lazare. Maar Lennons gedeelde wereld is nog ver weg. 

 
Argentinië komt toch weer op stoom

24-10-2015, Het Parool

Argentinië kiest morgen een nieuwe president, waarmee een einde komt aan twaalf jaar kirchnerismo, de links-populistische regeringsstijl vernoemd naar het presidentenduo Christina en wijlen Nestor Kirchner. Hoe laten zij het land achter?

Je houdt van haar of je haat haar. Nu na twee regeertermijnen een einde komt aan het bewind van Christina Fernández de Kirchner (62), zorgt de flamboyante president nog steeds voor verdeeldheid. Volgens de opiniepeilingen is ze onverminderd populair onder bijna vijftig procent van de Argentijnen, en wordt ze verafschuwd door de rest. Ze roemen haar zorg voor de armen en strijdvaardigheid op het internationale toneel, of verdoemen haar autoritaire trekjes en populistische politiek.

Morgen gaan de Argentijnen naar de stembus om een nieuwe president te kiezen, waarmee een einde komt aan de regeerperiode van Kirchner en haar in 2010 overleden man en voorganger Néstor Kirchner. Volgens de grondwet moet een president na twee termijnen aftreden. Welke erfenis laten de Kirchners na? 

Over één ding is iedereen het eens: Het was het onorthodoxe economische beleid van Néstor Kirchner dat Argentinië uit de ergste crisis ooit haalde. In 2002 ging Argentinië failliet met een buitenlandse schuldenlast van 132 miljard dollar, na jaren op krediet te hebben geleefd. Wat volgde was een noodgedwongen devaluatie van de peso, waarmee de Argentijnen een groot deel van hun spaargeld zagen verdampen. 

Met het aantreden van Kirchner in 2003 begon de economische en politieke ommekeer. Kirchner besloot de schuldeisers te negeren en spendeerde de Argentijnse reserves in plaats daarvan aan een uitgebreid pakket van sociale plannen en subsidies voor onder andere levensmiddelen en brandstof, om zo de binnenlandse consumptie weer aan te jagen. En hoewel de eerdere devaluatie meer dan de helft van het land in diepe armoede had gestort, zorgde het er ook voor dat de nationale industrie weer winstgevend kon worden. 

Om de staatskas te spekken, verhoogde Kirchner de belastingen en voerde hij nieuwe exportheffingen in. "Daardoor ontstonden op zowel de begroting als de betalingsbalans overschotten," zegt José Maria Rinaldi, hoogleraar economische politiek aan de Universiteit van Córdoba. 

Toen de economie weer op toeren kwam, ging Kirchner over tot het herstructureren van de schuldenlast. In 2005 bood hij de particuliere schuldeisers aan 25 procent van de schuld terug te betalen, waar uiteindelijk 93 procent mee akkoord zou gaan. 

Eind dat jaar verraste hij het IMF door de openstaande schuld in één klap vervroegd af te betalen, waarna hij het instituut definitief de rug toekeerde. Rinaldi: "Het was een draai van 180 graden ten opzichte van de traditionele economische doctrine dat landen moeten bezuinigen om hun schulden af te lossen, zoals nu met Griekenland gebeurt." 

Met een economische groei van jaarlijks zeven procent nam ook de werkloosheid af en werd de armoede meer dan gehalveerd. Ondertussen bouwde Kirchners vrouw Christina, die in 2007 het stokje overnam, gestaag verder aan de uitbreiding van de welvaartsstaat. Grootste wapenfeiten waren de invoering van kinderbijslag voor gezinnen met lage inkomens, gekoppeld aan een onderwijsplicht voor de kinderen, de uitbreiding van het pensioenstelsel en Futbol para Todos, dat alle voetbalwedstrijden in de hoogste divisie gratis uitzendt op de publieke omroep. 

Daarbij voerde ze progressieve wetten door als de invoering van het homohuwelijk, een vereenvoudigde echtscheidingsprocedure en een pensioenstelsel voor huisvrouwen. Ongekende veranderingen voor een katholiek, conservatief land als Argentinië. Tot slot renationaliseerde ze de in de jaren negentig geprivatiseerde staatsbedrijven zoals oliemaatschappij YPF, die met de pas ontdekte gasvelden in Patagonië weer nieuwe staatsinkomsten moet opleveren. 

Maar critici verwijten de Kirchners, en dan met name Christina, van het irrationeel spenderen van de overheidsuitgaven voor electoraal gewin. "Neem Futbol para Todos. Met het idee van gratis voetbal voor iedereen is niets mis. Maar in plaats van de uitzendingen te financieren met commerciële reclame, vult ze de reclametijd met pure staatspropaganda, betaald met belastinggeld," zegt politiek analist en columnist Claudio Fantini. "Zo betalen we allemaal voor de propaganda van Christina." 

"Kijk, de Kirchners hebben vele positieve hervormingen doorgevoerd - het homohuwelijk, het afschaffen van de amnestiewetten van de dictatuur, de kinderbijslag - met een voor Argentinië ongekende politieke energie en vrijmoedigheid," zegt Fantini. 

"Maar al die goede dingen verliezen hun glans door de manier waarop ze zich de staat hebben toegeëigend. De Kirchners lijken progressief, maar in de jaren negentig waren zij het die tot het laatste moment het rechtse neoliberalisme van president Carlos Menem steunden. Het zijn pragmatici; alles staat in het teken van het behouden van de macht." 

Kirchner vertegenwoordigt volgens Fantini 'een vorm van hedendaags autoritarisme'. "Een egocratie, waarin zij het middelpunt van de macht vormt. Een macht gemaskeerd met een revolutionair discours, appellerend aan iconen als Evita, Fidel en Che Guavara, en aan 'vijanden' als de VS of het kapitalisme, de lijst is lang. Het is ideologische masturbatie voor de middenklasse. Niet voor de armen, want die stemmen vooral voor de subsidies." 

Bovendien komen niet al die subsidies even goed terecht, zeggen zowel aanhangers als tegenstanders van het kirchnerisme. Zo gelden de subsidies voor gas en elektriciteit voor iedereen. "De rijken verwarmen hun binnenbaden met gas dat door de staat wordt gesubsidieerd," schertst econoom Rinaldi, die in 2005 meeschreef aan Kirchners schuldsaneringsplan. "Maar dat is iets waar de volgende regering iets aan zal doen." 

Daarnaast begonnen na jaren van begrotingsoverschotten sinds 2011 de tekorten weer op te lopen, een gevolg van verminderde exportinkomsten door dalende prijzen van met name soja op de wereldmarkt, een belangrijke inkomstenbron voor de overheid, en door verder toegenomen overheidsuitgaven. Als gevolg daarvan stijgen de prijzen jaarlijks tussen de twintig en dertig procent en daalt de peso steeds verder in waarde. 

In de Argentijnse steden merk je weinig van die problemen. De terrassen zijn vol, net als de winkelstraten, waar nauwelijks lege panden te zien zijn. In een wereld in crisis lijkt het Argentinië nog niet zo slecht te gaan. Maar schijn bedriegt, beweren veel rechtse economen. "Het is een fictieve economische realiteit," zegt Alejandro Gay, hoogleraar economie aan de Universiteit van Córdoba. "De economie is oververhit geraakt, maar de regering weigert te snijden in de overheidsuitgaven. In plaats daarvan remmen ze de inflatie door de prijs van de dollar kunstmatig laag te houden en de import te beperken. Het gevolg daarvan is dat investeerders vertrekken." 

Om kapitaalvlucht te voorkomen, legt de overheid sinds 2011 de dollarverkoop aan banden. Daardoor is er een bloeiende zwarte handel in dollars ontstaan. De koers ligt daar nu op bijna 16 peso, tegen een officiële koers van 9,50 peso. 

Door het conflict met de schuldeisers die in 2001 weigerden in te stemmen met het schuldsaneringsplan, is Argentinië bovendien technisch failliet. Hierdoor heeft Argentinië nauwelijks toegang tot internationale geldmarkten voor nieuwe leningen, nodig om de tekorten te financieren. 

De oppositie stuurt aan op een nieuwe devaluatie en een oplossing voor het conflict met de schuldeisers, door Kirchner 'aasgierfondsen' gedoopt. "Devaluatie is onvermijdelijk," stelt Gay. "Het lijkt geen crisissituatie, maar er komt een moment dat de bom barst." 

"Het zijn de argumenten van het rechtse establishment," relativeert journalist en documentairemaker Federico Robles. "Hoe je het ook wendt of keert, de Kirchners laten een land in opkomst na. Misschien nog niet in volle groei, maar wel op stoom, met een buitenlandse schuldenlast die bijna is opgelost. Dat is niet niks, nadat we volledig ten onder gegaan waren aan een bruut yankee-kapitalisme. Die dollars, die komen wel weer."

Voormalige vicepresident Scioli in peilingen aan kop

Morgen gaan de Argentijnen naar de stembus, voor de eerste ronde van de presidentsverkiezingen. Favoriet is Kirchners beoogde opvolger binnen de verkiezingscoalitie 'Front voor de Overwinning', voormalig vicepresident Daniel Scioli, die volgens de peilingen rond 38 procent van de stemmen krijgt. Dat is net niet genoeg om in één ronde te kunnen winnen, waarvoor minimaal veertig procent plus tien procentpunten verschil met de nummer twee nodig is. 

Nummers twee en drie in de peilingen zijn Mauricio Macri, van de rechtse coalitie 'Laten we veranderen', die op 28 procent van de stemmen staat, en Kirchners voormalige kabinetchef Sergio Massa, die met zijn 'Front voor Vernieuwing' inzet op de politieke middenweg, maar vooralsnog te weinig stemmen trekt om door te kunnen naar de tweede ronde. 

Hoewel Scioli 'continuïteit' belooft, staat hij bekend als conservatiever en diplomatieker dan de huidige president. Verwacht wordt dat hij zal snijden in de overheidsuitgaven en de onderhandelingen met de resterende schuldeisers zal heropenen.

Argentijnse burgers stoppen de bouw van Monsanto's maiszaadfabriek

22-09-2015, OneWorld

Met een illegale vergunning begon Monsanto aan de bouw van wat de grootste GMO-maiszaadfabriek ter wereld moest worden, in het Argentijnse stadje Malvinas. Maar op verzet van de bewoners hadden ze niet gerekend. Al twee jaar ligt de bouw stil.

ACHTERGROND – “Fuera Monsanto!” “Weg met Monsanto uit Malvinas, uit Argentinië, uit Latijns-Amerika, weg uit de hele wereld”, besluit de zangeres haar optreden op het derde Lente zonder Monsanto festival afgelopen zaterdag in Malvinas, een stadje zo'n 700 kilometer ten noordwesten van de hoofdstad Buenos Aires. “Fuera!” antwoordt een plein vol festivalgangers in koor, met gebalde vuisten in de lucht. 

In juni 2012 presenteerde de Amerikaanse agrochemische, biotech-multinational Monsanto zijn plannen voor de bouw van de grootste fabriek voor genetisch gemodificeerde maiszaden ter wereld in Malvinas, een slaperig voorstadje van provinciehoofdstad Córdoba.

Argentinië is het land met relatief de grootste oppervlakte transgene gewassen ter wereld, waarvan het overgrote deel geïntroduceerd door Monsanto. Veel onkruidverdelgers waarmee de pesticide resistente gewassen worden besproeid, komen uit de koker van dezelfde biotech-gigant.

Voor de bewoners van Malvinas kwam de aankondiging echter als een totale verrassing. “We hoorden erover op het landelijke nieuws, in een verklaring van de presidente”, zegt bewoonster Vanesa Sartori (29), die nog steeds verontwaardigd is. “Tot op dat moment wisten we van niets, terwijl de gemeente de vergunning om te beginnen met de werkzaamheden al had afgegeven.”

Milieurisico's

Maar met wat daarna gebeurde hadden noch Monsanto, noch de autoriteiten rekening gehouden: de bewoners verzetten zich. Ze vroegen lokale milieuorganisatie FUNAM om de milieueffecten van de toekomstige fabriek te analyseren. De uitkomsten van dat onderzoek maakten de onrust alleen maar groter: de onderzoekers vonden elf mogelijke milieurisico’s, waarvan Monsanto geen of onvoldoende melding had gemaakt bij zijn kennisgeving over het project.

Zo worden de maiszaden behandeld met een bad van pesticiden, waarvan het gebruik bij volledige productiecapaciteit kan oplopen tot 1750 duizend liter per jaar. Een gedegen plan voor de afvoer van die pesticiden ontbrak echter. Ook van de giftige stoffen die bij het drogen van de met pesticiden bewerkte zaden naar het dorp kunnen waaien, op 700 meter afstand van de fabriek, werd geen melding gemaakt door Monsanto.

Risico’s die de autoriteiten hadden moeten evalueren voordat ze de vestiging van de fabriek goedkeurden, volgens de nationale Algemene Milieuwet. Daarbij had de gemeente nagelaten de bewoners te raadplegen over de komst van de fabriek, een tweede voorwaarde van dezelfde wet bij projecten die mogelijk de gezondheid van de omwonenden kunnen schaden.

Nu zijn dergelijke slordigheden doorgaans geen bezwaar in Argentinië, waar belangen van multinationals, landbouwproducenten en de nationale schatkist in de regel zwaarder wegen dan de gezondheid van  zijn inwoners of het milieu. Maar dit keer lagen de kaarten anders. De aankondiging viel samen met een geruchtmakende rechtszaak tegen een producent van genetische gemodificeerde soja tien kilometer verderop in Ituzaingó, een buitenwijk van Córdoba waarvan de bewoners claimden ziek te worden van de vele pesticiden waarmee de velden rondom hun buurt bespoten werden. 

Kortom, voor Monsanto had de timing niet slechter kunnen zijn. In navolging van de protestbeweging van Ituzaingó richtten de bewoners van Malvinas in juli 2012 de bewonersraad Asamblea Malvinas Lucha por la Vida op. Naast het organiseren van protestmarsen en bijeenkomsten begon de bewonersraad een rechtszaak tegen de gemeente Malvinas, die volgens hen Monsanto een illegale vergunning had verstrekt voor het beginnen van de werkzaamheden. “We voelden ons verraden door onze eigen burgemeester”, aldus raadslid Sartori.

Protestfestival

Op dat moment waren de bouwwerkzaamheden al in volle gang, tot frustratie van de bewoners. Terwijl de rechtszaak voortsleepte, besloot de bewonersraad  in september 2013 tot drastischer middelen over te gaan: een permanente blokkade van de fabriek met een kampement. Om de aandacht af te leiden organiseerden ze 19 september een festival voor de poorten van het fabrieksterrein: Het eerste Lente zonder Monsanto festival was geboren.

We konden natuurlijk niet zomaar een kamp neerzetten”, verklaart Sartori. “Dus bij het opbouwen van het festival zetten we ook een paar tenten op, zogenaamd ter bewaking. Na het festival bleven die tenten achter, samen met een honderdtal activisten. Dat was het begin van de blokkade.”

Sindsdien liggen de werkzaamheden op het terrein stil, tot grote ergernis van Monsanto en de gemeente. Ondanks diverse gewelddadige repressies door de politie kwam het nooit tot een ontruiming van het kamp, waar vandaag de dag nog altijd een dertigtal activisten bivakkeert.

Steun van beroemdheden

“De solidariteit met de blokkade was overweldigend”, zegt Sartori. “Elke repressieactie kwam als een boemerang weer terug voor Monsanto en de autoriteiten, met nog grotere steun voor het protest. We hebben bezoek gehad van beroemdheden als Manu Chau, Nobelprijswinnaar Adolfo Perez Esquivel en de Grootmoeders van Plaza de Mayo. Dat heeft veel geholpen om de beweging zichtbaar te maken.”

In januari 2014 behaalden de bewoners hun volgende overwinning. In hoger beroep verklaarde de lokale rechtbank de door de gemeente verleende vergunning aan Monsanto illegaal, en dwong Monsanto de werken stil te leggen tot aan alle voorwaarden van de milieuwet – het evalueren van een milieu-effectenstudie en het raadplegen van de bewoners – was voldaan.

Een maand later presenteerde Monsanto de gevraagde milieu-effectenstudie aan de provinciale regering. Het bleek de genadeklap voor Monsanto: het provinciale ministerie van Milieu wees het rapport af, waarmee de eerder afgegeven toestemming kwam te vervallen.

Geen plan B

Anderhalf jaar later geeft Monsanto zich nog altijd niet gewonnen. “Er is geen plan B. Monsanto is vastbesloten zich in Malvinas te vestigen”, aldus een woordvoerder van Monsanto. Het bedrijf kondigde aan eind dit jaar een nieuwe milieu-effectenstudie te zullen presenteren, ditmaal uitgevoerd met de 'vereiste technische grondigheid, en met raadpleging van de bewoners.'

Daarbij beklaagt het bedrijf zich over ‘het gebrek aan actie van de lokale autoriteiten’ tegen de ‘dertig fanatici’ die sinds twee jaar de toegang tot de fabriek blokkeren, aldus Fernando Giannoni, directeur Corporate Affairs voor Monsanto in Argentinië, in een gesprek met het lokale La Voz del Interior van deze maand. “Zorgwekkender dan het gedrag van die fanatici is de passiviteit van de autoriteiten, die geen enkele actie ondernemen om ervoor te zorgen dat we kunnen doorgaan met de bouw van onze fabriek.”

De autoriteiten houden de deur voorlopig op een kier. “Het woord is aan de bewoners”, stelde de nieuwe burgemeester van Malvinas, na het behalen van de verkiezingsoverwinning afgelopen juni. Maar de kans dat die ’ja’ zullen stemmen is gering. De resultaten van de laatste poll van wetenschappelijk onderzoeksinstituut CONICET waren als volgt: 65 procent van de bewoners is tegen de komst van de fabriek, 20 procent stemde voor de komst van Monsanto.

Bij een rondgang in het stadje stellen alle gevraagde bewoners tegen te zijn. “De banen die de fabriek oplevert zouden we goed kunnen gebruiken”, zegt een bewoner voor de ingang van de lokale kerk. “Maar aan werk dat ons vergiftigt hebben we niets.”

Dat Monsanto juist in Córdoba, de provincie met de aller slechtste milieuwetten en de meeste straffeloosheid van Argentinië, terrein verliest, is veelzeggend

“Wat Monsanto in deze zaak de nek heeft omgedraaid, is hun arrogantie”, zegt bioloog Raúl Montenegro van milieuorganisatie FUNAM. “Als ze vanaf het begin goede studies hadden geleverd, dan was een andere weg mogelijk geweest. Dat Monsanto juist in Córdoba, de provincie met de aller slechtste milieuwetten en de meeste straffeloosheid van Argentinië, terrein verliest, is veelzeggend.

Foto Federico Cabrera

 
Kweken mag, maar er is geen zaad

22-08-2015, Het Parool

'Paradise Seeds Amsterdam' lonkt een stapel folders op de toonbank van growshop Urugrow, in het centrum van Montevideo. De brochures bevatten beschrijvingen van een dertigtal Nederlandse wietsoorten die de Uruguayanen sinds vorig jaar legaal thuis mogen telen. 

Alhoewel, legaal? "Als de inspectie langskomt, ben ik alles kwijt," verzucht growshophouder Juan Manuel Varela (26) terwijl hij aan een waterpijp lurkt. "Het kweken van wietplanten mag dan al een jaar zijn toegestaan, de overheid heeft nog steeds geen zaden goedgekeurd. Alles wat ik verkoop is illegaal."

Mei 2014 tekendede toenmalige president José Mujica de veelbesproken wietwet, waarmee Uruguay zowel de teelt als de verkoop van cannabis legaliseerde. De wet voorziet in drie manieren om legaal aan wiet te komen: na registratie bij de overheid mogen de Uruguayanen maximaal zes planten thuis kweken, of tot 99 planten in groepsverband, met een zogenoemde cannabisclub. Wie daar geen zin in heeft, kan bij de apotheek terecht, waar voor ongeveer een dollar per gram 'staatswiet' wordt verkocht. 

Ruim vijftien maanden na het tekenen van de wet is er echter nog geen staatswietzaadje de grond in gegaan. Bovendien is het zaaigoed voor eigen teelt nog altijd niet gereguleerd, waardoor growshops genoodzaakt zijn illegaal cannabiszaad te importeren. Procedures voor de registratie van de cannabisclubs verlopen moeizaam door een gebrek aan personeel en geld bij de nieuwe handhavingsinstantie Instituto de Regulación y Control del Cannabis (IRCCA). 

Zo zijn er van de twintig zogenoemde 'cannabisclubs' die zich aanmeldden pas drie goedgekeurd. Growshopeigenaar Varela is voorzitter van zo'n club. "Een maand nadat we ons hadden aangemeld, hadden we nog steeds geen antwoord. Ondertussen deed een buurman aangifte van illegale teelt, waarna de politie al onze tweehonderd planten in beslag heeft genomen. Uiteindelijk gaf de rechter ons gelijk, maar toen was alles al verpieterd." 

Martin Gaibisso, voorzitter van Cannabisclub El Piso, had meer succes. "In mei, na een maandenlang bureaucratisch proces, kregen we groen licht van het IRCCA." Sindsdien mogen de 45 leden van de club elke maand veertig gram wiet ophalen, meldt een tevreden Gaibisso. "Voorheen waren we veroordeeld tot de slechte illegale Paraguayaanse wiet die op straat wordt verkocht. Nu roken we topkwaliteit legale wiet. Zo goed dat we er dit jaar de Cannabiscup mee hebben gewonnen." 

"We hebben wat vertraging opgelopen," erkent een hooggeplaatste Uruguayaanse ambtenaar, die officieel geen interviews mag geven. "Uruguay is het eerste land ter wereld om alle aspecten van marihuanagebruik te reguleren. Dat is een complex proces, en bovendien moet de nieuwe regering ons budget nog vaststellen." 

"We zijn begonnen met registratie van de thuistelers, want die waren er al jaren. Inmiddels hebben 2800 kwekers zich ingeschreven, van de geschatte tienduizend in totaal." 

Wettelijk gezien kunnen die niet legaal aan wietzaadjes komen, bevestigt hij. "Het reguleren van de zaadverkoop is lastig, omdat we daarvoor zaaigoed willen verkrijgen dat alleen in Uruguay geteeld kan worden. Op die manier kunnen we wanneer de goedkope Uruguayaanse wiet de grens overgaat, de smokkelwaar traceren tot de bron. Maar een dergelijke genetische exclusiviteit is moeilijk te vinden - het Nederlandse Paradise Seeds vroeg een miljoen dollar voor zo'n zaadje." 

Ook voor de teelt van staatswiet heeft de overheid vooralsnog geen geschikte producenten kunnen vinden. Naar schatting zeventig procent van de Uruguayaanse gebruikers die niet zelf teelt, is daardoor nog altijd veroordeeld tot de illegale drugshandel - die de overheid met de wietwet juist wilde uitbannen. 

"Er is helaas weinig animo om voor een dollar per gram wiet te produceren, de prijs die we als overheid hebben vastgesteld voor de verkoop in apotheken. Aanvankelijk hadden we 22 geïnteresseerde private partijen, afkomstig uit zowel de illegale marihuanateelt als agrarische bedrijven. Maar inmiddels zijn er al twee termijnen verstreken om de benodigde documenten te leveren. 25 augustus loopt de laatste termijn voor registratie af. Wat we dan gaan doen? Dat is de million dollar question." 

Growshophouder Varela heeft er weinig vertrouwen in. "Het IRCCA heeft goede bedoelingen. Maar de wet stamt uit de tijd van Mujica. Nu hebben we een veel conservatievere regeringen en is er veel weerstand tegen marihuanagebruik." 

Toch is de wet een vooruitgang, vindt hij. "Vroeger moest je de gevangenis in als je werd betrapt op thuisteelt, nu nemen ze hooguit je planten in beslag als blijkt dat je niet bent ingeschreven."

 
Te veel vlees

08-08-2015, Zomercolumn Het Parool

De stad was uitgestorven, de lucht zwaar van de hitte en de geur van gloeiend houtskool. We reden de smeltende stadsjungle van Córdoba uit, de omringende sierra in. Aan de oever van de rivier waar we een half uur later aankwamen, stond het al blauw van de rook, elke stenen campingtafel bezet door een voltallige Argentijnse familie, wachtend tot de pater familias de eerste chori van het rooster haalt.
 
"Hoy es un día peronista," zegt mijn vriendje plechtig op zulke zonovergoten zomerdagen, doorgebracht met vrienden en familie en het roosteren van enorme hoeveelheden vlees. Het ware geluk, aldus Péron. En daar had de oude generaal een punt, want veel meer is er niet voor nodig om een Argentijn gelukkig te maken. Op een scorende Messi na dan. 
 
Het was in december, het begin van mijn eerste Argentijnse zomer. De feestdagen kwamen eraan, en aldus werd ik meegesleept van het ene naar het andere eetfestijn. Wat in Argentinië synoniem is voor asado - oftewel een barbecue, maar noem het vooral niet zo - en een asado is geen asado als er geen halve kilo vlees de man op het vuur gaat, weggespoeld met literpullen cola gemixt met Fernet Branca. Dat smaakt als cola met hoestdrank, maar begin ook daar niet over. 
 
Mijn integratie verliep aldus vlotjes, maar na drie van die geheel identieke carnivore schranspartijen in één week was ik er wel een beetje klaar mee. Of ze dan nooit iets anders willen eten, vroeg ik voorzichtig aan mijn Argentijn. "We hebben het beste vlees ter wereld, dus waarom zouden we," antwoordde hij gepikeerd. En daarmee was de kous af. 
 
Mijn redding kwam op 2 januari, de dag dat de Argentijnen massaal de vaca gaan. Vroeger gingen ze daarvoor graag naar het buitenland, zeker in de jaren negentig - toen de peso nog een dollar waard was en de Argentijnen de koning te rijk waren buiten de grenzen. Maar toen knapte de bubbel en sindsdien is de vakantie in eigen land weer en vogue. Of in de eigen provincie, in het geval van de Cordobeses, die simpelweg hun klapstoel opzetten aan een rivier in de eerdergenoemde sierra. 
 
Enfin, binnen een paar dagen stroomde de stad leeg en was het daarbinnen dus gedaan met de asado's. En zelfs de man leek zijn portie wel gehad te hebben. "Mami, het is al de derde asado deze week, het wordt me wat te veel," hoor ik hem tegen zijn moeder zeggen. "Laten we ook wat groenten roosteren."
 
Foto Federico Cabrera
Argentijnen doodziek van pesticiden op soja

30-07-2015, OneWorld

Sinds de introductie van Monsanto’s pesticideresistente gengewassen in 1996 in Argentinië, is het gebruik van bestrijdingsmiddelen met het negenvoudige toegenomen. Omwonenden van de plantages claimen daar doodziek van te worden, en begonnen een rechtszaak tegen de soja-industrie.
 
Het verhaal begint in 2002 met een ontmoeting in de groentewinkel van Ituzaingó, een buitenwijk van de Argentijnse stad Córdoba, 700 km ten noordwesten van de hoofdstad Buenos Aires. Buurtbewoonster Norma Herrera vertelde over haar driejarige dochter met leukemie. De dochter van de winkelhoudster bleek dezelfde ziekte te hebben. En de buurman van Vita Ayllón, derde aanwezige in de winkel, idem. Toevallig? Allen woonden in hetzelfde stratenblok, grenzend aan een genetisch gemodificeerde sojaplantage.
 
Hoe zit het in Europa en Nederland?
Zowel de teelt van GMO-gewassen als het gebruik van glyfosaat zijn controversieel in Europa. De lidstaten zijn het zo oneens over het al dan niet toelaten van de transgene gewassen, dat sinds april dit jaar lidstaten weer zelf mogen beslissen over het al dan niet toelaten van een GMO-gewas, nadat deze door de Europese Voedselveiligheidsautoriteit is toegestaan.   Tot dusver zijn daarvan pas enkele soorten goedgekeurd.Eenzelfde voorstel ligt nu voor GMO-producten op tafel, waarvan nu 58 soorten zijn toegestaan in Europa. Het merendeel daarvan verdwijnt in veevoer, waarvan de productie ondenkbaar is zonder de import van GMO’s: Europa is na China de grootste importeur van de Zuid-Amerikaanse gensoja   Het gebruik van glyfosaat, onlosmakelijk verbonden met de teelt van transgene soja en andere ‘onkruidvrije’ planten, is al even omstreden. In Frankrijk is de vrije verkoop van het middel sinds dit jaar verboden, nadat de WHO het categoriseerde als waarschijnlijk kankerverwekkend.
 In de Tweede Kamer zijn veel partijen tegen het middel, maar een stemming voor een totaalverbod haalde geen meerderheid.
Sinds de introductie van Monsanto’s pesticideresistente GMO-gewassen (onder de merknaam RoundupReady) in 1996 in Argentinië, is de productie van met name soja geëxplodeerd. Het land zag de opbrengsten van het ‘groene goud’ vervijfvoudigen tot een 59 miljoen ton het afgelopen jaar, waarmee Argentinië zich de derde producent ter wereld mag noemen.
 
Schaduwzijde van het 'groene goud'
 
Maar niet iedereen is blij met de Argentijnse sojización. Hoewel de pesticideresistente gewassen in theorie minder bestrijdingsmiddelen nodig hebben dan de conventionele variant, blijkt in twintig jaar het pesticidegebruik juist exponentieel te zijn toegenomen. Per hectare steeg het gebruik van glyfosaat (hoofdingrediënt van Monsanto’s herbicide RoundUp, het bijbehorende product van de RoundupReady-gewassen) met het vijfvoudige, van drie naar vijftien liter per hectare per jaar. Landelijk steeg de glyfosaatconsumptie van 34 miljoen liter in 1990 naar meer dan 300 miljoen liter per jaar nu, volgens cijfers van de Argentijnse overheid.
 
En daar claimen de Argentijnen letterlijk doodziek van te worden. Verscheidene epidemiologische studies in dorpen omringd door sojavelden, wijzen op een ernstige toename van het aantal gevallen van kanker, geboortedefecten en spontane abortussen sinds de introductie van de transgene gewassen, wat artsen en onafhankelijke onderzoekers linken aan het spuiten met glyfosaat en andere pesticiden.  In maart dit jaar classificeerde ook Wereldgezondheidsorganisatie WHO het middel als ‘waarschijnlijk kankerverwekkend voor mensen.’
 
Voor de bewoners van Ituzaingo komt die conclusie jaren te laat. “In 2002 hadden we nog geen idee wat er over de akkers werd gespoten”, zegt Ayllon (61)  nu. “Wanneer een spuitvliegtuigje overkwam, pal langs onze huizen, renden onze kinderen er achteraan, de velden in. Ondertussen hadden veel buurtbewoners last van huiduitslag, luchtwegproblemen en maagklachten. De bel ging rinkelen toen we ons drinkwater lieten onderzoeken – dat kwam toen nog uit een put. Het bleek vol pesticiden te zitten.”
 
Leukemie en kanker 
 
De vrouwen besloten in actie te komen. Met dertien buurtgenoten gingen ze van huis tot huis, en inventariseerden welke ziekten voorkwamen onder de buurtbewoners. De resultaten verwerkten ze in een plattegrond, met voor elke ziekte een andere kleur of icoontje. Roze rondje: kanker, een paar honderd gevallen, op een bevolking van 5.000 inwoners en inmiddels de doodsoorzaak van één op de drie buurtgenoten (tegen een gemiddelde van 18 procent in Argentinië). Blauw rondje: leukemie, zestien patiënten. In een meer recente versie zijn witte rondjes toegevoegd. Dat zijn de sterfgevallen.
 
De vrouwen doopten hun groep ‘Madres de Ituzaingo’, en togen naar het Ministerie van Gezondheid. Aanvankelijk nam niemand de vrouwen serieus, tot een betrokken arts werkend op het ministerie een onderzoek instelde in de buurt. Niet alleen in de grond en het water werden resten van bestrijdingsmiddelen gevonden, maar ook in de lichamen van de buurtbewoners zelf. Bij een bloedonderzoek bleek tachtig procent van de buurtkinderen meerdere soorten pesticiden in het bloed te hebben, tegen vijftig procent van een controlegroep in een buurt verder weg van de sojavelden.
 
Nu, dertien jaar later, lijkt hun strijd eindelijk vruchten te gaan afwerpen. In een zaak aangespannen door zeventig buurtbewoners van Ituzaingó tegen de soja-industrie, zal nu onderzocht worden of er een direct verband bestaat tussen het spuiten van pesticiden en de toename van verschillende ziekten in Ituzaingó. Verdachten in de zaak zijn één sojaproducent, twee eigenaren van bedrijven die pesticiden toepassen: de piloot van een spuitvliegtuigje en een agrarisch ingenieur.
 
Belangrijker dan een veroordeling van de verantwoordelijken uit de soja-industrie, is het ter discussie stellen van het productiemodel zelf, zegt bioloog Raúl Montenegro, president van milieuorganisatie FUNAM in Córdoba en hoofdaanklager in de zaak Ituzaingó. “Kijk, voor de introductie van GMO’s werden ook bestrijdingsmiddelen gebruikt, dus in die zin is dit model niet veel anders. Het probleem is dat de teelt van transgene gewassen, tegen de verwachting, in een exponentiële toename van het gebruik van bestrijdingsmiddelen tot gevolg heeft gehad. Om het model te laten functioneren wordt nu 300 miljoen kilo pesticiden per jaar gebruikt, dat zijn absurde hoeveelheden.”
 
Resistentie vraagt om hogere dosis
 
OneWorld vroeg een reactie aan een agrarisch ingenieur uit Córdoba, vertegenwoordiger van Monsanto en collega van de ingenieur die terecht staat in de zaak. Vanwege de gevoeligheid van het onderwerp wil hij anoniem blijven. “Ja, pesticiden veroorzaken ziekten, daar is geen twijfel over mogelijk. Maar de middelen die nu worden gebruikt zijn wel veel milder dan vroeger. En elke pesticide gaat uit van een maximum dosis waarbij de resten zich in principe niet opstapelen.” Niettemin is het pesticidegebruik met de jaren fors toegenomen, bevestigt de ingenieur. “Er is een neiging naar resistentie, waardoor je steeds meer van het middel nodig hebt.”
 
Maar is dat probleem dan niet inherent aan deze technologie? “Het productiemodel met pesticideresistente GMO-gewassen is inderdaad niet duurzaam. Maar economisch gezien is dat het wel, zeker voor de bedrijven die de techniek ontwikkelen. Ik zeg niet dat er geen alternatieve productiemethoden mogelijk zijn, maar het is de vraag of de maatschappij dat wel wil. Het zou betekenen dat we terug moeten van technologie naar mankracht. Daarbij zou de sojateelt zonder pesticiden geen winst meer opleveren. Het is als de auto, die stoot dodelijke gassen uit, maar dat is geen reden om je auto te laten staan.”
 
Terug naar Ituzaingó. Wat hopen de moeders met de zaak te bereiken? “Het wordt lastig,” verzucht Norma Herrera. “Er zijn grote belangen mee gemoeid. Als er al een gunstige uitspraak komt, dan is de kans groot dat die bij het federale hof omvalt. Aan de andere kant, vroeger werden we voor gek verklaard als we zeiden dat glyfosaat kankerverwekkend is, en nu zegt de WHO (VN-Wereldgezondheidsorganistie, red.) dat ook.”
 
Hoe zit het in Europa en Nederland?
 
Zowel de teelt van GMO-gewassen als het gebruik van glyfosaat zijn controversieel in Europa. De lidstaten zijn het zo oneens over het al dan niet toelaten van de transgene gewassen, dat sinds april dit jaar lidstaten weer zelf mogen beslissen over het al dan niet toelaten van een GMO-gewas, nadat deze door de Europese Voedselveiligheidsautoriteit is toegestaan.   Tot dusver zijn daarvan pas enkele soorten goedgekeurd.Eenzelfde voorstel ligt nu voor GMO-producten op tafel, waarvan nu 58 soorten zijn toegestaan in Europa. Het merendeel daarvan verdwijnt in veevoer, waarvan de productie ondenkbaar is zonder de import van GMO’s: Europa is na China de grootste importeur van de Zuid-Amerikaanse gensoja   Het gebruik van glyfosaat, onlosmakelijk verbonden met de teelt van transgene soja en andere ‘onkruidvrije’ planten, is al even omstreden. In Frankrijk is de vrije verkoop van het middel sinds dit jaar verboden, nadat de WHO het categoriseerde als waarschijnlijk kankerverwekkend.
In de Tweede Kamer zijn veel partijen tegen het middel, maar een stemming voor een totaalverbod haalde geen meerderheid.
 

 

Geile trollen en oereten

zomer 2015, Bouillon Magazine

Een tak druipend van dauw slaat in mijn gezicht. In de verte klinkt een schor geluid. Als gehypnotiseerd zoek ik door het nachtelijke woud een weg in de richting van het geluid. Een gebocheld wezentje, met een mantel van stro, verspert me de weg. Op zijn hoofd prijkt een puntmutsje. 'Gggg…ggggg,' murmelt de trol nog maar eens, en fixeert me met zijn ogen. Ik voel me als getroffen door de bliksem, zoals in de boeken van Harlequin. Wild van verlangen ruk ik de kleren van mijn lijf en werp me aan zijn stompe trollenvoeten, waarna we de liefde bedrijven op het natte bladerdek. 
 
Een bruut geloei brengt me terug bij mijn positieven. Koeienbellen rinkelen, een haan kraait. Door de gordijnen schemert het daglicht. Verward denk ik terug aan mijn nachtelijke amourage. Dat was niet zomaar een droom. Het weerzinwekkende wezentje dat Trauco heet, heeft de reputatie van een ware womanizer op Chiloé, de eilandenarchipel in het noorden van Chileens Patagonië. Volgens de legende zou de trol het hebben voorzien op jonge maagden, om hen, betoverd door erotische dromen, van hun maagdelijkheid te beroven. 
 
En zo doen er nog heel wat andere legendes de ronde onder de Chilotes, zoals de eilanders bekend staan. Over het spookschip Caleuche, een lang geleden vergaan Hollands piratenschip dat op mistige dagen de kustwateren bevaart, met op het dek een koor van zingende heksen. Of Pincoya, de zeemeermin die eenzame zeemannen het hoofd op hol brengt door, gezeten op een rots, met bevallige traagheid haar lange haren te kammen, en wiens sensuele dansbewegingen al dan niet goede of slechte oogsten zouden voorspellen. 
 
Wij nuchtere Hollanders zien daar natuurlijk niets in. Maar toch, wie vanaf de pont het eiland oprijdt, begint prompt aan zichzelf te twijfelen. Grote delen van Chiloé zijn overdekt met dichte oerbossen, waar met het vallen van de avond een dichte mist over neerdaalt, te danken aan de eeuwige regen op het eiland. Diezelfde mist transformeert de honderden kleine, fjordachtige baaien langs de kusten van de 41 eilanden tot het ideale decor voor intriges van trollen, heksen en ander mystiek gespuis. 
 
De eilandengroep, waarvan het 190 kilometer lange Grande Isla de Chiloé de grootste is, was honderden jaren afgesloten van het vasteland. Na de komst van de Spanjaarden brak een opstand uit onder de Mapuche-indianen ten noorden van de archipel, waarna de veroveraars zich terugtrokken op Chiloé. Met de bouw van zo'n 150 houten kerkjes poogden ze de lokale Chonos en Huilliches tot vrome christenen te bekeren, maar die gaven zich niet zomaar gewonnen. Ze hielden vast aan hun eigen goden, mythes en bijgeloof. Pas in 1826 bliezen de Spanjaarden de aftocht, waarmee ze hun laatste buitenpost in Zuid-Amerika opgaven. Chiloé werd deel van Chili, maar bleef haar eigen cultuur behouden. 
 
En die cultuur beperkt zich niet tot verhalen over zingende heksen en bronstige trollen. De Chiloten zijn de trotse eigenaren van een eigen eetcultuur, met allerhande inventieve gerechten, bestaande uit alles wat op het eiland en in de oceaan te vinden is. In het dorp Tenaún stoppen we voor milcao en chochoca, twee lokale snacks met aardappel. Er groeien een vierhonderd aardappelsoorten op de archipel, in alle kleuren en maten. Dat maakt je creatief met piepers. Onze milcao bestaat uit geraspte rauwe aardappel gemengd met aardappelpuree, gevormd tot een plat broodje, met binnenin wat chicharron, in varkensvet gebakken stukjes varkensvlees. De chochoca is van hetzelfde deeg, maar in tegenstelling tot de in de oven of pan gebakken milcao, wordt het chochocadeeg om een stok gewikkeld en gegaard boven een vuur. 
 
We volgen de onverharde weg langs de kust, slingerend over heuvels met akkers en bossen en langs dorpjes waar je volgens de reisgidsen wel vijftig jaar terug in de tijd wordt geworpen. Dat is overdreven, maar het leven is er wel zonder haast; winkelcentra of hamburgerketens zijn er niet en de wifi doet het nagenoeg nooit. De Chilotes lijken gewoon te doen wat ze al honderden jaren doen. De mannen voorzien hun gekleurde houten vissersbootjes van een lik verf, de vrouwen verkopen truien van dikke schapenwol op de markt, pal naast kraampjes met hoog opgetaste mosselen, dikke bundels zeewier en zakken vol rode, paarse en gele aardappelen. 
 
Ze houden van eten en als het even kan maken ze daar een feestje van. In Achao, een dorp op het kleinere eiland Quinchao, belanden we op het lokale Festival de la Papa, een tweedaags eetfestival ter ere van, jawel, de aardappel. Twee rijen houten gebouwtjes zijn omgetoverd tot een twintigtal eetstalletjes, waarin voltallige families in de weer zijn met het vullen van empanada's. Ze roeren in enorme stoofpotten en maken snacks met eerdergenoemde knollen. Alle lokale ingrediënten van het land en uit de zee komen in de pan terecht: varken en bonen zalm en heek, mosselen, kokkels en andere schelpdieren. Even verderop draait een lam aan het spit. Wanneer iets klaar is, gaat het linea recta naar de lange tafels. Alles wordt weggespoeld met blikken bier en literflessen met het venijnige drankje chicha de manzana.
 
Midden op het terrein stijgt rook op. In een gat in de grond brandt een stapel hout, ernaast staat een grote zak schelpdieren. Het zijn de voorbereidingen voor een curanto al hoyo, de fameuze stoofpot, gemaakt in een grondoven, met daarin zo'n beetje al het eetbare dat op en rond het eiland te vinden is. De curanto (mapuche voor steen verwarmd in de zon) is misschien wel het oudste gerecht ter wereld, met een bereidingswijze nagenoeg dezelfde als in de zesduizend jaar oude stoomoven die op Chiloé is aangetroffen, met daarin resten van vissen, vogels, schelpdieren en zelfs walvissen. 
 
Wanneer het vuur de stenen onderin het gat heeft verwarmd, keren twee mannen de jutezak met mosselen, kokkels en andere schelpdieren om boven het gat, gevolgd door hompen gerookt varken, dikke chorizoworsten, kippenpoten en brokken koe, afgedekt met een laag nalcabladeren, een lokale plant. Daar bovenop gaan hele aardappels en bonen, gevolgd door weer een laag bladeren en een verzameling milcaos en chapaleles, vergelijkbaar met milcaos maar dan gemaakt van aardappelpuree, bloem en chicharron. Tot slot gaat er een laatste laag bladeren over het geheel, waarna de prehistorische stoomoven een deksel krijgt van plastic. Plastic? Ja, ook de Chiloé gaat met zijn tijd mee. 
 
Anderhalf uur later, welbesteed met het eten van wel een dozijn empanada's, weggespoeld met veel bier en chicha, gaat het dak van de curanto. Alles wordt uit het gat geschept, over borden verdeeld en geserveerd met een stuk citroen en pebre, de salsa van fijngesneden tomaat, zout, ui, rode peper, en koriander. Onwennig nemen we een hap van de curieuze mix, onder het toeziend oog van opgewonden Chiloten. Het vlees is hartig en de schelpdieren een beetje taai door de lange kooktijd, maar het smaakt geweldig. Net als al die andere dingen die ze ons voorzetten, zoals de cazuela, een heldere soep met zacht gestoofd lam, pompoen, aardappel, mais en zeewier. Of de papa rellena, een gefrituurd deeg van aardappel, gevuld met kleingesneden zeevruchten. We eten zelfs een taart van aardappel, met een dikke laag chocola. 
Trol Trauco zou er zijn dikke vingers bij aflikken. 
 
Drugs worden in Argentinië ook normaal

04-07-2015, Het Parool

De narcohandel wint terrein in Argentinië. Verarmde stedelijke zones worden overgenomen door drugsbendes, met toenemende criminaliteit, geweld en sociale problemen als gevolg.

'Ga er niet heen. Ze vermoorden je," waarschuwen de Cordobeses iedereen die een kijkje wil nemen in La Quinta, de beruchtste narcobuurt van het Argentijnse Córdoba, met anderhalf miljoen inwoners de tweede stad van Argentinië en het knooppunt voor cocaïnesmokkel vanuit Bolivia naar andere grote Argentijnse steden. 'Ze' zijn de narco's en hun netwerk van soldados: jargon voor het legertje buurtjongens dat voor de drugsbendes in La Quinta en een twintigtal vergelijkbare buurten in Córdoba werkt.

De veelal nog minderjarige jongens houden de wacht op straat, bezorgen drugs of bemannen de 'kiosken' van waaruit de drugs - cocaïne, marihuana en amfetaminen - worden verkocht. Conflicten, van bendeafrekeningen tot handelsruzies, worden in de regel opgelost met kogels. 

"Meestal schieten ze in het been, als waarschuwing," zegt buurtwerker Mariano Oberlin (41) tijdens een rondleiding door La Quinta, een troosteloze verzameling eenvoudige lage huisjes, uitgebrande autowrakken en hier en daar een krottenwijkje, naast clandestiene vuilnisbelten. "Maar geregeld valt er ook een dode. Soms wel drie in een maand." 

Drugshandel is een groeiend probleem in Argentinië. Vooral de laatste tien jaar nam zowel de export en verkoop als het gebruik van drugs sterk toe. Daarbij worden in toenemende mate drugs geproduceerd in zogenoemde cocinas, 'keukens', waar cocapasta wordt bewerkt tot cocaïne en crack. Een deel daarvan verdwijnt via de havens van Buenos Aires en Rosario naar Europa en de Verenigde Staten, de rest is voor eigen consumptie. 

Tot begin deze eeuw gold Argentinië vooral als doorvoerland voor buitenlandse drugskartels op de route naar Europa. In de jaren negentig nam ook de binnenlandse vraag naar cocaïne en marihuana toe. 

Het was echter pas na de crisis van 2001 dat de drugshandel tot volle bloei kwam. Mexicaanse en Colombiaanse drugskartels zagen zich door de harde aanpak van de narcohandel op eigen terrein genoodzaakt hun routes te verleggen, met name naar Brazilië en Argentinië - beide grenzend aan coca- en marihuanaproducerende landen, met grote internationale havens en een economische infrastructuur die geschikt is voor witwaspraktijken. 

Met het toenemen van de handel nam ook de aanwezigheid van buitenlandse drugsorganisaties toe. "De havens ten westen van Buenos Aires, inclusief Rosario, worden gecontroleerd door de Colombianen; Mexicanen zijn de baas in het noorden van Buenos Aires; de Bolivianen smokkelen vanuit het noorden en controleren Salta, en de Peruanen doen hetzelfde vanuit de provincie Jujuy, tot aan Bajo Flores in Buenos Aires," zegt Association Argentina Antidrogas-directeur Claudio Izaguirre in de Argentijnse krant Clarín. "En de tussenpersonen zijn vaak Argentijnen." 

Maar Argentinië dankt de opmars van de drugsbazen aan meer dan alleen geografie. In de praktijk blijken de narco's relatief ongestraft hun gang te kunnen gaan. Het onderzoek van justitie beperkt zich hoofdzakelijk tot gebruikers en de kleine dealers, de allerlaatste schakels in de drugsketen. Slechts zo'n drie procent van alle drugsgerelateerde onderzoeken was gericht op de narcohandelaren, blijkt uit recente cijfers van de Argentijnse justitie. 

"Alleen gebruikers en kleine verkopers van drugs worden opgepakt en veroordeeld. De rest van de drugsketen, waar de drugs vandaan komen en waar het geld heengaat, wordt niet onderzocht," zegt journalist Juan Federico, die een boek schreef over de narcohandel in Córdoba. "Zo is het sinds 1989 in slechts vijf witwaszaken tot een uitspraak gekomen." 

De opmars van de narcohandel is vooral zichtbaar in de steden, waar de drugsbendes zich installeren in arme, gemarginaliseerde wijken. In Córdoba worden inmiddels 23 van de 380 buurten beschouwd als 'gecontroleerd door narco's', volgens een onderzoek van het Observatorio Seguridad Ciudadana de Córdoba, een ngo (niet-gouvernementele organisatie) die de veiligheid in de provincie onderzoekt. In nog eens veertig buurten is de narcohandel in opkomst. 

De handel leidt ook tot grote sociale problemen. "Ik zie jongens van acht hun eerste joint roken," zegt Oberlin, die een werkplaats voor jongeren runt in Maldonado - één van de vijf buurten van La Quinta. 

"Zeventig, tachtig procent van de jongeren gebruikt drugs. Maar nog schadelijker is de handel, die op zijn beurt criminaliteit en bendeoorlogen veroorzaakt. Wanneer de jongens daarbij betrokken raken, is het heel moeilijk daaruit te komen." 

In de zes jaar dat Oberlin in Maldonado werkt, heeft hij de drugsbendes geleidelijk de buurt zien overnemen. De armoede en werkloosheid in buurten als deze is sinds de Argentijnse schuldencrisis in 2001 hoog gebleven. Veel jongeren stoppen voortijdig met school. Oberlin: "De drugshandel is een uitweg." 

Daarbij voorzien de narco's in wat Oberlin 'sociale netwerken' noemt. "Ze paaien de bewoners met een feestje hier, een nieuw dak op het huis, shirts voor het voetbalteam. In feite betekenen ze meer voor de buurt dan de overheid." 

Sterker, volgens vele stemmen - buurtbewoners, journalisten, onderzoekers - is dezelfde overheid in sommige gevallen actief betrokken bij de handel. De corruptie varieert van politieagenten die steekpenningen aannemen tot directe financiering van politieke partijcampagnes met drugsgeld. 

Zo zouden in 2007 verschillende politieke campagnes, waaronder die van president Cristina Kirchner, zijn gesponsord door dezelfde farmaceuten die van efedrinehandel met Mexicaanse drugskartels worden verdacht. Een onderzoek loopt nog. 

In Córdoba is de link tussen narco's en de autoriteiten nog directer, onthulde het lokale onderzoeksjournalistiekprogramma ADN in een serie. Zo vertelde een voormalige informant van de lokale antidrugseenheid hoe de politie niet alleen samenspande met de narco's, maar ook delen van ingenomen drugs achterhield om door te verkopen. 

Kort daarna werden de chef van de eenheid en nog vijf agenten aangehouden. Aanvankelijk hield de provincieregering de politietop de hand boven het hoofd, maar de publieke verontwaardiging daarop was zo groot dat de chef van de politie en de provinciale minister van Veiligheid hun aftreden aankondigden. 

Maar waar de politie de klappen opvangt, gaat de politiek doorgaans vrijuit. In een vervolgaflevering van ADN zien we hoe oud-parlementslid en functionaris van regeringspartij Partido Justicialista Liliana Juncos een dubbelleven blijkt te leiden als drugsbazin. Undercovers voorzien van verborgen camera's presenteerden zich als dealers bij het huis van Juncos in La Quinta, die nietsvermoedend voor de camera onderhandelt over een cocaïnedeal. 

Het was niet de eerste keer dat Juncos, vertrouwelinge van provinciegouverneur José Manuel de la Sota, werd gelinkt aan drugshandel. Al voor haar aantreden als parlementslid in 2003 stond ze terecht voor betrokkenheid bij heroïnesmokkel. Daarbij staan haar ex-man, zoon en stiefzoon bekend als grote drugsdealers in Córdoba. In 2010 werd ze gelinkt aan de moord op een meisje (4) in dezelfde buurt, wier moeder drugs zou hebben verkocht voor Juncos. 

Maar tot een veroordeling kwam het nooit, ook niet nadat Juncos in 2007 werd betrapt op het uitdelen van choripan y porro (worstenbroodjes en marihuana) om stemmen te werven voor regeringspartij PJ in La Quinta. "Daar zie je de belangrijkste link tussen narco's en politiek," zegt journalist Federico. "De punteros vormen de schakel tussen de politieke macht, de buurt en de narco's. De puntero verzekert de partij van stemmen, met geld van de narco's. In ruil daarvoor kijkt de politiek de andere kant uit." 

"Alle instituties zijn betrokken, daar is geen twijfel over mogelijk," bevestigt Alejandra Oliva van het Observatorio de Seguridad Ciudadana en tot voor kort vervangend minister van Veiligheid. Een post die ze 'gedesillusioneerd' verliet. "Er is geen overheidsbeleid of onderzoek van de justitie om de handel aan te pakken. Drugshandel is de winstgevendste business ter wereld. Het komt niemand goed uit er iets aan te doen."

Exponentiële groei

De Argentijnse narcohandel is exponentieel gegroeid. Werd in 1998 negenhonderd kilo cocaïne onderschept aan de grens met Bolivia, in 2011 trof de marechaussee in één vrachtwagen al een ton aan. 

Volgens het jaarlijkse drugsrapport van de VN uit 2013 eindigde Argentinië tussen 2001-2010 op de derde plaats van herkomstlanden van onderschepte coke ter wereld, na Brazilië en Colombia. Daarbij groeide de binnenlandse consumptie van coke tussen 1999 en 2006 van 1,9 procent naar 2,6 procent van de bevolking. 

Ook werd tussen 1999 en 2010 55.900 kilo efedrine, voor de productie van methamfetaminen, geïmporteerd. Daarvan werd zeker 9800 kilo verscheept naar drugskartels in Mexico, bleek uit onderzoek van de Argentijnse justitie.

Trein naar de hemel

23-05-2015, Volkskrant Magazine

'Gaat ze op me spugen?' De Canadese kijkt vertwijfeld. Dát had ze niet voorzien toen ze zich opwierp als vrijwilliger voor het traditionele reinigingsritueel waarmee de dorpssjamaan nu haar demonen poogt te verjagen. Toch stemt ze in. Als de priesteres van een indianengemeenschap in de jungle van Ecuador het nodig acht om argeloze toeristen te bespugen, dan moet dat maar. Het medicijnvrouwtje pakt een plastic fles gevuld met een mosgroene vloeistof, neemt een slok en sproeit dan vol overgave de inhoud over de Canadese heen. Prrrsst! Met groen bevlekte kleren en lichtelijk ontdaan loopt de toeriste terug naar haar plek. Vrij van kwade geesten, dat wel.
 
Het bezoek aan de indianen is onderdeel van de reis met de Tren Crucero - cruisetrein, letterlijk vertaald. De trein voert in vier dagen van kuststad Guayaquil naar de Ecuadoraanse hoofdstad Quito, dwars door tropische jungle, mistige nevelwouden en over gure hoogvlaktes, onderweg talloze vulkanen passerend. De Canadese kan dus wel een beetje bescherming van hogerhand gebruiken. 
 
Tientallen jaren lag het spoor te vergaan, overbodig geworden door de opening van de Pan-Amerikaanse snelweg die er zo'n beetje pal naast ligt. Maar president Rafael Correa, gek met infrastructuur, besloot met een investering van 200 miljoen euro de lijn te renoveren. En zo rijdt er sinds eind 2013 weer een trein op dit traject. Weliswaar maar eens per week en bedoeld voor toeristen, maar toch. 
 
Het langsrijden van de knalrode trein blijft een evenement, zo blijkt bij het uitrijden van het station van Guayaquil. Net als in elk gehucht, dorp of stad hangen de Ecuadoranen zwaaiend en joelend uit de ramen, het spektakel filmend met hun telefoons. 'Hé, gringo's!' 
 
Het spoor voert langs de buitenwijken van miljoenenstad Guayaquil, met onooglijke huizen van grijze blokken steen en daken van golfplaat, gevolgd door eindeloze bananen-, rijst- en suikerrietplantages. De hitte is tropisch, het geluid van de langzaam rijdende trein op de rails - tok tok, tok tok - loom en geruststellend. Ontspannen staan we op het balkon en we zwaaien enthousiast terug naar de toeschouwers, als waren we een koninklijk gevolg. 
 
Lees verder op Blendle:
 
 
 
De schoot van Moeder Aarde

28-02-2015, Het Parool

Marcela Ponce schopt demonstratief haar schoenen uit en plant haar blote voeten op de warme grond. "Zo neem je de energie uit de aarde beter op," verklaart de Argentijnse uit Buenos Aires opgeruimd. "Welke energie? Die van Pachamama natuurlijk. De bergen zitten vol mineralen."

En zo komen we de godin van Moeder Aarde wel vaker tegen in de Quebrada de Humahuaca, een 170 kilometer lange vallei in het bergachtige noordwesten van Argentinië, in de provincies Salta en Jujuy. Plastic flessen met restanten chicha (een maïsdrankje) en zakken cocabladeren langs de bergweggetjes verraden offers die de valleibewoners hebben gebracht om de godin gunstig gestemd te houden, en ook de plens drank die steevast de grond in gaat alvorens de fles aan de mond wordt gezet, moet haar tevreden houden.

Dat ontzag voor de natuur is te begrijpen. De door de vele mineralen in de grond roestrood, kopergroen en okergeel gekleurde bergen aan weerszijden van de vallei doen bijna surrealistisch aan, met door neerslag en wind in bizarre vormen uitgesleten bergtoppen, en als enige begroeiing dikke cactussen die hun harige vingers provocerend de felblauwe lucht in steken, als een saluut aan de ongenadig brandende Andeszon.

De vallei begint op een kleine twee uur rijden ten noorden van provinciestad San Salvador de Jujuy en strekt zich uit tot aan de Boliviaanse grens. Moderniteiten als winkelcentra, reclameborden of zelfs maar een stoplicht zal je langs dit verlaten deel van de Ruta 9 niet tegenkomen. Groter is de kans dat je moet stoppen voor een kudde overstekende lama's, voortgedreven door een boer met breedgerande hoed die traag op een homp cocabladeren kauwt.

'Het authentieke Zuid-Amerika' noemen de reisgidsen het Argentijnse noordwesten. "Bolivia," zeggen sommige arrogante Argentijnen, verwijzend naar de Andescultuur van zijn inwoners. Anders dan in de rest van Argentinië zijn de meeste bewoners van de vallei indígenas: het zijn afstammelingen van de Omaguaca's en Tilcara's, die tienduizend jaar geleden als eerste de vallei bevolkten en die hun cultuur ondanks de eeuwen van Spaanse overheersing wisten te behouden.

En die invloed is overal merkbaar. Zo eet je in dit deel van Argentinië niet de alomtegenwoordige milanesa (soort schnitzel) of pizza, maar geroosterde lama, tamales en humitas: hartige vulling in gestoomde maïsbladeren. Als je het geluk hebt die maaltijd in een peña te verorberen, is de kans groot dat na de maaltijd de tafels in het clubhuis aan de kant gaan om te dansen op de vrolijke volksmuziek van een veelkoppige band met ijle fluiten en een charango, een snaarinstrument. Maar het grootste verschil maken de mensen. Ze zijn kleiner en donkerder dan hun Argentijnse landgenoten, en leven volgens dezelfde tradities als hun voorouders, in harmonie met eerdergenoemde Pachamama.

Tot voor kort was de vallei toeristisch onontgonnen gebied, waar je hooguit een avontuurlijke backpacker aantrof, maar de laatste tien jaar trekt de Quebrada een groeiende stroom toeristen - meestendeels Argentijnen, die sinds de crisis in 2001 vaker in eigen land op vakantie gaan. Met duizenden per jaar bezoeken ze het postzegeldorpje Purmamarca, een gehucht met smalle straatjes van aangestampte aarde in de schaduw van de Cerro de Siete Colores, een door een geologische twist van de natuur in zeven kleuren gestreepte rotsformatie, en rijden daarna door naar de verblindend witte Salinas Grandes, de stille, immense zoutmeren nabij Purmamarca.

Huid als leer

Minder filmisch, maar authentieker is Tilcara: een koloniaal dorp halverwege de Quebrada, berucht om de wind die elke namiddag het stof door de straten jaagt. "Weet je wat Tilcara betekent?" vraagt barman Diego van het dorpscafé en de boekwinkel Ma'Koka. Hij wijst naar de Andeszon, ongenadig op deze 2800 meter hoogte. "Door de zon en de wind is onze huid als leer: tilcara, in de taal van mijn voorouders."

Maar wanneer die wind is uitgeraasd en de bewoners uit hun siësta ontwaken, komt het dorp tot leven. Kinderen in schooluniformen zwermen uit over het dorpsplein, waar verkopers hun alpacatruien aan de toeristen proberen te slijten, terwijl de locals in onooglijke cafeetjes bijeenkomen voor hun dagelijkse api con pastel: de zoete, kruidige drank van rode maïs met een soort van kaassoufflé, een populaire namiddagsnack uit de Andes.

Net buiten de vallei ligt Iruya, een zeer afgelegen dorp, volgens velen het mooiste van het noordwesten. Imposante rotsformaties torenen dreigend boven het dorpje uit. De smalle straatjes, niet meer dan drie rondjes om een okergeel geschilderd kerkje, zijn stoffig en hobbelig, de lage huisjes geschilderd in lichtgeel en mintgroen. Je hoort er geen auto's, maar mekkerende geiten, het gebalk van een nukkige muilezel en de onvermijdelijke haan.

Je komt er met een lokale bus vanuit Humahuaca, via vijftig kilometers over een onverharde, smalle bergweg, die een adembenemende hoogte van vierduizend meter bereikt. Als je weer afdaalt tot de rivierbedding van de vallei, arriveer je bij het tussen de bergen verscholen kleine dorpje. Iruya is letterlijk het einde van de weg: wie naar de dorpjes wil die nog dieper in de bergen liggen, kan vanaf hier alleen te voet verder, hink-stap-springend over de stenen in de rivier.

"Magisch," noemt de Argentijnse Federico Cabrera het bergdorp. "Ik vind dit de mooiste plek in Argentinië. Het is zo afgelegen dat je je meteen ver weg voelt van de dagelijkse realiteit. Maar nog meer kom ik voor de warmte van de mensen, en hun cultuur. Ze leven met respect voor de natuur, la Pachamama. Dat vind ik bijzonder."

De nacht valt in Iruya. "Doen jullie wel de deur op slot?" vraagt onze doorgaans gemoedelijke pensionhoudster Maria, haar blik bezorgd. "Anders komt de ezel binnen. Dat rotbeest eet al mijn planten op."

Wij, stadse rugzaktoeristen, schieten in de lach. Als de enige dreiging afkomstig is van een roofzuchtige ezel, kunnen we met een gerust hart gaan slapen.

3x slapen

€€€ Hostal Posta de Purmamarca

Mooie bungalows met uitzicht op de zevenkleurige berg, vanaf €87 voor twee.

www.postadepurmamarca.com.ar

€€ La Posadita, Tilcara

Kleine herberg met kamers uitkijkend over de vallei. €45 voor een tweepersoonskamer.

www.laposadita.com.ar

€ Hospedajes Iruya

In het dorpje Iruya zijn verscheidene kleine informele hospedajes waar je voor ongeveer €5 per persoon de nacht kunt doorbrengen. Voor de luxepaarden is er Hotel Iruya, vanaf €91 voor twee personen.

www.hoteliruya.com

REISINFORMATIE

Vlucht KLM vliegt rechtstreeks van Schiphol naar Buenos Aires, veel andere maatschappijen met een tussenstop in Europa of de VS.

Vluchtduur

ca. 10,5 uur

Gemiddelde prijs retourticket €830

In Buenos Aires neem je een binnenlandse vlucht naar Salta of San Salvador de Jujuy (vanaf €190 voor een retour BA-Salta of BA-Jujuy met Aerolíneas Argentinas), waarna je via de Ruta 9 met auto of bus de Quebrada in rijdt, een kleine twee uur vanuit San Salvador.

 

Alle in de tekst genoemde dorpen liggen aan de Ruta 9, behalve Iruya: daarvoor moet je vijftig kilometer over een onverharde weg rijden. Check bij regen of de weg begaanbaar is.

 

Gemiddelde prijzen:

Maaltijd

€6 voor een lunchmenu

Biertje

€4 voor een literfles

(Prijzen volgens officiële koers, met de parallelle dollar betaal je een derde minder)

 

Foto José Luis Cabrera

 
Argentinië nadert het uur van de waarheid

21-02-2015, Het Parool

'Nisman beschuldigde de regering en nu is hij dood. Er moet gerechtigheid komen," zeggen Laura en Maria, moeder en dochter uit het Argentijnse Córdoba. Minutenlang klappen ze mee met de duizenden andere demonstranten die zich hebben verzameld in het centrum van de stad en de honderdduizenden landgenoten elders in Argentinië. Als een eerbetoon aan openbaar aanklager Alberto Nisman, maar vooral om een einde te maken aan de straffeloosheid die volgens veel Argentijnen het land regeert.

Precies een maand geleden, op zondag 18 januari, werd de openbaar aanklager dood aangetroffen in de badkamer van zijn appartement in Buenos Aires. De timing was opmerkelijk: vier dagen daarvoor had Nisman president Cristina Fernández de Kirchner en haar minister van Buitenlandse Zaken Héctor Timerman ervan beschuldigd de Iraanse betrokkenheid te verhullen bij de terroristische aanslag in 1994 op het Joodse gemeenschapshuis Amia in Buenos Aires. De maandag erna zou hij zijn beschuldigingen toelichten voor het Congres. "Ik kan hier dood uitkomen," zei Nisman tegen de media. En zo geschiedde.

De vooralsnog onopgehelderde dood van de aanklager heeft het toch al diep gewortelde wantrouwen in de Argentijnse autoriteiten nog verder doen toenemen. "Deze regering is nog slechter dan de vorige. De politici intimideren de rechters en aanklagers, zodat er geen gerechtigheid mogelijk is," zegt moeder Laura, die niet met haar achternaam in de krant wil. "Iedereen is corrupt," valt haar dochter haar bij. "Dat komt omdat je daar in Argentinië ongestraft mee wegkomt."

Daarbij bracht de zaak een diepe politieke en institutionele crisis aan de oppervlakte, die openlijk wordt uitgevochten in de al even gepolariseerde media van het land. Zo zei Elisa Carrió, vertegenwoordiger van de oppositie in het Argentijnse parlement, in antiregeringskrant Clarín ervan overtuigd te zijn dat de regering betrokken was bij de dood van de aanklager. "Ik wist dat ze roofden en systematisch logen, maar dat ze ook in staat waren tot moord had ik niet gedacht," aldus de politica, die tevens kandidaat is voor de oppositiecoalitie Coalición Civica bij de verkiezingen op 25 oktober.

"Ze gebruikten hem levend en nu hadden ze hem dood nodig," repliceerde een furieuze president Kirchner drie dagen na de vondst van het levenloze lichaam van Nisman op haar regeringswebsite. Twee dagen eerder had ze zijn dood nog beschreven als 'zelfmoord', in lijn met de conclusie van openbaar aanklager Viviana Fein, hoofdonderzoeker in de zaak-Nisman. In haar tweede schrijven gooide ze het over een andere boeg en stelde ze dat Nisman het slachtoffer is geworden van een complot waarbij de Secretaría de Inteligencia (SI), de nationale inlichtingendiensten, de aanklager van valse informatie voorzagen om haar regering in diskrediet te brengen.

Haar reactie kwam Kirchner in nationale en internationale media op een golf van kritiek te staan. Een president zou zich niet moeten mengen in een lopende zaak, menen veel critici. "De president en de oppositie zijn zo gepolariseerd dat de zaak meer op politiek dan op juridisch niveau wordt uitgezocht," zei jurist Luis Moreno-Ocampo, oud-hoofdaanklager van het Internationaal Strafhof tegen de BBC. Kirchner echter vindt dat zij 'net als iedere andere Argentijnse burger' het recht heeft zich te verdedigen tegen wat ze beschouwt als valse aantijgingen aan het adres van haar regering.

In 2004 stelde ex-president Néstor Kirchner, de in 2010 overleden echtgenoot van de huidige president, Nisman aan als speciaal onderzoeker in de zaak-Amia. Het onderzoek naar de aanslag liep op dat moment al tien jaar, maar werd kort voor Nismans aanstelling ongeldig verklaard vanwege, jawel, verdenkingen van het verhullen van Syrische betrokkenheid bij de zaak. Onder de verdachten bevonden zich de (van oorsprong Syrische) ex-president Carlos Saúl Menem, twee ex-chefs van de Argentijnse geheime dienst en een rechter. Als de zaak niet nogmaals wordt uitgesteld, zullen zij en andere verdachten zich in juni van dit jaar moeten verantwoorden in de rechtbank.

Nismans focus lag van begin af aan op vermeende Iraanse betrokkenheid bij de aanslag, waarbij 85 mensen om het leven kwamen. In 2006 beschuldigde hij Iran formeel als brein achter de aanslag, die zou zijn uitgevoerd door de Libanese beweging Hezbollah. In navolging van die beschuldiging vroeg Argentinië in 2007 Interpol om de arrestatie van vijf Iraanse functionarissen, onder wie een Iraanse oud-diplomaat van de ambassade in Buenos Aires.

Tot op de dag van vandaag heeft Iran hieraan geen gevolg gegeven, ondanks een herhaald verzoek om uitlevering door de huidige president Kirchner in 2009. Groot was dan ook de verrassing toen begin 2013 de twee landen aankondigden een waarheidscommissie op te richten om de beschuldigingen samen te onderzoeken. Volgens Nisman was de waarheidscommissie in feite een dekmantel voor een geheime deal om de arrestatiebevelen te laten vallen. Als tegenprestatie zou Iran olie leveren, in ruil voor Argentijns graan en wapens. Argentinië heeft een groot tekort aan energie en kan de olie daarom goed gebruiken, schrijft Nisman in zijn inmiddels openbaar gemaakte 289 pagina's tellende onderzoeksrapport.

Zijn beschuldigingen baseerde hij op verslagen van afgeluisterde gesprekken tussen Iraanse en Argentijnse regeringsfunctionarissen. De telefoontaps, waarvan er vijf op de website van antiregeringskrant La Nación zijn af te luisteren, werden hem aangeleverd door spionnen van de SI. Kort daarop kondige Kirchner aan de geheime dienst te zullen ontbinden, om een nieuwe, transparantere inlichtingendienst op te richten.

De SI is nog grotendeels dezelfde als ten tijde van de dictatuur (1976-1983), verklaarde de president. De dienst is berucht in Argentinië om de omvangrijke spionagedossiers waarmee lastige politici, rechters en journalisten onder druk worden gezet om een meer regeringsgezinde koers te varen. Maar nu lijkt die dienst zich tegen de eigen regering te hebben gekeerd.

Sleutelpersoon in het verhaal is Antonio Stiuso, die veertig jaar lang voor de dienst gewerkt zou hebben. De laatste jaren was hij chef operaties onder de regering-Kirchner, totdat hij afgelopen december plotseling werd ontslagen.

Veel van de informatie in het rapport van Nisman was hem toegespeeld door Stiuso, vertelde de aanklager op 14 januari in een televisieinterview, kort nadat hij zijn beschuldiging openbaar had gemaakt. Maar volgens Kirchner waren de inlichtingen van Stiuso vervalst en zouden twee spionnen die Nisman verder noemt, nooit voor de dienst hebben gewerkt.

Vorige week bereikten de spanningen een nieuw hoogtepunt toen Nismans opvolger in de zaak, aanklager Gerardo Pollicita, rechter Daniel Rafecas verzocht een gerechtelijk onderzoek in te stellen naar Nismans beschuldigingen aan het adres van Kirchner. In de loop van komende week moet duidelijk worden of die voldoende bewijs ziet om het onderzoek doorgang te laten vinden. Pas dan zal Kirchner kunnen worden opgeroepen om te getuigen.

De kans dat de president nog tijdens haar kabinetsperiode zal worden gearresteerd, is minimaal. Behalve dat daarvoor een meerderheid van het Congres nodig is, zal het onderzoek vermoedelijk niet voor de verkiezingen van 25 oktober zijn afgerond. Kirchner is overigens geen kandidaat, omdat de Argentijnse grondwet geen derde termijn toestaat.

Kabinetschef Jorge Capitanich noemde de aanklacht 'de grootste juridische coup ooit in de Argentijnse geschiedenis', en 'een enorme persoperatie om de politiek te destabiliseren, zonder enige juridische betekenis'. Daarbij publiceerde de regering een 68 pagina's tellend document waaruit zou blijken dat Nisman geen enkel bewijs had die zijn beschuldigingen hard zouden maken.

Jurist Moreno-Ocampo, die als openbaar aanklager kopstukken uit de tijd van de militaire junta vervolgde, deelt die mening. "Nisman heeft geen bewijzen dat de president zich schuldig maakte aan verhulling," zegt hij tegen Radio America. "Dat is niet erg, want een aanklager hoeft ook nog geen bewijzen te hebben. Hoe dan ook zal rechter Rafecas de zaak moeten onderzoeken, en ook de president moet er alles aan doen de zaak zo snel mogelijk op te lossen, zodat ze haar regeringsperiode waardig kan afsluiten."

Ondertussen blijft de dood van de aanklager een raadsel. Vooralsnog houdt de aanklager alle opties open - moord, zelfmoord of de zogenaamde 'opgelegde zelfmoord', een klassieker in de Argentijnse traditie van politieke aanslagen. Maar wie er ook achter zat, duidelijk is dat zijn dood de regering-Kirchner in een diepe politieke en institutionele crisis heeft gestort. Met nog acht maanden te gaan tot de komende presidentsverkiezingen zal het lastig worden die schade nog in te halen.

Het hoofd koel

14-02-2015, Volkskrant Magazine

Van de ijzige wind die in vlagen over het zwemwater jaagt lijkt niemand zich iets aan te trekken. Van de regen ook al niet trouwens, behalve een paar dik ingepakte badmeesters aan weerszijden van het bad die, zodra de eerste druppels vallen, geroutineerd een parasol omhoog draaien. 

We zijn in het London Fields Lido, het buitenbad in het gelijknamige stadspark in Hackney, Londen. Jongelingen in Speedo’s crawlen pijlsnel door het dampende water van de fast lanes. Een paar banen verderop glijden bejaarde Britten bijna stoïcijns door het water. Wie uit het water komt doet dat gracieus, alsof de temperatuur niet net boven het vriespunt ligt.

Het is een ware cultus onder de Londenaren: Buitenzwemmen, all year round. Het klimaat mag er dan volstrekt ongeschikt voor zijn, bijna alle buitenbaden en zwemvijvers in de Londen zijn het hele jaar open, en trekken ook in de wintermaanden vele bezoekers. 

Spartaans? Valt wel mee. Oké, het stukje van de kleedkamers naar het bad is ijzingwekkend koud. Dat de kluisjes buiten zijn helpt ook niet echt - zie maar eens rillend en wel zo'n rottig twintig pence muntje erin te gooien. Maar wie deze horde eenmaal heeft genomen wacht, letterlijk, een warm bad. Het London Fields Lido is als een van de weinige buitenbaden verwarmd tot een aangename graad of 25.

Het bad is populair onder de bewoners van Hackney, het district ten noorden van de Londense City. Het in 1932 gebouwde complex was achttien jaar dicht, maar werd in 2006 na een hardnekkige lobby van buurtbewoners gerenoveerd en heropend. Nu is het, ook in de koude jaargetijden, in het weekend zo druk dat badgasten in shifts dienen te zwemmen.

'If you can live in London you can put up with everything,' verklaart John, een dikbuikige Londenaar van in de vijftig, de populariteit van het winterzwemmen onder de stedelingen. Hij puft uit aan de kant, met alleen zijn hoofd boven water. 'Het is een wonder dat ik het naar de overkant heb gehaald,' zegt hij met gepast gevoel voor dramatiek. Een baan verderop in de medium lane schoolzwemt zijn vrouw verbeten heen en weer. Dat doet ze elke dag, vertelt John, met gespeelde verbazing.

'Zwemmen in de winter is verfrissend,' zegt een student 'En goed voor je hart,' valt zijn vriend hem bij. 'Nou ja, dat weet ik eigenlijk niet,' zegt hij, schouderophalend. ´Ah kijk, het regent. Hoeveel baantjes zullen we nog doen?'

 
Snacken op wielen

10-01-2015, Het Parool

'Wanneer heeft ú voor het laatst gelachen?" vraagt de clown aan een bus vol Ecuadoranen. Meewarige blikken zijn het antwoord. Onverstoorbaar praat de clown verder - een beetje weerstand hoort erbij. Een minuut of tien later reikt hij naar het bagagerek, en tovert daar een doos chocoladerepen tevoorschijn. "U lacht, nu moet u chocola kopen," zegt hij streng tegen een passagier voor in de bus. Vertwijfeld diept die maar wat kleingeld op.
 
Ecuadoranen zijn een handelslustig volkje. Rondom de bussen, hét vervoermiddel in Ecuador, bestaat een grote grijze economie van wandelende eenmanszaakjes. Je vindt ze bij het busstation of gewoon in de bus, en ze verkopen nagenoeg alles - van chips en cola tot nep-Rolexen en potjes met Chinese wondermiddeltjes. Eens zag ik zelfs een man twee puppy's verhandelen. 
 
Het avontuur begint op het busstation van Quito. Tientallen ticketverkopers overschreeuwen elkaar met hun bestemmingen, houden je staande en vragen: "Waar wil je heen, mi amor? Ik breng je ernaartoe! Vamos, vamos!" Met vele concurrerende maatschappijen is het dan zaak een kaartje te kopen voor de snelst vertrekkende bus. Een wijze les: ahorita, een verkleinwoord van het Spaanse 'nu', betekent ongeveer hetzelfde als 'reken er maar niet op dat ik binnen een half uur vertrek'.
 
Potjes pillen uit de dokterstas
 
Gelukkig is het wachten een waar culinair festival. Bij de vertrekplatforms staat een bataljon straatverkopers klaar om wat dan ook aan de man te brengen. Zoete en hartige empanadas, vers geblende fruitshakes en alle mogelijke soorten snoep, zoete broodjes en chips van cassave of bakbanaan - alles voor hooguit een dollar. 
 
Ook de reis zelf kost weinig, ongeveer één dollar per uur reistijd. Daarvoor krijg je een meestal verrassend comfortabele stoel en extraatjes als constant pompende reggaeton en nagesynchroniseerde schietfilms op vol volume. Toegegeven, de airconditioning doet het zelden en de wc nagenoeg nooit, maar het uitzicht op de Andes en de eerder genoemde service on board maken veel goed. 
 
De verkoopmethoden van deze constante stroom mobiele verkopers loopt uiteen. De één rent al 'helado helado helado' schreeuwend door het gangpad, verkoopt twee ijsjes en stapt dan snel weer uit, op naar de volgende rijdende afzetmarkt. Anderen houden gerust een half uur durend betoog over de heilzame werking van ginseng, waarna met veel vertoon potjes pillen uit een dokterstas tevoorschijn worden gehaald. "Slechts vijf dollar mevrouw, maar alleen omdat u het bent." 
 
Maar de echte verrassingen komen uit de rieten manden en koelboxen waarmee om de paar kilometer een nieuw legertje straatverkopers de bus instapt. Ze verkopen vele soorten zelfgemaakte zoetigheden en hartige snacks, en zijn per regio weer anders. Kortom, voor de beste culinaire ervaring van Ecuador hoef je slechts achterover te leunen in de bus - het eten komt naar je toe. 
 
Publiekslieveling is pan de yuca, de hartige en als je geluk hebt nog warme broodjes van kaas en yucameel die zo'n beetje elke reis voorbijkomen, à 25 cent per stuk. Ook altijd goed is helado de paila, het traditionele ijs uit de Sierra: vers fruitsap en geslagen eiwitten worden vermengd in een bronzen schaal die op een bergje gletsjerijs staat. Toegegeven, tegenwoordig komt dat ijs gewoon uit de vriezer, maar het smaakt er niet minder lekker om. 
 
"Cevichocho, cevichocho, ceviche de chochoooos," klinkt het monotone stemgeluid van de volgende handelsreiziger. Het blijkt de vegetarische versie van ceviche, met de in de Andes veel gegeten lupinebonen, in plaats van rauw gemarineerde vis. Een klassieker in Ecuador, zowel op straat als in de sterrenrestaurants. De salade komt in plastic zakjes gevuld met de bonen, stukjes tomaat, rode ui en aji, de in Ecuador alomtegenwoordige dressing van rode pepers, en wordt afgemaakt met een flinke kneep limoensap, geroosterde mais en bananenchips.
 
Slapen tot de bestemming
 
Bestemming van deze reis is Cuenca, de derde en wellicht mooiste stad van Ecuador, 450 kilometer ten zuiden van Quito. De rit over de Panamericana voert door een honderden kilometers lange vallei tussen twee uitlopers van de Andes, en wordt vanwege de tientallen al dan niet uitgedoofde vulkanen ook wel de Avenida de los Volcanos genoemd. De landschappen zijn dramatisch: van ruige páramo tot mystieke nevelwouden, met hier en daar een met gletsjers bedekte vulkaantop. 
 
Mijn reisgenoten, merendeels inheemse indianen gehuld in poncho's of felgekleurde omslagdoeken, vinden de blonde gringa wat interessant. "Holanda?" vraagt een dikke vrouw die zich genoeglijk in de halve plek tussen mij, de rugzak en het raam heeft genesteld. "Ligt dat in de Verenigde Staten? Kun je daar veel geld verdienen?" Na nog enkele vragen over mijn burgerlijke staat - een ongetrouwde gringa van over de dertig roept hier veel vragen op - legt ze haar hoofd op mijn schouder en ze valt in een diepe slaap. 
 
Ook de rest van de passagiers brengt de reis grotendeels slapend door. Wellicht ligt dat aan de doorgaans tergend trage bus, die zelfs over de snelweg nog geen vijftig kilometer per uur aflegt. Hij stopt overal waar maar iemand zijn hand opsteekt, waarna de assistent uit de bus springt om bagage in het laadruim te kieperen. Maar de bus houdt evengoed halt om de assistent een tros bananen te laten kopen of om hem even een kruisje te laten slaan bij een Mariabeeld. 
 
Op de ritten die daardoor zo tien uur kunnen duren, zijn de troepen ambulante verkopers vaak de enige voedselvoorziening. Populaire snacks in de Andes zijn mote con chicharrón, een bergje zompige, witte mais met daarop gefrituurde varkenshuid; fritada van stukjes geroosterd varkensvlees; en papas con cuero, van alweer varkenshuid, maar dan met gebakken aardappels - zwaar, koolhydraatrijk eten, waar inheemse boeren in de Andes lang op kunnen teren. Ik hou het bij papipollo, de Ecuadoraanse versie van een patatje mét: gefrituurde kip en aardappels, met aji en ketchup. Muy rico. 
 
Een iets grotere culinaire uitdaging wacht bij een overstap in Ambato, een provinciestad op vier uur rijden van Quito. Op een paar meter afstand van de snelweg staat een kleine indiaanse verwoed aan een spit met cavia's te draaien. Ze veegt het zweet van haar voorhoofd, en kwast de knaagdieren nog eens in met een onbestemd mengsel van vet en kruiden. Vorsend bekijk ik mijn voormalige huisdieren, die opeens wel twee keer zo groot lijken. Misschien een volgende keer.
Klein stadje, grote trots

03-01-2015, Volkskrant Magazine

Sucre is misschien wel 's werelds charmantste hoofdstad. Denk aan hellende klinkerstraten, witgekalkte huizen met rode pannendaken en pleintjes waar de bankjes onder de palmbomen gemaakt lijken voor geliefden en voorovergebogen oudjes met hun krant op centimeters voor hun kippige ogen. Het is een plek waar je al snel niet meer weg wilt, simpelweg omdat je je er thuisvoelt.
 
Dwaal op een zaterdagmiddag door het koloniale centrum en verbaas je over de stilte van de verlaten straten, oogverblindend wit in de bakkende zon, de winkelluiken gesloten. 
 
Pas na lunchtijd, heilig voor de Sucrenses, komt de stad weer tot leven. Winkels openen hun deuren, straatverkoopsters hijsen bontgekleurde dekens met handelswaar op de rug en de straten stromen vol met luid sputterende minibusjes en vooroorlogse motorfietsen, ongeduldig gas gevend bij het rode stoplicht. 
 
Cómprame roepen de marktvrouwen op de Mercado Central, verstopt tussen grote hopen fruit, aardappels en boterbergen, traag lepelend uit een bord soep van koeienpoten: 'Koop van mij. Ik heb papaya, perziken, bananen...' Voor de nodige couleur locale ga je naar de Sección de Jugos, waar dikke mamitas verstopt achter hoog opgetast fruit en immer brommende blenders complete Boliviaanse families voorzien van jugos, batidos en fruitsalades met meer slagroom dan fruit. 
 
Loop door stadspark Bolivar, waar kinderen onvermoeibaar op en neer stuiteren op bontgekleurde springkussens, terwijl hun ouders gigantische stukken slagroomtaart verorberen. Vervolg je weg naar de uitgestrekte Mercado Campesino, net buiten het centrum, met stratenblokken vol verkopers: van kippen tot cocabladeren en opgezette babylama's, te offeren aan Pachamama bij van financiële of emotionele nood. 
 
De namiddag is voor La Recoleta, de wijk die omhoog klimt tegen een heuvel, uitkomend op een pleintje met het mooiste uitzicht over de stad. In de verte klinkt een roestige trompet. Nieuwsgierig sla je de hoek om, waar op hetzelfde moment een jeugdig orkest een lied inzet, midden op straat. Even verderop begint een festival. Het ene na het andere verklede kind verdwijnt door een hoge deur. Binnen dansen kinderen, van kleine blues brothers tot meisjes in traditionele indígena-kostuums, hun trotse ouders zitten op de tribune met nog meer eten en frisdranken. 
 
Achter de feestelijke façade schuilt een klein, gebroken hartje. 'Sucre capital de Bolivia' lees je overal - achterop de stadsbussen. Zelfs schoolkinderen ontkomen er niet aan, de blijde boodschap staat in koeieletters op hun rugtassen geprint. 
 
Op papier geldt het 194 duizend zielen tellende stadje, waar in 1825 kolonel Sucre de Boliviaanse onafhankelijkheid uitriep, inderdaad als de hoofdstad. Helaas voor Sucre is de eretitel slechts symbolisch, want na een in 1899 verloren burgeroorlog verhuisde de regering naar het 416 kilometer noordelijker gelegen La Paz. 
 
Een nederlaag die de trotse Sucrenses nooit zullen accepteren. Nog maar zeven jaar geleden vochten de stedelingen een nieuwe slag om de macht terug te halen naar waar die behoort, in Sucre dus. De campagne draaide uit op een wekenlange veldslag tussen Sucrenses en tienduizend daartoe speciaal naar Sucre afgereisde Paceños, in de heuvels buiten de stad - met doden, gewonden en plunderingen tot gevolg. 
 
Wat het opleverde? 'Niets', verzucht de 25-jarige Samarah, geboren Sucrense. 'Maar we hebben wel laten zien dat we ons er niet bij neerleggen. Sucre heeft een in alle opzichten rijkere geschiedenis dan La Paz. We willen alleen maar terug wat van ons is.'
 
Hoe kom je er?
 
KLM vliegt vanaf 1.460 euro naar La Paz, met een tussenstop in Lima. Vanaf La Paz gaan bussen naar Sucre. Voor wie geen zin heeft in de twaalf uur durende rit zijn er ook binnenlandse vluchten.
 
 
Het grote experiment is geslaagd, en nu?

29-11-2014, Het Parool

Of ze hem nu beminnen of verguizen, over één ding zijn alle Uruguayanen het eens: in de wereld bestaat geen tweede van hun president José 'Pepe' Mujica. De excentrieke president stond aan de wieg van een reeks sociale hervormingen die het kleine landje in twee jaar tijd tot het progressiefste land van Latijns-Amerika maakten. Zo trad augustus vorig jaar het eerste Uruguayaanse homostel in het huwelijk, is sinds twee jaar abortus toegestaan en trok Uruguay eind vorig jaar internationaal de aandacht als het eerste land ter wereld waar zowel de teelt als de verkoop van wiet volledig is legaliseerd.
 
Voor de 25-jarige Victoria Silva, die lesbisch is, zijn het welkome veranderingen. "Het laatste jaar is er veel campagne gevoerd rond homoseksualiteit." Ze wijst naar het Casa de Casamientos, het trouwhuis in het centrum van Montevideo. "Sinds vorig jaar lopen daar ook homostellen naar buiten, heel leuk." Dan haalt ze een klein doosje uit haar zak, tovert een halve joint tevoorschijn en zet er de vlam in. "Eigen kweek," zegt ze triomfantelijk, en blaast de rook sierlijk de lucht in. 
 
Verrassend genoeg heeft de 79-jarige president zelf weinig op met de onder zijn volk zo geliefde porro, zoals een joint hier wordt genoemd. Wel gelooft Mujica door het legaliseren van de handel de toenemende drugsproblematiek een halt toe te kunnen roepen door de handelaars hun afzetmarkt te ontnemen. 
 
Het typeert de onconventionele regeringsstijl van de president. Ter illustratie: de oplossing van de rechtervleugel van de regering voor het drugsgeweld bestond uit het verlagen van de strafbare leeftijd naar zestien jaar, een voorstel dat het in een referendum vorige maand net niet heeft gehaald. 
 
Ook de levensstijl van 'El Pepe' is atypisch te noemen. Hij woont niet in de presidentiële villa, maar in hetzelfde simpele huisje op een heuvel in de hoofdstad Montevideo waar hij de afgelopen 28 jaar woonde, met zijn vrouw en een hond met drie poten. Hij leeft van een bescheiden inkomen van zo'n 1200 euro in de maand, want het leeuwendeel van zijn presidentiële salaris geeft hij weg; dat geld gaat naar een huizenproject voor arme mensen. 
 
'De armste president ter wereld' doopten de internationale media hem. Maar dat is een denkfout, aldus de president. "Arm zijn mensen die steeds meer willen consumeren. Niet meer bezittingen, maar geluk zou het hoogste doel van de mens moeten zijn." 
 
Morgen kiezen de Uruguayanen een nieuwe president, in de tweede ronde van de presidentsverkiezingen. De beste papieren heeft oud-president Tabaré Vasquez (74), die van 2005 tot 2010 de eerste regering van het Breed Front leidde, een coalitie van linkse partijen waartoe ook Mujica behoort. Onder zijn leiding werd de fundering gelegd voor de sociale politiek waarmee Mujica de laatste jaren de armoede terugbracht naar één van de laagste niveaus op het continent. Zo verminderde hij de inkomensongelijkheid door een nieuw progressief belastingschijvensysteem in te voeren, kwamen er sociale voorzieningen voor de armen en hervormde hij de openbare gezondheidszorg. 
 
Ondanks deze staat van dienst is de verkiezing nog geen gelopen race, menen politieke analisten in het land. Vasquez' tegenstrever, de veel jongere Luis Lacalle Pou (41), kandidaat voor de traditionele Nationale Partij, wist in de aanloop naar de eerste ronde van de verkiezingen een verrassende inhaalslag te maken. Hij behaalde 31 procent van de stemmen, tegen Vasquez 47 procent. Pedro Bordaberry, kandidaat van de rechtse partij Colorados, die 13 procent van de stemmen in de wacht sleepte, zegde daarop prompt zijn steun aan Lacalle Pou toe. 
 
Maar meer dan de vraag wie in de voetsporen van Mujica zal treden, draait de verkiezingsstrijd om het voortzetten van de progressieve sociale politiek van het Breed Front, dan wel een terugkeer naar het meer conservatieve beleid van de Nationale Partij en de Coloradopartij, de traditionele regeringspartijen die tot 2004 het land leidden. 
 
"Progressief? Het is maar hoe je het bekijkt," zegt ondernemer Manuel Lopez (52), die morgen op Lacalle Pou stemt. "Het onderwijs is een drama, de ambtenarij is inefficiënt en corrupt. Mensen vergelijken ons graag met landen waar het minder gaat, maar ik kijk liever naar boven." 
 
"Er moet nog veel gebeuren," geeft een campagnemedewerkster van het Breed Front toe. "Maar we komen dan ook van ver. In 2002 werd Uruguay meegesleept in de crisis van buurland Argentinië. Er was geen werk, veertig procent van de mensen leefde onder de armoedegrens en duizenden jongeren verlieten het land. Nu staan we er veel beter voor. De lonen zijn hoger, de sociale voorzieningen beter en de werkloosheid is met zeven procent lager dan ooit." 
 
Maar lang niet iedereen is blij met de radicale sociale politiek van het Breed Front. Vooral de groeiende middenklasse klaagt over de extra belastingen, dure sociale voorzieningen voor de armen, toegenomen onveiligheid in de steden en - ondanks forse overheidsinvesteringen - de slechte kwaliteit van het onderwijs. Ook de invoering van de wietwet en de legalisering van abortus stuitte op veel weerstand, vooral in het agrarische binnenland. 
 
Voor hen komt de politicus en advocaat Lacalle Pou als geroepen. Hij stemde in 2012 tegen de abortuswet en kondigde aan dat hij bij een verkiezingszege de in december aangenomen cannabiswet goeddeels zal terugdraaien. Ook belooft hij sterk in te zetten op de verbetering van veiligheid en onderwijs, zaken waarin de regering-Mujica volgens de oppositie heeft gefaald. 
 
Maar ook Vasquez lijkt een stuk behoudender te zijn dan Mujica. In 2008 sprak hij als president zijn veto uit tegen de legalisering van abortus. En nadat in 2012 de abortuswet alsnog was aangenomen, zij het in een wat beperktere vorm, initieerde hij een referendum om ook die wet ongedaan te maken - iets wat hem door menige aanhanger van het Breed Front bepaald niet in dank werd afgenomen. 
 
Voor veel Uruguayanen is hun stem hoofdzakelijk één voor het doorregeren van het linkse Breed Front. "Ik stem op Vasquez, maar alleen omdat ik niet wil dat Lacalle Pou wint," zegt kok José Bidegain. "Voor mij is het kiezen tussen twee kwaden. Het is jammer dat Mujica geen tweede termijn kan regeren. Hij is onconventioneel en eerlijk, en vertegenwoordigt waar ik voor sta. Vasquez is veel conservatiever." 
 
Politicoloog Camilo López, docent aan de universiteit van Montevideo, bestrijdt dat laatste. "Vasquez is niet per definitie behoudender dan Mujica. De hervormingen die Vasquez tijdens zijn regeringsperiode doorvoerde, waren weliswaar minder zichtbaar voor de internationale media, maar minstens zo vooruitstrevend. Maar veel mensen, de media incluis, zien dat over het hoofd." 
 
"Ik denk niet dat Vasquez de hervormingen van Mujica wil terugdraaien," zegt ook politicoloog Gerardo Caetano. "Bovendien is het Uruguay van nu anders dan dat van tien jaar geleden. De maatschappij is veeleisender geworden en wil doorgaan op de ingeslagen weg. Wanneer Vasquez wint, zal hij moeten bewijzen dat hij de sociale hervormingen van de afgelopen jaren kan verankeren. Dat is zijn grootste uitdaging."
Stabiel en welvarend
Uruguay, ingeklemd tussen de giganten Argentinië en Brazilië, is met 3,4 miljoen inwoners het twee na kleinste land van Zuid-Amerika. Het kent een lange traditie van progressief sociaal beleid; zo maakte de overheid al in 1877 het onderwijs gratis, seculier en verplicht voor iedereen, en bouwde het begin twintigste eeuw één van de eerste welvaartsstaten ter wereld, met een vijfdaagse werkweek, uitkeringen voor werklozen en een wet die kinderarbeid verbood. Uruguay geldt ook als één van de minst katholieke van het continent - kerk en staat zijn er al sinds 1917 gescheiden. 
 
Verschillende economische crises - de laatste in 2002 - en een periode van dictatuur tussen 1973 en 1985 brachten de ontwikkeling tot stilstand. Maar sinds tien jaar gaat het Uruguay weer voor de wind. Het land kent sinds 2004 een stabiele economische groei en telde vorig jaar een historisch laag werkloosheidspercentage van 6,3 procent. Daarbij heeft Uruguay na Chili de minste armen en daklozen van het continent en staat het te boek als één van de minst corrupte landen van Latijns-Amerika.
 

 

Ecuador ontsluierd

15-11-2014, Columbus Magazine

'Ayahuasca, ayahuasca, espiritu santooo!’bezweert de sjamaan. Hij pakt een plastic fles met een ondefinieerbaar goedje van het altaar, neemt een ferme slok en sproeit dan vol overgave over zijn te reinigen discipel heen. Pssst! De sjamaan schreeuwt, onverstaanbare klanken in de nacht. Plots begint het altaar te trillen, gevolgd door een schril geluid. De sjamaan kijkt vertwijfeld. Niet de heilige geest maar een luid rinkelende Nokia vraagt zijn aandacht. Dan grijpt hij zijn telefoon van de offertafel en verlaat het toneel.
 
Fotograaf Elaine en ik slaan het tafereel gade. We zijn bij de Tsa'chilas, een inheemse stam in de gelijknamige Ecuadoraanse provincie, in het tropisch woud tussen de bergen en de kust. De Tsa'chilas staan beter bekend als Los Colorados, de Roodhuiden, vanwege de rode kleurstof waarmee de mannen hun haren insmeren. Twee eeuwen geleden dreigde de gehele stam te worden uitgevaagd door een mazelenepidemie, meegebracht door de Spanjaarden. Ten einde raad wendde de stamleider zich tot de geesten, die hem vertelden hun lichamen in te smeren met het rode sap uit de zaden van de achioteplant. De epidemie stopte, en als eerbetoon verven de mannen vandaag de dag nog steeds hun haren met de
natuurlijke kleurstof.
 
Ook andere aspecten van het uiterlijk van de Tsa'chilas zijn opvallend. Mannen en vrouwen dragen niet veel meer dan een gestreepte omslagdoek om hun heupen. Op hun lichaam tekenen ze zwarte strepen, kruisjes en stippen, die het gevaar
op afstand zouden houden. Ander handelsmerk van de Tsa'chilas zijn hun sjamanistische rituelen, met een hallucinerend drankje genaamd ayahuasca, gemaakt van een plant uit het woud. Het brouwsel, dat behalve een geestverruimend ook een sterk misselijkmakend en laxerend effect heeft, zou helpen bij de spirituele reiniging van lichaam en geest.
 
Vanavond krijgen we dat van dichtbij te zien. Zelf houdt de Tsa'chilagemeenschap maar twee keer per jaar een ayahuascaritueel, maar voor wie graag de
strijd aangaat met zijn demonen organiseren ze op aanvraag ceremonies. Ook wij kunnen meedoen, maar daar besluiten we vanaf te zien − ayahuasca is niet iets wat je even tussendoor neemt, gezien de sterke mentale en fysieke effecten die het kan hebben. En dus kijken we naar een tiental stamleden die in de rij staan voor een dosis van het brouwsel. De sjamaan, stamhoofd José, spreekt ons
toe in het Tsa'fiki, wappert met rook en vraagt ons elkaars handen vast te pakken. In een kringetje staan we rond het rokende hout. Ik vraag me af in hoeverre ik dit nu serieus moet nemen. Dat meerdere telefoons beginnen te rinkelen, helpt niet echt. Daarentegen horen we vervolgens tot diep in de nacht geschreeuw. Nelson, de zoon van José, verklaart de volgende ochtend dat hij kort na zijn portie in de bosjes verdween om over te geven. Hij had malas visiones. Wat die waren mag hij niet zeggen − erover praten zou het effect van de reiniging verstoren.
 
Sinds een jaar of vijftien laten de Tsa'chilas toeristen toe in hun gemeenschap. Naast het ayahuascaritueel krijgen we te zien hoe met het rode sap van achiotezaden het haar van een Tsa'chila-dreumes in de verf wordt gezet en we leren over de medicinale werking van de planten uit het bos. ‘Voor extra
inkomsten, maar vooral om te laten zien wat onze cultuur is,’ zegt José. Hij wijst naar zijn roodgeverfde kuif en blauwwitte omslagdoek. ‘Ik ben geboren als een Tsa'chila, en daar ben ik trots op. Ik schaam me er niet voor om zo naar de stad te
gaan.’ Hij trekt wel een T-shirt aan, dat dan weer wel. Maar voor zijn kinderen is dat anders. Zij willen studeren, een ander leven leiden dan hun ouders. Slechts acht van de ongeveer honderd resterende Tsa'chila-families in Ecuador willen nog
leven volgens de oude tradities, leren we van José. ‘Het leven is moeilijker geworden. Vroeger leefden we van jagen en vissen, hadden we veel land. Maar ons land moesten we inleveren, en de rivier is nu vervuild. De mensen zien het moderne leven, zijn daar gewend aan geraakt. Maar onze cultuur moet
behouden worden. Ik moet er niet aan denken dat die straks niet meer bestaat.’
 
Natuur versus iPhones
 
Onze volgende bestemming ligt aan de andere kantHier zijn we te gast bij de Añangu, een Kichwaindianengemeenschap die in het regenwoud van
nationaal park Yasuní twee ecolodges runt. Om er te komen stappen we in een gemotoriseerde kano, voor een tocht van tachtig kilometer stroomafwaarts
op de Naporivier naar de noordgrens van het reservaat. Yasuni is om meerdere redenen een bijzonder gebied. Je vindt er meer leven dan waar dan ook op aarde, zeggen biologen − een gevolg van zijn ligging op de kruising van de Andes, Amazone en evenaar. Het is er daardoor altijd warm, vochtig en zonnig, met af en toe een flinke plensbui. En dat vindt de natuur fijn. Om een idee
te geven: op één hectare van het reservaat, dat een kwart van Nederland zou beslaan, telden onderzoekers zo’n honderdduizend verschillende insecten en 644 boomsoorten, meer dan in alle Verenigde Staten bij elkaar. Je vindt er de majesteitelijke, tot wel zeventig meter hoge kapokbomen, zeldzame reuzenotters, talloze varianten boomkikkers, sprinkhanen en vlinders, apen, piranha’s en kaaimannen.
 
Maar er is meer. Kort nadat we de Napo zijn opgevaren doemen twee groteske vlammen op aan de horizon, tegen de achtergrond van de groene jungle. ‘Dat zijn de gasbranders van de oliemaatschappijen,’ verklaart onze gids Remigio, geboren
en getogen in Yasuni. ‘Al twintig jaar verdwijnt hier het vrijkomende gas van de olie die op verschillende plekken aan de randen van het reservaat uit de grond wordt gehaald, 24 uur per dag.’ Hij wijst naar de gasbrander. ‘Als ik in de nacht met
een klein zaklampje schijn dan trek ik al vele insecten aan. Probeer je eens voor te stellen hoeveel dieren op een enorme vlam als deze afkomen? De hitte doet elke dag honderdduizenden insecten verbranden. Daardoor sterven weer andere bloemen en planten uit, die door deze insecten worden bestoven.’
 
Tot voor kort werd alleen buiten de grenzen van het park naar olie geboord, maar ruim een jaar geleden besloot president Rafael Correa om ook een afgelegen gebied binnen het reservaat te exploiteren. Het voortbestaan van het park staat
daardoor onder druk. Een noodzaak aldus de president, die het geld nodig zegt te hebben voor de ontwikkeling van Ecuador, een van de armste landen van Zuid-Amerika. Sinds Correa aan de macht kwam is er veel veranderd. Nieuwe wegen,
beter onderwijs, gezondheidszorg. Met dank aan de oliedollars, die ongeveer de helft van het nationale inkomen vormen. Avanzamos Patria! lezen we op
grote billboards langs de weg: ‘We helpen het vaderland vooruit!’ En: ‘Met jouw natuurlijke bronnen bouwen wij wegen.’ We stappen over in een kleine kano en varen over een smalle kreek het woud in. Onze lodge ligt letterlijk midden in de jungle, een anderhalf uur peddelen van de Napo af. We zijn stil, alleen met
de kakofonie van geluiden van het regenwoud. ‘Pas op voor de kaaimannen,’ zegt Remigio opgeruimd, en wijst naar het onheilspellende, donkergekleurde water. Na een paar minuten stopt hij de boot met zijn peddel en wijst naar boven, hoog in de bomen. Een paar aapjes kijken terug en slingeren dan doodgemoedereerd naar de volgende tak. Het zijn kapucijneraapjes, een van de tien apensoorten die in het park leven.
 
Een plons aan de waterkant. In mijn ooghoek zie ik iets uit het donkere water omhoog komen. Ik gil, en spring zo’n beetje bij Elaine op schoot. Remigio
lacht. Het monster blijkt geen kaaiman maar ‘slechts’ een arapaima, de grootste zoetwatervis van de Amazone. Drie meter kan het beest worden, groot genoeg om een nietsvermoedende reisjournalist een klein toeval te bezorgen. Dan verschijnt licht aan het einde van de kreek. We varen een meertje op, met aan de overkant een verzameling rode huisjes met rieten daken. Onze verblijfplaats voor de komende vier dagen. Even na zonsondergang lig ik op mijn rug op de steiger,
starend naar de Melkweg. Vleermuizen en vuurvliegjes schieten voorbij, in het water klinkt geklots van rondspringende vissen. De rode brulaap staakt zijn geroep, een geluid als een windmachine. De nacht in het regenwoud is begonnen. In de
verte licht de hemel op, een naderend onweer. Een flauw schijnsel trekt mijn aandacht. De stad? Het blijkt alweer een gasbrander, een kleine twintig kilometer verderop. Het begint ons steeds duidelijker te worden wat de vernietigende gevolgen van oliewinning hier zijn.
 
Ook de inheemse volken in het gebied, naar schatting tweeduizend Kichwa- en Waorani-indianen, zijn niet meer dezelfde. Ze vestigden zich langs de wegen gebouwd door de oliemaatschappijen, kregen gemotoriseerde kano’s van de regering, er kwam elektriciteit, onderwijs, gezondheidszorg. 'In veel opzichten is het leven beter,’ zegt Remigio, 24 jaren jong. ‘Maar tegelijkertijd is onze cultuur
aan het veranderen.’ Hij is daar zelf een lichtend voorbeeld van. Zijn kleren en schoenen komen uit een winkelcentrum in Quito, in zijn zak prijkt een iPhone. Toch is Remigio in alles een kind van het woud. Hij weet in welke boom de aapjes na een
nacht regen een schuilplaats zoeken, op welke waterkant metersdikke anaconda’s hun diner liggen te verteren en waar ze hun eitjes leggen. Waar wij slechts een stuk boomschors zien, herkent hij een boomkikker, slapende vleermuis of een vogeltje in camouflagekleuren. Sinds een jaar werkt hij als natuurgids bij de lodge waar we vier dagen verblijven, Napo Wildlife Center. Vier op de vijf werknemers komen uit de gemeenschap, een nederzetting op vijf kilometer peddelen van de
lodge. Remigio neemt ons mee naar het community interpretation center, waar de Añangu een modelhuis hebben gebouwd, met een vloer van aangestampte
aarde en een dak van palmbladeren. De schoonzus van Remigio demonstreert hoe haar volk zonder moderne zaken als een koelkast en fornuizen vuur maakt en eten kookt en conserveert met rook. Maar als we daarna langs de gemeenschap varen, zien we een verzameling houten huizen met golfplaten daken. ‘Het dak hebben sommigen nog wel,’ zegt local Vladimir. Wat is er dan nog authentiek
aan wat we zojuist hebben gezien? ‘Mijn grootouders leefden nog wel zo. Maar sinds een jaar of twintig zijn dingen aan het veranderen. Nu hebben
we koelkasten. En Nikes.’
 
Het offer van Ozogoche
 
Op de drempel van een simpel stenen huisje zit Laura. Naast haar staat een grote zak met plukken alpacavacht, waar ze met een klos draden van spint. Een paar meter verderop op de grond zit haar moeder, naast een hok konijnen. Links van haar ligt witte mais uitgespreid op een kleed, rechts de rode variant. Haar verschrompelde gezicht gaat geheel verborgen achter een bolhoedje, dat eens wit geweest moet zijn. Onverstoorbaar sorteert ze de korrels. Wanneer we vragen hoe ze heet, knikt ze vriendelijk, en antwoordt iets in het Kichwa. 
 
Van de Kichwa’s in het regenwoud zijn we drieduizend meter geklommen naar hun verwanten hoog in de Andes, in het vrijwel geheel inheemse bergdorp Guamote. Hier gaan we op pad met Inti Sisa, een Belgische stichting die zich sinds vijftien jaar inzet voor de locals. Zo runnen ze een kleuterschooltje, geven Engels, computer- en naailes. Om inkomsten te genereren openden ze een gastenhuis in het dorp en organiseren ze rondleidingen voor toeristen langs de gemeenschappen die zich nog hoger in de bergen bevinden en leven van de opbrengst van het land en hun dieren. ‘De indigenas zijn lange tijd onderdrukt geweest; pas in 1972 is de laatste feodale wet afgeschaft,’ zegt onze gids Eva. ‘Veel ouderen zijn daarom nooit naar school geweest en spreken alleen Kichwa.’ Ze wijst naar de grillige lapjes grond op de steile hellingen, bewerkt door plukjes bontgekleurde figuren. ‘Alles moet met de hand, een tractor zou zo de berg afzakken.’ We stoppen, om drie vrouwen een lift te geven achterop de pick-up. De weg is onverhard, geen partij voor de eeuwige wind. Met hun rode en groene sjaals vegen ze het stof van hun gezichten af. ‘We zijn vies,’ zeggen ze, met een ietwat schuldbewuste blik. Hier en daar zien we chozas, lemen hutten met een soort rieten daken. Het zijn de traditionele huizen waar veel Kichwa nog in wonen. We stoppen bij een huis van de familie van onze chauffeur Lazaro. Zijn gehele familie woont op letterlijk een steenworp van elkaar, in zowel chozas als stenen huizen. ‘Maar als we mogen kiezen hebben we liever een choza,’ zegt Lazaro. ‘Dat houdt de warmte goed binnen.’ We kijken naar de muren, een halve meter dik, gemaakt van koeienpoep, water en zand. Ramen ontbreken. Binnen is het donker, met weinig meer dan een kast met daarop een kapotte radio, een tweepersoonsbed met een matras van stro en een vuurplaats met twee kookpotten. In de hoek scharrelt een tiental cavia’s, bestemd voor de verkoop op de markt, of eerdergenoemde kookpot.
 
Nog geïsoleerder leven de bewoners van Ozogoche Alto, een gemeenschap van zeventig mensen aan de rand van de bergmeren van Ozogoche en Atillo. Om er te komen volgen we een onverharde weg omhoog de bergen in, waarbij we uitkijken over de toppen van de Andes en valleien gevuld met mist. Bussen komen er niet, alleen eens per week een melkkar. Lokaal staan de meren bekend om het sacrificio de Ozogoche, het offer van Ozogoche. Elk jaar tussen september en oktober vliegen honderden grijs-witte trekvogeltjes uit Alaska, culivi in het Kichwa, zich collectief te pletter in de meren. Waarom weet niemand, maar verklaringen zijn er te over. ‘De vogeltjes zoeken na de lange vlucht over de hoge bergen verkoeling in het meer, maar worden dan gegrepen door de ijskoude golven,’
zegt local Alfredo voor zijn restaurantje aan de rand van het meer, de enige openbare gelegenheid in de wijde omtrek. Om de vogeltjes te eren heeft de gemeenschap een jaarlijkse feestdag in het leven geroepen, waar ze dansen en muziek maken. En vervolgens de beestjes op het vuur gooien en opeten. Ozogoche betekent dan ook deseoso de comer carne, het verlangen om vlees te eten.
 
We laten de jeep achter en gaan te voet op weg naar de meren. De natuur is onbarmhartig en ruig, met kale, rotsachtige bergtoppen, stug gras en lage struiken. Het water heeft een donkere kleur blauw, de wind doet klotsende golfjes tegen de waterkant slaan. Verderop drijven twee meisjes een kudde schapen voort, omhoog tegen de steile helling. Een van de twee heeft een lammetje op haar rug gebonden. Dat het leven hier moeilijk is, kunnen we ons levendig voorstellen. Deze plek is zo afgelegen en het leven zo rauw dat het nog wel even kan duren voor de Ecuadoraanse revolución Ozogoche bereikt.
 
En misschien is dat maar goed ook.
 
Foto Elaine Springford
'Onze kinderen willen werken'

11-10-2014, Het Parool

Het centrum van La Paz, rond negen uur. Een meisje, gekleed in een lichtroze donsjack, is in slaap gedommeld, leunend tegen het geïmproviseerde kraampje met snoep, kauwgom en zakdoekjes. Naast haar ligt een handvol munten. Ze schrikt wakker, een klant. "Uno cinquenta," zegt ze geroutineerd, "heb je er tien cent bij?"
 
Michele heet de verkoopster, elf jaar oud. Elke dag na school en in het weekend bemant ze dit kraampje, langs een drukke weg in La Paz. Tot tien uur 's avonds, alleen. "Mijn mama heeft geld nodig," antwoordt ze op de vraag waarom ze werkt. "En papa zit in de gevangenis." 
 
Michele is geen uitzondering in Bolivia. Geschat wordt dat ongeveer 850.000 Boliviaanse kinderen tussen de vijf en zeventien jaar regelmatig werken - 28 procent van alle kinderen en 35 procent van de totale werkzame bevolking, volgens cijfers van de regering en Unicef. Je ziet ze overal - als straatverkoper, in het restaurant van de familie, als sjouwer op de markt. Minder zichtbaar zijn de vele kinderen die onder gevaarlijker omstandigheden werken, zoals in de mijnen, op suikerrietplantages en in de nachtelijke uren. 
 
Ruim de helft van hen is onder de veertien jaar, tot voor kort de minimumleeftijd om te werken in Bolivia. Maar afgelopen zomer tekende Boliviaanse president Evo Morales een hervorming van de kinderarbeidswet waarmee ook kinderen onder de veertien legaal aan de slag kunnen - vanaf twaalf jaar in loondienst, en vanaf tien als zelfstandig ondernemer. Daarmee is Bolivia het enige land ter wereld dat kinderen zo jong toestaat om te werken.
 
"De realiteit is dat veel kinderen werken," zegt Isbel Flores, coördinator bij Sarantañani, een educatiecentrum voor werkende kinderen in La Paz. De organisatie is niet tegen kinderarbeid op zich, maar wel tegen uitbuiting van kinderen.  "Werken is voor ons een waardevol onderdeel van onze cultuur. Door het te verbieden ontneem je de kinderen hun rechtsbescherming en drijf je ze de illegaliteit in, waar ze ten prooi vallen aan de uitbuiting door volwassenen. Beter is het om te zorgen voor betere arbeidsomstandigheden en de kinderen het respect te geven dat ze verdienen." 
 
"Daarbij zijn niet alle werkende kinderen zielig," benadrukt Flores. "Kinderen in Bolivia werken ook omdat ze het willen. Omdat ze mooie schoenen willen kopen, een mobiele telefoon, of boeken voor school. Vroeger werkten kinderen puur om te overleven. Maar die motieven zijn aan het veranderen. Kinderen willen nu werken om hun leven beter te maken." 
 
De wetshervorming was een initiatief van de Union de Niños y Adolescentes Trabajadores de Bolivia (Unatsbo), de vakbond voor werkende kinderen. De organisatie vertegenwoordigt duizenden kinderen in zeven van de negen departementen in Bolivia en strijdt voor hogere lonen, betere werkomstandigheden en goed onderwijs.
 
December vorig jaar trok de organisatie door de straten van La Paz om hun grootste wens te af te dwingen: een opheffing van het verbod om te werken onder de veertien jaar. Nu zijn vakbondsdemonstraties aan de orde van de dag in Bolivia, net als het geweld waarmee de politie het protest beëindigde. Alleen ging het dit keer om kinderen, en de verontwaardiging over het geweld haalde de nationale pers, waarna president Morales de vakbondsleiders uitnodigde om hun eisen te bespreken.  "De president vertelde ons dat hij zelf op zijn zevende is begonnen met werken," memoreert vakbondsleider Hector Condori (18). "Daarom begreep hij waar we het over hadden en beloofde hij ons te steunen." 
 
Ook Condori werkt sinds zijn zevende. Tot zijn veertiende hielp hij zijn moeder met het verkopen van knuffels op de markt, met ieder een eigen kraam. Sinds zijn veertiende verdient hij zijn geld als zebrita, de als zebra's verklede verkeersregelaars van La Paz. Daarbij werkte Condori vier jaar lang samen met andere Unatsbo-vertegenwoordigers aan de recente wetshervorming.  "Aanvankelijk wilde niemand naar ons luisteren. Als kinderarbeid legaal zou worden, zouden alle kinderen stoppen met school, zeiden de senatoren. Maar dat is een leugen, wij zijn juist heel gedisciplineerd. Ik ben de beste van mijn klas." 
 
Morales hield woord. Maandenlang onderhandelden de vertegenwoordigers van Unatsbo met de regering over de hervorming van de kinderarbeidswet. Grootste obstakel vormden de conventies van de Internationale Arbeidsorganisatie ILO, waarbij ook Bolivia is aangesloten, die bepalen dat kinderen in ontwikkelingslanden pas vanaf veertien jaar mogen werken. Overeengekomen werd om de minimumleeftijd op veertien jaar te houden, maar dat in 'uitzonderlijke sociaal-economische' gevallen ook jongere kinderen toestemming kunnen krijgen, op voorwaarde dat ze ook naar school gaan en uit vrije wil werken.  In de praktijk zijn die gevallen echter eerder regel dan uitzondering - hoewel de armoedecijfers de laatste jaren flink zijn gedaald, leefde in 2011 nog altijd 45 procent van de Boliviaanse bevolking onder de nationale armoedegrens. Voor veel families is kinderarbeid de enige manier om het hoofd boven water te houden. 
 
Tegenstanders van de wet, waaronder ngo's als Human Rights Watch, de Permanente Vergadering voor de Rechten van de Mens in Bolivia en de landelijke Kinderombudsman beschouwen de wet als een achteruitgang. "Met de nieuwe wet breekt Bolivia met de bestaande internationale conventies, opgericht ter bescherming van de kinderen. Door kinderen vanaf tien jaar toe te staan voor zichzelf te werken, lopen ze het risico te worden blootgesteld aan mishandeling en uitbuiting," zegt kinderombudsman Marcelo Claros. 
 
Maar volgens vakbondsleider Condori ziet de ombudsman daarmee de Boliviaanse realiteit over het hoofd. "Wij werken niet omdat we dat willen, maar omdat we dat moeten. Om onze familie te helpen en onze opleiding te betalen. Uiteindelijk zal kinderarbeid in Bolivia verdwijnen, maar zover zijn we nog lang niet. Daarom vragen wij erkenning van ons werk, met minimumlonen, sociale verzekeringen en pensioenopbouw. We willen dezelfde rechten als een volwassene."
 
Cijfers - 850.000 Boliviaanse kinderen tussen de 5-17 jaar werken, 35 procent van de totale werkzame bevolking.  - Kinderen onder dertien jaar verdienen gemiddeld 233 bolivianos per maand, zo'n 27 euro. Oudere kinderen krijgen meer, ongeveer 66 euro.  - 87 procent van het werk wordt beschouwd als gevaarlijk voor de fysieke of mentale gezondheid, zoals het werk in de mijnen, in de landbouw of als alcoholverkoper.  - 77 procent werkt voor de familie, zonder betaling. Negentien procent werkt voor zichzelf, vooral in de steden.  - 22.270 kinderen gaan vanwege hun werkzaamheden niet naar school.
 
Verkiezingen
 
Morgen gaan de Bolivianen naar de stembus voor de presidents- en parlementsverkiezingen. De uitkomst zal vermoedelijk weinig verrassend zijn: Evo Morales, sinds 2006 als eerste president van indiaanse afkomst aan de macht in Bolivia en nu in de running voor zijn derde termijn, geniet nog altijd grote steun onder de grotendeels inheemse en arme bevolking van Bolivia, net als zijn Beweging voor het Socialisme (MAS).  Zijn kandidaatstelling is omstreden, omdat volgens de nieuwe Boliviaanse grondwet uit 2010 een president maar twee termijnen mag dienen. Een vorig jaar goedgekeurde wet maakt een derde termijn alsnog mogelijk: volgens het Constitutioneel Hof zou zijn eerste termijn nog onder de oude grondwet vallen, en daardoor niet meetellen.
Opsluiten helpt probleemjeugd niet

26-07-2014, Het Parool

'Minderjarigen met complexe meervoudige problematiek worden opgesloten zonder adequate behandeling," oordeelde de kinderrechter onlangs over de plaatsing van de Amsterdamse 'Ferdi' in Almata, een gesloten jeugdzorginstelling in Den Dolder, gespecialiseerd in jongeren met een verstandelijke beperking. 

En daar schiet Ferdi weinig mee op, aldus de kinderrechter: Almata is vooral gericht op het creëren van een veilige omgeving voor jongeren met bijvoorbeeld agressieproblemen, maar biedt geen behandeling voor de ernstige psychische problemen waar Ferdi ook mee kampt. Aanvankelijk wordt hij daarom bezocht door een GGZ-behandelaar van buiten de instelling, maar bij het ontbreken van een reiskostenvergoeding is die genoodzaakt de behandeling te stoppen. 

De zaak is exemplarisch voor de kloof tussen jeugdzorg en GGZ, waardoor de behandeling van kinderen met problemen op meerdere gebieden - zoals psychische stoornissen, een verstandelijke beperking én gedragsproblemen - vaak ernstig tekortschiet. Neem een kind dat vanwege zijn agressieve gedrag in een gesloten jeugdzorginstelling (jeugdzorg-plus) wordt opgenomen. Maar het kind heeft ook een autistische stoornis, waarvoor hij in de GGZ beter op zijn plek zou zijn. Die kunnen hem echter niet de veiligheid bieden die zijn geval vereist. En zo belanden jongens als Ferdi geregeld tussen wal en schip. 

Jaarlijks krijgen ongeveer negenduizend kinderen in de Stadsregio Amsterdam een vorm van jeugdhulpverlening. Naar schatting heeft ongeveer een derde van hen ook psychiatrische zorg nodig. Dat percentage loopt op naarmate een kind langer in de jeugdzorg zit. Van de 3700 kinderen die in zowel 2010 en 2011 jeugdzorg kregen, ontving 61 procent ook een GGZ-behandeling. 

Die combinatie gaat niet altijd even goed samen. Vooral in de gesloten jeugdzorg, met plek voor 1300 kinderen in Nederland, blijkt de samenwerking tussen jeugdzorg en jeugd-GGZ vaak lastig te organiseren. Oorzaken daarvan zijn zowel een botsing van behandelculturen tussen beide instellingen als gescheiden financieringsstromen waardoor het onduidelijk is wie de behandeling van complexe gevallen als Ferdi moet betalen. 

"Jeugdzorg-plus ontbeert de deskundigheid en de middelen om deze groep minderjarigen op de korte termijn de behandeling te bieden die noodzakelijk is voor de lange termijn," meent de kinderrechter. "Dit leidt geregeld tot schrijnende situaties." 

Volgens de rechter is sprake van 'doorschuiven van het probleem in tijd' tot de jongeren achttien jaar zijn en de gesloten jeugdzorg moeten verlaten. "Vaak hebben ze dan nog steeds geen geschikte behandelplek, waardoor het probleem verergert en behandeling moeilijker en vooral duurder wordt." 

"Ik denk dat de rechter daar gelijk in heeft," zegt Rob Schuddemat, directeur Uitvoering Jeugdreclassering en Jeugdbescherming van de William Schrikker Groep (WSG), die namens Jeugdzorg Amsterdam het verzoek tot machtiging gesloten jeugdzorg voor Ferdi indiende. "De mensen in Almata doen hun uiterste best, maar dit soort jongeren heeft heel intensieve begeleiding nodig. Dat gaat veel verder dan, heel onelegant gezegd, iemand opsluiten." 

De reiskostenkwestie noemt hij een 'ordinair budgettair verhaal.' Kortetermijndenken, aldus Schuddemat. "Dat zien we helaas wel vaker gebeuren. We nemen zo het risico dat hij zonder behandeling weer terugkomt in de samenleving, en daar overlast zal veroorzaken. Dan kunnen we er beter alles aan gedaan hebben." 

'De psychiatrische zorg binnen de gesloten jeugdzorg kan inderdaad beter," erkent ook forensisch jeugdpsychiater Tijs Jambroes van de Bascule, het academisch centrum voor kinder- en jeugdpsychiatrie in Amsterdam, dat namens de GGZ betrokken was bij de zaak van Ferdi. "De gesloten jeugdzorg is voor een groot deel gericht op veiligheid en het beheersen van risico's, meer dan op behandeling. De psychiatrie komt daarmee soms in het gedrang." 

Het kan ook anders: Jambroes werkte tot afgelopen jaar als jeugdpsychiater bij de gesloten jeugdzorginstelling De Koppeling in Amsterdam, waarbinnen De Bascule nauw samenwerkt met jeugdzorgaanbieder Spirit om de behandeling zo goed mogelijk af te stemmen op wat het kind nodig heeft. Met deze eigen GGZ-polikliniek is De Koppeling tamelijk uniek in Nederland. Bij de meeste instellingen komt alleen een paar keer in de week een GGZ-behandelaar langs voor consulten en medicatie, maar zijn geen eigen psychiaters in huis. 

Toch heeft het ook in De Koppeling nog wel eens gebotst tussen Spirit, jeugdzorgaanbieder binnen De Koppeling en de GGZ-behandelaars van De Bascule. Jambroes legt uit: "In de gesloten jeugdzorg wordt gewerkt met regels die voor iedereen hetzelfde zijn. Maar jongeren met psychiatrische problematiek hebben vaak juist meer baat bij een individueel begeleidingsplan." 

Jambroes geeft het voorbeeld van een jongen die door een depressie te laat opstaat om naar school te gaan. Volgens de regels van de jeugdzorginstelling zou hij dan de hele dag op zijn kamer moeten blijven. "Binnen de psychiatrie zouden we dan zeggen, deze jongen mag later opstaan want hij is te depressief om op tijd zijn bed uit te komen. Bij de jeugdzorg kon het gebeuren dat ze zeiden, je wil er gewoon niet uitkomen, zonder die depressie te zien." 

De oplossing ligt volgens Chaim Huyser, jeugdpsychiater en geneesheer-directeur van De Bascule, in betere 'ketenzorg,' waarbij de instellingen samen kijken wat er nodig is voor een kind en door wie dat wordt gedaan. Hij hoopt dan ook dat de transitie van de zorg komend jaar positieve verandering zal brengen in de situatie. "Plaatsing van een jongere in een gesloten instelling kan dan een deeltraject zijn, maar niet de behandeling op zich. Het idee dat je iemand daarheen stuurt om te worden gefikst, is achterhaald."

Wie doet wat?

De gesloten jeugdzorg is bedoeld voor kinderen met zulke ernstige gedragsproblemen, dat ze tegen zichzelf en hun omgeving in bescherming genomen moeten worden. Voor opname moet de rechter een machtiging gesloten jeugdzorg voor gedwongen opname afgeven. 

Ook jeugd-GGZ heeft gesloten (crisis-) afdelingen, bedoeld voor kinderen met ernstige psychiatrische problemen die een gevaar voor zichzelf of hun omgeving vormen. Jeugdigen die daarnaast ook gedragsproblemen vertonen, kunnen hier in principe niet terecht, omdat de GGZ daar niet de benodigde veiligheid voor kan bieden. Forensische jeugdpsychiatrie kan dat wel, maar daarvoor moet een kind in aanraking zijn geweest met justitie, of die kant uit dreigen te gaan.

Voor de kunstenaars was geen plaats meer

27-06-2014, NRC

Vijftien jaar geleden begonnen kunstenaars te bouwen aan Kunststad, Europa's grootste broedplaats. Op de NDSM-werf - nu dé plek voor hoofdkantoren, festivals, hippe horeca. Voor de kunstenaars zelf was steeds minder plaats. En geld

Een busje, een tang en een haspel - meer heeft metaalkunstenaar Ward Kreykamp niet als hij vijftien jaar geleden aankomt in de Scheepsbouwloods, op de NDSM-werf in Noord. De voormalige scheepswerf is dan nog een echte rafelrand: een verlaten, industrieel gebied aan de overkant van het IJ waar, sinds halverwege de jaren tachtig het laatste schip de helling afrolde, eigenlijk niemand meer iets te zoeken heeft.

Op een paar krakers en kunstenaars na. Ze voelen zich verdreven uit de stad, waar hun vrijplaatsen in de oude loodsen en silo's aan de zuidoever van het IJ moeten plaatsmaken voor de bouw van luxe appartementen en kantoren. De kunstenaars luiden de noodklok: de gemeente moet zorgen voor goedkope werkruimten voor de kunstenaars, vinden zij. Het is het begin van het Amsterdamse Broedplaatsenbeleid: door de gemeente gesubsidieerde werkplaatsen waar creatieven voor weinig geld een atelier kunnen huren.

De monumentale Scheepsbouwloods, met een oppervlakte van zo'n drie voetbalvelden het grootste gebouw op de werf, is een van de plekken die in aanmerking komen als werkgebouw voor de Amsterdamse kunstenaars. ,,Het was een ruïne", zegt Eva de Klerk, initiatiefneemster van de broedplaats in de loods. ,,We hebben een plan gemaakt en daarvoor miljoenen aan leningen en subsidies binnengehaald. Daarmee wilden we met de huurders, als collectief, de loods opknappen en beheren."

Rond de eeuwwisseling beginnen de kunstenaars met de bouw van wat de grootste broedplaats van Europa zal worden: de Kunststad. Een dorp voor kunstenaars, ambachtslieden en ontwerpers, die onder het dak van de oude scheepsbouwloods naast en boven elkaar hun eigen ateliers bouwen. De loods wordt gerenoveerd en er wordt een casco geplaatst voor de ateliers. De bouw van de werkplekken betalen de kunstenaars zelf, in ruil voor een lage huur.

Ook Ward Kreykamp zoekt zijn heil in de Kunststad, waar hij zijn metaalbewerkingsbedrijf het Knutselparadijs wil vestigen. Hij tekent in voor een van de zogeheten vrije kavels aan de zuidkant van de loods. Anders dan in de rest van de Kunststad bouwen de kunstenaars hier zelf het casco, en vragen daarvoor zelf subsidie aan bij Bureau Broedplaatsen, dat voor de gemeente de subsidies beheert en toekent. In 2006 krijgt hij zijn bouwvergunning, en een toezegging voor een subsidie van ongeveer 170.000 euro.

Maar in datzelfde jaar verandert de situatie binnen de broedplaats. Stichting Kinetisch Noord, die namens de kunstenaars de loods beheert en onderverhuurt, is in ernstige financiële problemen geraakt. Vertraging bij de renovatie van de loods, uitblijven van huurinkomsten door leegstand van een deel van de loods en een opeenvolging van directeuren die te veel geld uitgeven zijn daarvan de voornaamste oorzaken.

Om een faillissement te voorkomen schiet stadsdeel Noord te hulp met een voorschot van 450.000 euro, subsidiegeld dat bij Bureau Broedplaatsen is gereserveerd voor de bebouwing van de vrije kavels, onder andere voor Kreykamp. Het voortbestaan van de stichting is daarmee voorlopig veiliggesteld, maar voor Kreykamp en de andere huurders van de vrije kavels is het nu afwachten wanneer zij het beloofde bedrag voor hun ateliers wel krijgen. Ze besluiten te wachten met bouwen, en betalen in de tussentijd een zeer bescheiden huur.

Maar Kinetisch Noord slaagt er ook na deze reddingsactie niet in om de financiën op orde te krijgen. Het stadsdeel wil van de loods af. ,,Een molensteen om onze nek", noemt een deelraadslid het aanvullen van de zoveelste financiële tegenvaller in 2010. De schuld van Kinetisch Noord aan het stadsdeel is dan al opgelopen tot ruim 1 miljoen euro. Ten einde raad maakt het stadsdeel plannen om de stichting op te heffen, en de loods dan maar zelf te beheren.

Commerciële bestemming

Wanneer Bouwe Olij begin 2011 aantreedt als interim-directeur van Kinetisch Noord, is de stichting op sterven na dood. Toch weet hij het stadsdeel te overtuigen de stichting nog één kans te geven om de loods financieel gezond te krijgen. Daarbij gaat Olij, in een vorig leven gemeenteraadslid en stadsdeelbestuurder voor de PvdA, voortvarend te werk: hij bedingt een huurverlaging bij het stadsdeel, en genereert meer inkomsten door de loods vaker te verhuren voor feesten en evenementen. Daarbij krijgt hij begin 2013 het stadsdeel zover om de huurschuld van 1,1 miljoen kwijt te schelden, als onderdeel van een ingewikkelde deal waarbij het voor Kinetisch Noord van belang is dat het eigendom van de loods overgaat van de gemeente naar de stichting. De stichting betaalt voortaan erfpacht aan de gemeente, voor een jaarlijks bedrag dat overeenkomt met de huidige huur voor de loods. Hiermee heeft de stichting de toekomst van de broedplaats in eigen hand, en hoeft de gemeente geen financiële tegenvallers meer te verwachten, aldus Olij.

Om de exploitatie van de Scheepsbouwloods rond te krijgen gaat Olij het nog ongebruikte deel van het enorme gebouw commercieel verhuren. Maar dat geldt ook voor de ruimte van de skatebaan - huurders van het eerste uur in de Scheepsbouwloods - en de nog onbebouwde vrije kavels krijgen een nieuwe, nog onbekende commerciële bestemming. De huurders van de loods, die niet betrokken zijn bij de overdracht van de loods naar de stichting, vrezen dat plekken van kunstenaars die vrijkomen, door Olij commercieel ingevuld zullen worden. Olij spreekt dat tegen: ,,Nu is ongeveer de helft van de broedplaats gevuld met goedkope ateliers. Deze blijven voor altijd beschikbaar voor de kunstenaars. Maar daarnaast zijn draagkrachtige huurders nodig om voldoende inkomsten binnen te krijgen, onder andere voor de verdere renovatie van de loods."

Maar Eva de Klerk, initiatiefneemster van Kunststad, bestrijdt dat. ,,Als de lege delen van de loods eerder waren ontwikkeld, zoals in mijn aanvankelijke plan stond, dan hadden nu nog veel meer mensen voor een lage prijs een atelier kunnen huren. Maar er is steeds weer een nieuwe directeur die de loods op zijn manier wil exploiteren. Die vertraging is de oorzaak dat het gebouw niet volledig wordt benut, waardoor niet genoeg inkomsten binnenkomen."

De Klerk is ervan overtuigd dat er simpelweg ,,flink geld verdiend moet worden met de loods". En niet alleen met de Scheepsbouwloods. ,,Het was ooit de bedoeling om alles maar te slopen op de werf, maar wij hebben erin geloofd. Nu staat het in de toptien van de hipste plekken op aarde, volgens The New York Times. En daar kan natuurlijk aan verdiend worden." Zo hebben de kunstenaars die op de vrijplaats van weleer afkwamen steeds meer commerciële festivals zien komen, een jachthaven, en hoofdkantoren van bedrijven die maar wat graag meeliften op het rauwe imago van de werf - maar dat daarmee ook steeds meer verdwijnt. Onlangs werd een driekamerhotel in een opgeknapte hijskraan geopend. Wie daar wil slapen, is minimaal 400 euro per nacht kwijt. De Klerk weet ook dat die ontwikkelingen moeilijk tegen te houden zijn. Maar de Scheepsbouwloods had als vrijplaats overeind moeten blijven, zoals de hele werf ooit was.

Conflict

Ook Kreykamp en de overige huurders van de vrije kavels krijgen te maken met de dadendrang van de nieuwe directeur. Aanvankelijk is hij blij met de komst van Olij. ,,Ik dacht, eindelijk een directeur die iets van de loods gaat maken." Behalve Kreykamp wachten ook festivalorganisator Robodock en kunstenaarsvereniging A8 tot ze eindelijk kunnen beginnen met bouwen. Maar wanneer ze hun plannen indienen, worden die steevast afgewezen door de directeur. Volgens Olij omdat de plannen financieel niet haalbaar zijn: de subsidie waar de kunstenaars aanspraak op menen te maken bestaat niet meer, aldus Olij in een brief aan de huurders in juni 2011. Als ze alsnog een atelier willen bouwen, dan moeten ze maar een nieuwe subsidie-aanvraag indienen. Maar de kunstenaars zijn het daar niet mee eens. Zij verwijzen naar eerder gemaakte afspraken, zoals de gemeentelijke subsidiebeschikking uit oktober 2010, waarin staat dat er 450.000 euro beschikbaar blijft voor het realiseren van de vrije kavels.

Door de patstelling die ontstaat, verhardt de verhouding tussen Olij en de vrije kavelaars. Maik ter Veer van Robodock gooit in 2012 na een conflict met Olij de handdoek in de ring. Maar Van Baal en Kreykamp zetten door, tot aan de rechtszaal aan toe. Uiteindelijk kan Van Baal op de werf blijven en gaan bouwen. Zij had een contract waarin de subsidieafspraak stond vermeld. Kreykamp, die voor Olij's aantreden nooit een contract had, verliest zijn zaak, en moet alsnog weg.

Toch blijkt de 4,5 ton subsidie voor de vrije kavels nog wel degelijk beschikbaar te zijn. Dat blijkt uit een interne mailwisseling tussen Olij en Jaap Schoufour van Bureau Broedplaatsen, in het bezit van deze krant. Schoufour schrijft in maart 2013 aan Olij: ,,In jouw weergave van de situatie lijkt de afspraak over de 4,5 ton geheel verdwenen. Dat gereserveerde geld wacht op een plan van Kinetisch Noord om te besteden aan vrije kavelplannen. Ik heb tot nu toe wel die reservering ondanks verstreken deadlines aangehouden." Maar Olij herinnert Schoufour aan een eerdere afspraak die zij hebben gemaakt. En die afspraak draait om het voorschot van 4,5 ton dat Kinetisch Noord zeven jaar eerder ontving om het faillissement te voorkomen, maar bedoeld was voor de vrije kavels. Stadsdeel Noord, Bureau Broedplaatsen en Kinetisch Noord verdelen dat geld nu anders. Zij spreken af dat 150.000 euro vergoed wordt voor de wel gerealiseerde ateliers op de vrije kavelstrook. Maar de overige drie ton, waarmee de rest van de vrije strook bebouwd zou worden, wordt gebruikt om de schuld van Kinetisch Noord te verkleinen. Bureau Broedplaatsen besluit overigens wel om drie ton voor andere broedplaatsen in de stad te gebruiken. Een besluit waarmee verantwoordelijk wethouder Maarten van Poelgeest pas in augustus 2013 instemt.

Olij is zich van geen kwaad bewust. ,,Je moet naar het totaalverhaal kijken. Er was ruim een miljoen schuld toen ik aantrad. Dat moest worden gesaneerd. Met Schoufour heb ik afgesproken dat we 1,5 ton zouden krijgen voor de vrije kavel, en dan was dat afgehandeld. Ward heeft acht jaar de tijd gehad om te bouwen, dan is het ook een keer mooi geweest."

Desillusie

In januari van dit jaar moet Kreykamp de werf verlaten. Hij krijgt vier weken de tijd om zijn kavel te ontruimen. Met 23 zeecontainers en tonnen ander materiaal is dat nogal een opgave. Vijftig vrachtwagenritten zijn nodig om alles te verhuizen. Wat Kreykamp rest is boosheid, desillusie, een schadepost van een paar ton en duizenden kilo's oud ijzer. Die liggen nu weg te roesten op een gehuurd buitenterreintje. Maar ook Olij is boos. Want onbekenden hebben de loods beklad met leuzen als 'Bouwe= fraude' en 'Olij Leugenaar'. In de zandbak die na de ontruiming overblijft is een grafheuvel gemaakt, met de tekst 'hier rust Ward'.

De plek van Kreykamp zal binnenkort verhuurd worden. Tegen een commercieel tarief.

Tekst: Ynske Boersma en Joost Zonneveld

 
En weer wint olie het van de natuur

14-06-2014, Het Parool

Natuurbeschermers strijden vergeefs voor het behoud van een bijzonder stuk regenwoud in het Amazonegebied. De Ecuadoraanse regering geeft de olie-industrie vrij baan.

'Señor Presidente,' staat op het spandoek dat een tiental Ecuadoranen op het centrale plein van Quito met zich meedraagt. 'Wij zijn vóór oliewinning in Yasuní, omdat we betere wegen, onderwijs en gezondheid ervoor terugkrijgen.' 

Het plein in de hoofdstad is volgestroomd met de aanhangers van president Rafael Correa, die hier eens per week het volk toewuift vanaf het presidentiële bordes. Geheel volgens traditie is het na de ceremonie tijd voor protesten.

'Behoud de rijkdom onder én boven de grond', protesteert een groepje indianen, pal naast hun opposanten. Onderwerp van discussie is het natuurreservaat Yasuní, een bijzonder stuk regenwoud in het Amazonegebied van Ecuador. Het park telt niet alleen het grootste aantal dier- en plantensoorten ter wereld, maar ook enkele indianenstammen die nog altijd zonder contact met de buitenwereld leven. Helaas voor hen is ook de ondergrondse rijkdom groot. Het park ligt bovenop Ecuadors grootste bron van inkomsten: aardolie. 

Hoewel al sinds de jaren zeventig olie wordt gewonnen in het park, werd het oostelijk deel van Yasuní, rond de rivieren Ishpingo, Tambococha en Tiputini (ITT), tot nog toe ongemoeid gelaten. Niet alleen is dit het meest afgelegen en ongerepte deel van het Ecuadoraanse regenwoud - met per hectare meer plantensoorten dan in de VS en Canada bij elkaar - ook ligt hier de grootste nog onaangebroken olievoorraad van Ecuador opgeslagen. Naar schatting liggen er 850 miljoen vaten olie verstopt, goed voor twintig procent van het totaal. 

In augustus vorig jaar kondigde Correa aan ook ITT te gaan exploiteren. Een opvallend besluit, want de afgelopen jaren voerde de president juist fervent campagne om dit bijzondere stuk regenwoud te behouden. 

In 2007 bedacht zijn regering een opmerkelijk plan. In ruil voor 3,6 miljard dollar (2,7 miljard euro) aan donaties van de internationale gemeenschap - de helft van wat de oliewinning volgens de regering zou opleveren - zou de olie van ITT ondergronds blijven. Daarmee was het voortbestaan van het park gegarandeerd en zou het leefgebied van de ongeveer drieduizend indianen in het reservaat niet verder worden ingeperkt. 

Natuurorganisaties reageerden enthousiast, regeringen iets terughoudender. Chantage, oordeelde Denemarken. Andere betwijfelden de geloofwaardigheid van de Ecuadoraanse regering en wilden meer inbreng in de besteding van het geld. Zodoende viel de opbrengst tegen: in 2013 stond de teller pas op dertien miljoen dollar en nog eens honderd miljoen aan toezeggingen. 

Te weinig, oordeelde Correa bij zijn aankondiging het ITT-initiatief voortijdig af te blazen - aanvankelijk was dertien jaar uitgetrokken om het geld binnen te halen. "De wereld heeft ons in de steek gelaten," aldus de president, die de internationale gemeenschap beschuldigde van hypocrisie - ze zouden zelf de grootste vervuilers zijn, maar niet bereid zijn daarvoor te betalen. 

Hoewel Ecuador relatief weinig olie produceert, zo'n 500.000 vaten per dag, is het land sterk afhankelijk van zijn olie-inkomsten. Het zwarte goud is goed voor meer dan de helft van de export en een derde van het nationale inkomen. De verwachte opbrengst van het olieveld onder ITT, ongeveer achttien miljard dollar, is volgens Correa hard nodig voor de ontwikkeling van Ecuador, waar ongeveer de helft van de bevolking op de armoedegrens leeft. 

"Het ontbreekt de regering aan creativiteit," vindt natuuractivist Jorge Espinosa van Yasunidos, een collectief van natuur- en mensenrechtenorganisaties. "De focus op olie heeft ons de laatste decennia meer kwaad dan goed gedaan. Daarbij is er alleen al zes miljard nodig om te kunnen beginnen met boren, terwijl de inkomsten nog jaren op zich laten wachten. De werkelijke opbrengst is dus relatief klein." 

Het collectief verzamelde in het afgelopen half jaar bijna 760.000 handtekeningen om een referendum over het behoud van het nationaal park af te dwingen. Volgens de Ecuadoraanse wet zijn daar 584.000 handtekeningen voor nodig, vijf procent van het aantal kiesgerechtigden. Meer dan genoeg handtekeningen dus, ware het niet dat de nationale kiesraad van Ecuador (CNE) begin mei bekendmaakte er ruim 400.000 af te keuren, waarmee de volksraadpleging van de baan is. "Een monumentale flop," noemde Correa het initiatief van Yasunidos in de Ecuadoraanse krant El Tiempo. 

Maar volgens het collectief zijn de resultaten gemanipuleerd. Zo zouden er identificatiebewijzen op mysterieuze wijze zijn verdwenen, waardoor een groot deel van de handtekeningen op voorhand werd gediskwalificeerd. Daarbij mochten slechts zestien toezichthouders naar binnen om tweehonderd tellers te controleren. 

"De verkeerde kleur inkt, een klein scheurtje in het papier, alles werd aangegrepen om de handtekeningen af te keuren," aldus Espinosa. Het collectief heeft bezwaar aangetekend tegen de uitslag en maakt zich op voor een gang naar de rechtbank. 

Niettemin bestaat veel weerstand tegen de plannen. Ruim zeventig procent van de Ecuadoranen is vóór een volksraadpleging over Correa's besluit tot exploitatie van Yasuní, blijkt uit een recente opiniepeiling. Met de regeringscampagne '0,01 procent voor een beter Ecuador' poogt Correa de Ecuadoranen nu te overtuigen van de noodzaak tot boren. Door de beste technieken te gebruiken wordt slechts één duizendste van het park aangetast, stelt de regering. 

"De schade is natuurlijk veel groter dan die 0,01 procent," zegt bioloog Kelly Swing. Hij is directeur van het Tiputini Onderzoeksstation in Yasuní en doet sinds 1994 onderzoek in het reservaat. "Er moet een hele nieuwe infrastructuur worden aangelegd, voor de aanleg van wegen, pijplijnen en huizen voor de oliewerkers. Hiervoor moet een groot gebied worden ontbost. De regering doet alsof je alleen maar een put hoeft te boren." 

Ter compensatie voor de oliewinning belooft de regering geld te stoppen in het verbeteren van de leefomstandigheden van de indianengemeenschappen in het park, zoals beter onderwijs en gezondheidszorg. Maar volgens Swing brengt de praktijk weinig vooruitgang voor de indianen. "Voor de inheemse gemeenschappen betekent de overgang naar de moderne wereld doorgaans dat ze vooral de slechte dingen meekrijgen. Prostitutie en alcoholmisbruik, maar ook vervuiling met olieafval van de rivier waar ze uit drinken en zich in wassen. Er wordt ze een rooskleurige toekomst voorspeld, maar de werkelijkheid is anders." 

Nu het referendum niet doorgaat, is de exploitatie van ITT een feit. Onlangs gaf het ministerie van Milieu officieel groen licht aan staatsbedrijf Petroamazonas om te beginnen met de voorbereidingen voor de oliewinning. Petroamazonas verwacht in maart 2016 de eerste vaten olie naar boven te halen. 

Volgens Swing zal met de exploitatie van ITT uiteindelijk het hele park verloren gaan. "Men schijnt te vergeten dat al sinds de jaren zeventig olie wordt gewonnen in Yasuní. Nu is ongeveer de helft van het park aangetast. ITT zal een springplank zijn om ook de overige delen van het reservaat te exploiteren. Hetzelfde is tussen de jaren zestig en negentig gebeurd in het noordoosten van Ecuador, waar Texaco olie won in een regenwoud met een waarschijnlijk nog grotere biodiversiteit dan in Yasuní. Daar is nu niets meer van over."

Bliksemafleider

De afgelopen jaren stond het behoud van Yasuní volop in de aandacht van internationale media en natuur- en mensenrechtenorganisaties. Maar wat haast onopgemerkt bleef, zijn Ecuadors plannen voor de exploitatie van de overige olievelden en andere natuurlijke bronnen van het land. 

Zo schreef de regering het afgelopen jaar concessies uit voor dertien nog te exploiteren olievelden in het zuidoosten van Ecuador, elk met een oppervlakte van zo'n tweehonderd hectare. Nog eens drie blokken werden toegewezen aan staatsbedrijf Petroamazonas. 

Daarbij hoopt de regering tweehonderd miljard dollar binnen te halen met de winning van koper en goud in andere delen van het land. Protesten van de lokale bevolking tegen de plannen worden hard neergeslagen - zo bepaalt in de Intagvallei in het noorden van het land sinds enkele weken het leger wie het gebied in en uit mag, als gevolg van protesten tegen koperwinning in de vallei. 

"Exploitatie is noodzakelijk voor een duurzame ontwikkeling van de economie van Ecuador," zei president Correa bij de aankondiging van de verdere exploitatie van Yasuní in het Ecuadoraanse parlement. "Het zou absurd zijn om onze natuurlijke bronnen niet te benutten, als bedelaars aan een kust van goud."

Vallei vol wild

14-06-2014, Het Parool

De donkere sterrenhemel wordt om de paar seconden verlicht door de bliksemschichten van het onweer dat kilometers verderop al flink tekeergaat. Onze chauffeur, Frank Sowa, kijkt vorsend naar mijn niet zo stormbestendige trui en haalt een gele prop tevoorschijn. "Wil je soms een regenjas?" Ineens verschijnt een man naast de auto. Hij grijnst en stelt zich voor als Joseph, parkranger. Op zijn hoofd prijkt een groene jagershoed, aan zijn schouder bungelt een geweer. "Dat is een kalasjnikov," fluistert reisgenoot Bob, met onverholen opwinding. We vragen ons af waar het ding voor is - voor een rendez-vous met een boze buffel of om eventuele stropers naar het dodenrijk te verjagen?

In korte tijd betrekt de lucht en het begint te regenen. Snel rollen de mannen een canvas dakje uit over het ijzeren frame van de Land Rover, waarna we vertrekken. Frank rijdt, Joseph zit ernaast. Gids Chrisple zit op de motorkap van de auto, met in zijn handen een schijnwerper waarmee hij koortsachtig in het rond schijnt - niet om de chauffeur bij te lichten, maar om ons een glimp van het nachtelijk wildleven te gunnen. 

We zijn in Lake Manyara, een relatief klein natuurreservaat (330 vierkante kilometer) in het noorden van Tanzania. Het park strekt zich uit langs de westkant van de Grote Riftvallei, de zesduizend kilometer lange kloof die loopt van Libanon tot aan Mozambique. 

De vallei, het gevolg van scheurende aardplaten, heeft het landschap in de loop van de afgelopen dertig miljoen jaar drastisch veranderd. Al het natuurschoon dat we deze dagen bezoeken, bevindt zich in deze kloof: de geïmplodeerde vulkaan Ngorongoro, de vele zoutmeren, Afrika's hoogste berg, de Kilimanjaro, zelfs een actieve vulkaan.

Immense dierentuin

En Lake Manyara dus, met als naamgever een groot zoutmeer waarvan de randen roze zijn gekleurd door de vele flamingo's. Nog maar een paar uur geleden, toen de zon genadeloos hoog aan de hemel brandde, stonden we in hetzelfde park, kijkend naar een paar poedelende nijlpaarden. 

"Het is allemaal begonnen in deze vallei en mogelijk eindigt het hier ook," aldus gids Joseph Kitia (68) met enig gevoel voor dramatiek. Al bijna veertig jaar loodst hij toeristen door de bushbush, vertelt hij aan het begin van onze trip. Joseph kent alle dieren, verstaat hun geluiden; soms beantwoordt hij ze zelfs, om ze uit hun tent te lokken. 

De omineuze voorspelling van Joseph is tweeledig. De kloof waarin we ons bevinden wordt elk jaar een stukje wijder, en de valleibodem een stukje lager. Gaat dat zo door, dan zal dit deel van Oost-Afrika over zo'n drie miljoen jaar veranderen in een eiland. Maar ook de mensheid, die even verderop in dezelfde vallei zijn oorsprong zou vinden, vormt een bedreiging. "De mensheid is ontstaan om de aarde om zeep te helpen," zegt Joseph, doelend op onze vele ingrepen in de natuur. "Laten we dat samen voorkomen." 

Dan gooit het nijlpaard verderop zijn enorme bek wijd open. Een tiental telelenzen draait weg om in te zoomen op het dier. Einde presentatie; we zijn hier gekomen om wilde dieren te spotten. In Lake Manyara zijn dat onder andere honderden vogelsoorten als flamingo's, pelikanen en adelaars, maar ook de Big Five minus de neushoorn (stropers waren ons voor), giraffen, zebra's en andere grote zoogdieren. 

De boomklimmende leeuwen die graag op de takken van de acacia's rusten en waar Manyara om bekendstaat, zien we deze middag niet. Wel een dicht regenwoud bij de ingang van het park dat wordt gevoed door de ondergrondse rivieren. In de takken en op de grond slingeren vele bavianen en andere aapsoorten, en vinden bosbokken en dikdiks (een kleine antilope) een plek in de schaduw. 

Eenmaal uit het bos, op de open grasvlakte, treffen we een paar olifanten. Op hun dooie gemak banjeren ze voor ons uit. Zo zullen we nog veel meer overstekend wild tegenkomen tijdens deze game drive: zebra's, giraffen, gnoes, impala's. De dieren zijn zo op hun gemak met de ronkende fourwheeldrives, dat het soms lijkt alsof we door een immense dierentuin rijden. "Ze weten dat we in de auto blijven, daarom zijn ze niet bang," verklaart onze chauffeur. 

Kort na het vallen van de duisternis, na een maaltijd op de rand van de vallei, rijden Frank en Chrisple ons terug naar het park, ditmaal voor een nachtelijke tocht. Waarom in godsnaam 's nachts op safari gaan? Wel, naar verluidt komt de natuur juist dan tot leven. Nijlpaarden klimmen uit hun poel om zich te goed te doen aan sappig gras (of een soortgenoot te bespringen), nachtdieren als de caracal of genetkat komen uit hun schuilplaats om op zoek te gaan naar eten. 

De schijnwerper blijft in een tak hangen. Een galago, een soort halfaap, kijkt verschrikt terug - zijn ogen oranjegeel reflecterend in het lamplicht. Even later treffen we ook een kleine variant, die nog het meeste wegheeft van een Gremlin. "Dat is een bush baby," zegt Frank. De roep doet denken aan het gehuil van een baby, vandaar. "En kijk daar, een mot," wijst hij. Niet echt een lid van de Big Five, maar hé, we kwamen tenslotte voor het nachtleven.

Natuurkrachten

Dan begint het pas echt te regenen. Een tropische zondvloed; ongenadig hard stort het water naar beneden. Het canvas dakje blijkt zinloos te zijn. We kruipen tegen elkaar aan en trekken een velddeken over ons heen, terwijl Frank de jeep dieper het park instuurt. Ondertussen zoekt de man voorop nog altijd onverstoorbaar door naar de ons beloofde wilde dieren. Wij, de toeristen die hem dit aandoen, schamen ons diep. "Die man heeft de slechtste dag van zijn leven," roept Bob boven de storm uit, ten overvloede. 

We vragen ons ook af welke dieren zich nog naar buiten zullen wagen met dit weer. Buffels dus, blijkt als even later een groepje ogen geel oplicht in de schijnwerper. De kudde blijft even verdwaasd staan en verdwijnt dan in de struiken. 

Even later, op de open vlakte, stopt de regen. Voor even. We horen het blaffende geluid van een nijlpaard. Even later zien we het dier ook. Plompverloren hobbelt het beest over de weg, voor onze jeep uit, om na een tiental meters al even onhandig het moeras in te glijden. 

Ondertussen onweert het onverminderd hard verder. Bij elke bliksemschicht lichten de plassen in het moeras op spookachtige wijze op. "Dit zijn pas natuurkrachten," zeggen we tegen elkaar. Wanneer het nogmaals begint te hozen, besluiten de gidsen terug te keren. Rukwinden en blikseminslagen blijken de weg terug in een hindernisbaan te hebben veranderd. We rijden dwars door struiken en om gevallen bomen heen, het zicht ontnomen door de slagregens. "Zijn jullie oké?" vraagt onze ranger, het geweer nog altijd dicht tegen zich aan. We zijn oké. 

Dat het hier mogelijk ook eindigt? We kunnen het ons na deze avond levendig voorstellen. Gelukkig hebben we nog zo'n drie miljoen jaar te gaan.

SLAPEN

LAKE MANYARA SERENA LODGE

Aan de rand van de vallei, met geweldig uitzicht over het park. Vanaf 188 euro voor een tweepersoonsbungalow.

www.serenahotels.com

OL MESERA TENTED CAMP

Kleine accommodatie met luxe safaritenten tussen de baobabs, vanaf 170 euro voor twee personen.

www.ol-mesera.com

PANORAMA SAFARI CAMP

Met al even geweldig uitzicht als eerstgenoemde locatie. Je mag je eigen tent opzetten of kunt er één huren. Een nacht kamperen kost rond de vijf euro. Je vindt de camping net buiten het naastgelegen dorp Mto Wa Mbu.

REISINFORMATIE

Vlucht Turkish Airlines vliegt dagelijks vanaf Amsterdam via Istanboel naar Kilimanjaro, vanaf 777 euro voor een retourvlucht. KLM vliegt vijf keer in de week, met een tussenstop in Dar es Salaam, vanaf 977 euro voor een retour. In de zomermaanden liggen de prijzen een paar honderd euro hoger.

Valuta de nationale munt is de shilling, ook Amerikaanse dollars worden overal geaccepteerd. Eén euro is (op het moment van schrijven) zo'n 2200 shilling.

Beste reistijd Lake Manyara is het hele jaar door te bezoeken. Om grote dieren te spotten ga je het beste tussen juni en oktober, vogelaars reizen tussen november en juni.

Op safari Shella Beach Tours organiseert alle mogelijke safari's in Tanzania, inclusief accommodatie. www.shellabeachtours.com

Wayo Africa organiseert night game drives in Lake Manyara Park. Kosten rond de 50 dollar per persoon, plus de kosten van de entree voor het park. Te boeken via www.exploretanzania.nl

GEMIDDELDE PRIJZEN

Biertje van zo'n vijfduizend shilling (ruim twee euro) voor een toerist, tot een fractie daarvan voor een local.

Koffie niet aan te raden, je kunt beter thee drinken, net als de Tanzanianen.

Maaltijd rond de tienduizend shilling (vier euro) voor een hoofdgerecht.

 
Santiago wordt wakker

12-04-2014, Volkskrant Magazine

Het Frankfurt van Zuid-Amerika, zo stond Santiago de Chile lange tijd bekend. Economisch ging het lekker met de Chileense hoofdstad, maar op het gebied van cultuur was er weinig te beleven; saai, degelijk en provinciaals. 'Voor eeuwig in slaap', zo noemde de Chileense dichter Pablo Neruda zijn stad.

Maar sinds enkele jaren doet Santiago verwoede pogingen van dat duffe imago af te komen. In de aanloop naar het feestjaar 2010, toen het land tweehonderd jaar onafhankelijkheid vierde, onderging de stad een culturele metamorfose. Moderne cultuur-centra en musea werden uit de grond gestampt, stadsparken opgeknapt en buurten gepimpt, die prompt bohémien heetten te zijn. 

We laten ons rondleiden door de Amerikaanse Mac Mitchell van Bicicleta Verde, een bedrijfje met originele tours door Santiago en de verderop gelegen havenstad Valparaíso. De rondleidingen zijn te voet én op de fiets, want de metropool blijkt onverwachts een heuse fietsstad te zijn. 

En zo trappen wij even later ook door de straten van Santiago, op groene fietsen die met hun stalen boodschappenmandjes en onwaarschijnlijk brede sturen er tamelijk koddig uitzien. De gebruikelijke helm heeft Mitchell achterwege gelaten; als Nederlanders worden we geacht fatsoenlijk te kunnen fietsen. 

Enigszins onwennig - de drukke stromen verkeer van Santiago zijn toch net even anders dan we gewend zijn, volgen we Mitchell naar Bellas Artes en Lastarria, twee recent opgeknapte barrios in de stad. Eens werden de prachtige art-decogebouwen in deze buurt bevolkt door de beter gesitueerden, tot die aan het einde van de militaire dictatuur op de vlucht sloegen uit angst voor wraakzuchtige socialisten. 

Nu wonen er jonge gezinnen, kunstenaars en hipsters, kortom, de usual suspects van een buurt-in-opkomst. Je vindt ze in de verkeersvrije klinkerstraatjes van Lastarria, een gemoedelijke stadsoase omringd door twee parken, waar in het weekend de stoepen worden overgenomen door zingende en jonglerende straatartiesten. Ook fijn is het Plaza Mulato de Gil, een pleintje met daaraan het Museo Nacional de Artes Visuales en het Museo Archeológico, een cafeetje en een paar winkeltjes. 

In Bellas Artes, vernoemd naar het gelijknamige museum, houdt Mitchell halt en wijst naar een statig, lichtroze herenhuis aan de overkant van de straat. 'Ooit woonde daar één gezin, kun je je dat voorstellen?' Hij vertelt hoe na vele jaren van leegstand het satirische politieke magazine The Clinic het gebouw kraakte om er zijn redactie te huisvesten. 

Inmiddels heeft The Clinic het pand gekocht en getransformeerd in een alternatieve culturele verzamelplaats, met een cocktailbar, een filmhuis, expositieruimte en een vintagewinkel en als klap op de vuurpijl een seksshop voor vrouwen, bedoeld om het vrouwelijk schoon uit het conservatieve Chileense keurslijf te krijgen. En oh ja, je kunt in het gebouw ook je fiets laten repareren. 

Iets verderop huist het Centro Cultural Gabriela Mistral (GAM), vernoemd naar de Chileense dichteres Gabriela Mistral, de eerste Latijns-Amerikaanse schrijfster die de Nobelprijs voor de Literatuur won. Het dertienduizend vierkante meter tellende complex, in 1972 gebouwd door de socialistische president Allende, werd kort na de staatsgreep door Pinochet gebombardeerd tot het nieuwe regeringsgebouw en vernoemd naar de conservatieve staatsman Diego Portales - een postume belediging van Allende. 

Sinds 2010 heeft het complex weer zijn oude naam en functie terug. 'Allende wilde dat cultuur voor iedereen toegankelijk zou zijn, ook voor de arme boeren', vertelt Mitchell. En dus is, in de geest van de socialistische president, ook het nieuwe centrum gratis te bezoeken en zijn de prijzen voor de concerten, exposities en dans- en theatervoorstellingen vriendelijk. Behalve twee grote expositieruimten is er een grote, met kleurige glas-in-loodramen overdekte binnenplaats, waar je met een drankje op het terras van het café uitkijkt op coole kunstinstallaties. 

Voor een iets minder gepolijst stadsgezicht fietsen we naar Patronato, aan de andere kant van de Río Mapocho, de geelbruine rivier die Santiago in tweeën snijdt. 'El barrio commercial y cosmopolita' doopten een paar optimistische stadsvernieuwers deze buurt een paar jaar geleden. En nou ja, winkels zijn er inderdaad te over. Chinese vooral, hele blokken vol, met kleren die het naar verluidt precies één zomer uithouden. 

Maar laat je daardoor vooral niet afschrikken. Patronato, al eeuwenlang de immigrantenbuurt van Santiago, is een cultureel ratjetoe met precies de goeie rafelrand. Lange tijd was deze buurt de plek waar de outcasts van Santiago terecht-kwamen. Niet voor niets heet de deze kant van de rivier La Chimba - 'de overkant'. Eens waren dat de Inca's, later kwamen de Arabieren, Koreanen en Chinezen. 

Statige oude Moorse villa's, daar eens neergezet door vermogende Arabieren, worden afgewisseld met blokken verweerde maar kleurrijke arbeidershuisjes uit de vorige eeuw, hier en daar opgesierd met graffiti. Ga er eten bij een van de vele Koreaanse, Noord-Afrikaanse of Vietnamese eethuisjes en stort je in het gewoel van het licht-hysterische Chinatown. In dit stadsdeel is ongeveer alles, voor bijna niets te koop. 

Een paar straten verderop doemt een enorme, golfplaten markthal op. La Vega Central heet deze voedselmarkt, die zich uitstrekt over vijf stratenblokken. Menig toerist en rijke Chileen laat deze markt, in dit nog niet opgeknapte deel van het centrum, links liggen voor een bezoek aan de veel bekendere Mercado Central. Onterecht; La Vega is fantastisch. 

Het aanbod is ronduit overweldigend. Alle mogelijke soorten groenten en fruit, vers vlees en dito vis, kruiden en peulvruchten en zelfs een pad met hondenvoer. We zien de lichtgele, rode, en dieppaarse aardappels van het eiland Chiloé, vele bergen perfect rijpe avocado's, perziken, frambozen en glanzend oranje persimoenen. En pepers, in alle mogelijke kleuren, soorten en maten en van mild tot tongverschroeiend heet. 

Voorzichtig ruiken we aan een van de hoog opgetaste bergen merkén, de nationale specerij van Chili, gemaakt van zon-gedroogde en vervolgens gerookte chilipeper en zout. De Chilenen strooien het over hun geroosterde vlees of over de ceviche (visschotel) - eigenlijk maakt merkén alles lekker, als we de bejaarde peperverkoper achter de kraam mogen geloven. 

Dan stuiten we op een hal vol kleine restaurantjes, waar gezeten aan houten tafels met rood-witgeblokte tafelkleedjes, marktwerkers en buurtbewoners zich volstoppen met Chileense boerengerechten. Zoals cazuela, de traditionele Mapocho-stoof met kip, pompoen, wortel en mais. Een aanrader, want gemaakt met de verse producten van de markt en voor geen geld. 

Schrik overigens niet als er onder de tafel iets zachts langs je benen strijkt: La Vega is vergeven van de zwerfkatten. 'Ach', zegt Mitchell vergoelijkend: 'Dan zijn er in ieder geval geen ratten.'

Foto Jurriaan Teulings

 

 
Underground scene

22-02-2014, Het Parool

Waarom zou je in Londen naar een kerkhof gaan? Omdat de stad zeven prachtige victoriaanse tuinbegraafplaatsen telt, bijgenaamd The Magnificent Seven.

Abney Park 

Overdag waan je je er in een sprookjesbos, bij nacht in een horrorfilm. Grafstenen steken overal waar je kijkt schots en scheef de grond uit, groen bemost en overwoekerd door klimop. Langs de graven slingeren vele paadjes, waardoor het makkelijk verdwalen is. Midden in het dichte bos staat een verlaten, uitgebrande kapel, omringd door onthoofde engelenbeelden en een enkele omgevallen boom.

We zijn in Abney Park, de oude begraafplaats van de alsmaar hipper wordende wijk Stoke Newington (zie kader), in het Londense district Hackney. In 1840 werd dit 32 hectare grote park opengesteld als begraafplaats en bomentuin tegelijk - een bijzondere combinatie, zeker in die tijd. Nog steeds telt het park honderden verschillende soorten bomen, struiken en paddenstoelen. (Niet eten - ze zitten vol met arsenicum, afkomstig van de gebalsemde lijken van de victoriaanse society, maar dit terzijde.) 

De begraafplaats is minder opzichtig dan de rest van de Magnificent Seven - zoals de zeven victoriaanse tuinbegraafplaatsen in Londen bekendstaan - maar minstens zo bijzonder. Stoke Newington was destijds een wijk van religieuze dissidenten, en zo werd Abney de eerste begraafplaats waar doden van alle geloofsrichtingen terechtkonden. 

In 1978 sloot de begraafplaats, waarna het park aan zichzelf (en vandalen) werd overgelaten. Beelden en grafstenen raakten in verval, maar ook de natuur kon haar gang gaan. Het resultaat is een bijzonder stuk stadswildernis en misschien wel het mooiste stukje van Hackney. 

Inmiddels heeft een groep buurtbewoners zich over Abney ontfermd en is het park aangewezen als Local Nature Reserve - ofwel een beschermd natuurgebied, maar dan midden in de stad. De begraafplaats is een populaire plek onder de Londenaren. Buurtbewoners laten er hun hond uit, hollen dapper over de glibberige paden of ontmoeten hun geliefde bij het vallen van de schemering. Saillant detail: er schijnt nog ergens een niet-ontplofte bom uit de Tweede Wereldoorlog in het park te liggen. Betreden op eigen risico dus. 

www.abneypark.org 

Highgate Cemetery 

Parijs heeft Père Lachaise, Londen heeft Highgate - de grootste en meest bezochte loot van de Magnificent Seven. Eenieder die er in het negentiende-eeuwse victoriaanse Londen een beetje toe deed, wilde hier de eeuwigheid ingaan, bij voorkeur met een zo groot en protserig mogelijke tombe of met een prestigieus familiegraf. 

En voor wie er niet toe deed in de Londense society was de dood een uitgelezen mogelijkheid om middels een megalomaan graf alsnog postuum bekendheid te verwerven. Zoals de Joodse zakenman Julius Beer, die uit wraak voor het uitblijven van acceptatie onder de victoriaanse adel besloot dan maar het allergrootste mausoleum van Highgate voor zichzelf te bouwen, à raison van vijfduizend pond - het equivalent van drie miljoen pond nu. 

De begraafplaats, gebouwd tegen de heuvel van Highgate Village in het noorden van Londen, is nu een populaire bestemming onder toeristen. Ze vergapen zich er aan het graf van Karl Marx en andere Bekende Doden als George Eliot en de familie van Charles Dickens. De bezoekers laten zich de stuipen op het lijf jagen op het westelijke, oudste deel van de begraafplaats, dat met zijn door wildernis overwoekerde gotische grafmonumenten en mausolea, Egyptische obelisken en andere grafparafernalia een uitstekend decor vormt voor een horrorfilm. Niet voor niets vond Bram Stoker hier de inspiratie voor zijn Dracula. 

Het recentste, oostelijke deel is vrij toegankelijk. Het westelijke deel is sinds 1975 gesloten vanwege de deplorabele staat van de graven en is nu alleen onder begeleiding van een gids te zien. 

www.highgatecemetery.org 

Kensal Green 

'For there is good news yet to hear and fine things to be seen / Before we go to paradise by way of Kensal Green.' Zo dichtte eens G.K. Chesterton over Kensal Green Cemetery, de oudste begraafplaats (1833) van de Magnificent Seven, in de wijk Kensington and Chelsea. 

De tuinbegraafplaats is gebouwd naar het voorbeeld van Père Lachaise, met brede lanen waar eens de koetsen van de victoriaanse aristocratie overheen ratelden en smallere wandelpaden waarover het fijn slenteren was op de zondagmiddag. En dat is het nog steeds, getuige de vele buurtbewoners die door het park lopen of rennen, of spelen met hun kinderen op het gras tussen de graven. 

Hoewel Kensal Green nog altijd in gebruik is, hebben ook hier vele jaren van verwaarlozing het park veranderd in een klein stukje natuurgebied in Londen, met vele vogelsoorten, zeldzame planten en eeuwenoude bomen. De graven - van simpele kruisen tot mausolea compleet met Romeinse zuilengalerijen en badkuipvormige sarcofagen, en van glanzend marmer versierd met verse bloemen tot verzakte en vervallen stenen - staan kriskras door elkaar, ogenschijnlijk zonder enig onderscheid. Dat was er overigens wel, want het park was opgedeeld in plekken voor verschillende geloofsrichtingen, met drie bijbehorende kapellen. 

Ga op ontdekkingstocht langs de graven, het ene nog groter en protseriger dan het andere, en gebruik je smartphone om het verhaal achter de veelal poëtische grafschriften op te zoeken. Zo leren we over de Londense kwakzalver John Saint John Long, in 1830 veroordeeld voor het ombrengen van een jonge patiënte met zijn zelfbedachte 'experimentele' behandeling. Desondanks was de man zo geliefd onder zijn patiënten dat ze na zijn dood een metershoog grafmonument voor hem oprichtten, inclusief Mariabeeld en zuilengalerijtje met esculapen. 'By those who knew his worth, and his benefits.' 

www.kensalgreencemetery.com 

Abney Park ligt midden in één van de gewilde buurten van Londen op dit moment: Stoke Newington, door zijn bewoners ook wel liefkozend Stokie genoemd. Tot een jaar of tien geleden was deze buurt in het noordoosten van stadsdeel Hackney nog de afvoerput van Londen, een plek die je ten zeerste meed als je niet dood gevonden wilde worden - en de meeste Londenaren meden de wijk dan ook. 

Maar de laatste jaren is Stokie, net als de rest van Hackney, hard bezig zichzelf opnieuw uit te vinden. Krakers, kunstenaars en andere creatieven zetten de ontwikkeling in gang, een rondje stadsvernieuwing deed de rest. 

Daarbij heeft de wijk, van oudsher dé verzamelplek voor religieuze dissidenten en andere outcasts in Londen, zijn eigenwijze karakter behouden. Een Starbucks zal je er niet vinden - de bewoners wisten de komst van de keten succesvol tegen te houden. 

Wel vind je in Church Street en High Street een onwaarschijnlijke concentratie boetiekjes en vintagewinkels, met onder andere kleding, antiek, tweedehands platen en boeken. Op zaterdagochtend is er de Farmers' Market, de eerste volledig biologische boerenmarkt van Engeland. Ook heeft de buurt zijn eigen literaire festival; dit jaar is die van 6 tot 8 juni. 

Duik na het gravehunten en shoppen ook vooral de kroeg in: de straten zijn vergeven van gemoedelijke cafeetjes, pubs en restaurants. Zoals het onuitspreekbare Auld Shillelagh, een donkere Ierse pub in Church Street waar men zegt Guinness-perfectie na te streven. Een nieuwkomer is The Jolly Butchers, een pub met tientallen verschillende ciders, ales en bieren op tap, lokaal gebrouwen uiteraard. Voor de ware pubervaring neem je op zondagmiddag de sunday roast.

 
Een noodoproep voor elke verwarde

31-01-2014, Het Parool

Het aantal verwarde mensen dat door de politie naar de crisisdienst wordt gebracht, neemt al jaren gestaag toe. Zijn er echt meer vreemde types op straat of zijn we minder tolerant geworden?

Stel, u kijkt uit uw raam, en ziet daar een naakte man op een balkon. Hij is druk bezig - en dan niet met het winterklaar maken van zijn stadstuintje, maar met het bevredigen van zichzelf. Tamelijk luidruchtig, dat ook. Beschroomd draait u zich om, en belt 112. Even later arriveert de politie, die de man aflevert bij de Spoedeisende Psychiatrie Amsterdam (SPA), de 'eerstehulppost' voor mensen in psychische nood in West.

Het is een (waargebeurd) voorbeeld van de verwarde mensen met wie agenten in Amsterdam steeds vaker te maken krijgen. De politie bracht het afgelopen jaar 1819 mensen met acute psychiatrische problemen naar de SPA, schreef deze krant woensdag. Daarmee is het aantal mensen dat via de politie in de crisisopvang terechtkomt alweer gestegen. Zo ging het in 2008 nog om 1482 patiënten. 

Agenten zijn daarmee veel tijd kwijt aan deze psychiatrisch patiënten, die worden opgepakt omdat ze gevaar of overlast veroorzaken op straat. Volgens hoofdcommissaris van de politie Pieter-Jaap Aalbersberg gaat het veelal om 'uitbehandelde' patiënten uit de GGZ, op wie het toezicht vanuit de zorg tekort zou schieten. "Het is geen verwijt aan de GGZ, maar de nazorg moet beter worden georganiseerd om dit probleem aan te pakken," aldus Aalbersberg. 

Dat beeld wil Mariëlle Ploumen, directeur behandelzaken van de SPA, graag bestrijden. "Sinds we zijn begonnen met het afbouwen van bedden in de GGZ, en mensen vaker zelfstandig zijn gaan wonen, hebben we de mensen met psychische stoornissen juist goed in kaart. Voor het toezicht op medicijngebruik werken we samen met andere instellingen als de thuiszorg, apothekers, het Leger des Heils. Heeft iemand meer zorg nodig, dan gaat vaker een hulpverlener langs." 

Ook hoeft het feit dat de politie meer meldingen krijgt van overlast van verwarde mensen, niet meteen te betekenen dat die overlast ook werkelijk is toegenomen, aldus Ploumen. "Dat psychiatrisch patiënten zo veel mogelijk thuis blijven wonen en zo min mogelijk worden opgenomen, betekent niet zozeer dat de overlast toeneemt, maar wel dat mensen meer worden geconfronteerd met psychiatrisch patiënten in hun buurt. Het zou kunnen dat ze daar nu sneller de politie voor bellen." 

Eenzelfde verklaring geeft Louk van der Post, gepensioneerd psychiater bij de Amsterdamse crisisdienst. In 2012 promoveerde hij op een onderzoek naar spoedeisende psychiatrische consulten in Amsterdam. "Er zijn signalen dat mensen minder tolerant zijn geworden ten opzichte van psychiatrisch patiënten in hun buurt. Mensen gaan sneller piepen als de buurman zich vreemd gedraagt. In plaats van te vragen hoe het met hem gaat, bellen ze de politie." 

Van der Post: "Over het algemeen kun je zeggen dat er sinds de jaren tachtig meer verwarde mensen met de politie in contact komen, en dat ze er steeds ernstiger aan toe zijn. Maar het is niet zo dat patiënten niet de goede zorg krijgen, zoals Aalbersberg suggereert. Het grootste probleem is het gebrek aan sociale structuur in hun leven. Ze hebben weinig contacten en leven vaak van een uitkering, zonder gestructureerde dagbesteding. Daardoor is er weinig zicht op hun dagelijks leven." 

Ook het totale aantal mensen dat op de crisisdienst terechtkwam, nam fors toe. Zo zag de SPA in 2012 6505 mensen met acute psychische problemen, tegen 4771 in 2008. "Een mogelijke verklaring voor de stijging is dat er meer mensen met psychiatrische problemen in de stad wonen. Maar dat kan ook komen doordat de SPA als eerstehulppost voor psychiatrie meer bekendheid heeft gekregen in de stad," zegt Ploumen. 

De EHBO voor spoedeisende psychiatrie, in de Eerste Constantijn Huygensstraat in West, werd in 2003 opgericht als centrale crisisopvang voor alle acute psychiatrische gevallen in de stad, en is een samenwerking van de politie, GGD, en GGZ. Daarvoor waren er drie verschillende opvangplekken. 

Wanneer de politie in aanraking komt met psychisch ontregelde mensen, wordt eerst de afdeling Vangnet en Advies van de GGD Amsterdam ingeschakeld om te beoordelen of iemand inderdaad naar de crisisopvang moet, of wellicht meer gebaat is bij een andere vorm van hulp, zoals bijvoorbeeld verslavingszorg. 

Afgelopen jaar kwam de GGD 5876 keer in actie op verzoek van de politie. Ook die verzoeken zijn de afgelopen jaren flink toegenomen, zegt Michael Willemsen, teamleider van Vangnet. Een oorzaak daarvoor is lastig aan te wijzen. "Er zijn vast mensen die meer zorg nodig hebben dan ze nu krijgen, maar of dat nu voor de stijging heeft gezorgd? Wel kunnen de toegenomen kosten van de zorg een hogere drempel opwerpen voor bepaalde mensen. Of mensen sneller de politie bellen voor de doorgedraaide buurman? Ja, dat ook." 

Het gaat overigens niet alleen om psychische problemen, benadrukt Willemsen. "Het is echt niet zo dat er nu opeens allemaal verwarde mensen op straat lopen. De verzoeken van de politie gaan ook over andere problematiek: van huiselijk geweld tot verslavingen en schulden. Ook die problemen zijn toegenomen." 

Ongeveer een derde van de mensen die worden beoordeeld door Vangnet krijgt een doorverwijzing naar de spoedeisende psychiatrie. Bijkomend probleem is dat die de toestroom niet altijd aankan. Willemsen: "We proberen het te voorkomen, maar het gebeurt wel eens dat patiënten in de politiecel moeten wachten tot er een plek vrijkomt." 

Ploumen zegt dit probleem niet te herkennen. "De doorstroming is meestal goed maar het gebeurt, net als bij de EHBO in het ziekenhuis, wel eens dat de SPA vol zit. We kijken dan wie het acuutst zorg nodig heeft, en wie moet wachten. Soms moeten ze daarvoor in de cel blijven, maar dat gebeurt niet vaak."

Psycholance

Sinds 2003 worden alle patiënten in acute psychische nood overgebracht naar de Spoedeisende Psychiatrie Amsterdam, de crisisopvang aan de Eerste Constantijn Huygensstraat in West. Ongeveer een derde van hen komt binnen via de politie, na beoordeling door de afdeling Vangnet en Advies van de GGD. 

Hoewel deze samenwerking tussen politie, GGZ en GGD wordt beschouwd als een succes, is het vervoer van de patiënten door de politie naar de opvang al jaren een doorn in het oog van de hulpverleners. Nu worden psychiatrisch patiënten nog geboeid achter in de politiebus naar de opvang gereden, soms na een verblijf in de politiecel. Voor de toch al verwarde patiënten kan dat zeer traumatiserend zijn, aldus politie en hulpverleners. 

Half april beginnen politie, GGD, SPA en Ambulance Amsterdam een proef met een psycholance, een ambulance voor psychiatrisch patiënten, bemand door hulpverleners van de Spoedeisende Psychiatrie. Agenten zijn daardoor minder tijd kwijt aan het vervoer van patiënten, die op hun beurt eerder de juiste zorg krijgen, is de gedachte. 

Het idee is niet nieuw - zo was het in de Sovjet-Unie al heel gebruikelijk verwarde mensen met een ambulance te vervoeren. 

De Amsterdamse ambulance voor psychiatrisch patiënten is gebaseerd op de psycholance in het Noorse Bergen, opgezet door de Nederlander Arjen van Dijk.

Foto Maarten Brante

Te mooi om waar te zijn

25-01-2014, Het Parool

De meisjes kijken ernstig. Een beetje bedremmeld, ook wel. Maar het gaat dan ook om een serieuze zaak, dat begrijpen deze twee zusjes goed. Geduldig poseren ze voor de camera van portretfotograaf Yaseen Al-Obeidy (1951), gezeten op twee plastic keukenkrukjes. Ze zijn gehuld in roze prinsessenjurken, met rokken van tule. Op hun hoofden prijken feesthoedjes van glimmend folie (zie coverfoto).

We zijn in Studio Iman, in een volkswijk aan de rand van Bagdad. Een doornormale wijk eigenlijk, voor zover je het leven in Irak normaal kunt noemen. Het land is na vele jaren van dictatuur, drie oorlogen en ontelbare aanslagen verwoest en verdeeld, met bevolkingsgroepen die elkaar zo erg naar het leven staan dat hun buurten worden gescheiden door muren. Er vielen vele, vele doden. En die vallen nog steeds. 

Je zou als Irakees om minder de hoop kunnen opgeven. 

Maar wie de portretstudio van Yaseen binnenstapt, is ver weg van die wereld van oorlog en onderdrukking. Hier geldt een andere werkelijkheid. Eentje die je zelf mag bedenken. Of meerdere werkelijkheden, dat mag ook. 

Zo zien we een jongeman, staand naast een concertvleugel. Uit zijn openstaande oranje geblokte overhemd krult wat borsthaar omhoog, één hand is nonchalant in de zak van zijn spijkerbroek gestoken. Op een andere foto zien we dezelfde jongen, maar dan vroom gekleed in het zwart, staande voor een gephotoshopte gouden moskee, met in zijn hand een bidsnoer. Het zijn twee kanten van hoe hij zichzelf het liefst ziet, in beeld gebracht door de camera van Yaseen. 

De Irakese portretfotograaf legde zo in de afgelopen 45 jaar duizenden landgenoten vast. Eerst in een fotostudio in Basra, in het zuiden van Irak, totdat een hardhandig neergeslagen opstand van sjiieten in 1991, waarbij zijn studio deels werd verwoest, hem dwong terug te keren naar zijn geboorteplaats Bagdad. Daar opende hij studio Iman, waar hij tot op de dag van vandaag fotografeert. 

In die 45 jaar veranderde de Irakese samenleving volledig. In 1979 greep Saddam Hoessein de macht, en tientallen jaren van oorlog en onderdrukking zouden volgen. 

Die beelden zijn bekend. Maar waar we tot nu toe weinig van te zien kregen, is wat er achter de schermen van het ontwrichte land gebeurt. Het leven van alledag, dat ondanks alles gewoon doorgaat. 

Wanneer Irakezen trouwen, een verjaardag of iets anders vieren, dan hoort daar een bezoek aan de fotostudio bij. De foto's gaan thuis aan de muur, of in de portemonnee, maar worden ook gedeeld met vrienden en familie. Maar ook bij een huwelijksaanzoek is het heel normaal een in de fotostudio gemaakte afbeelding van jezelf te overhandigen - ook in tijden van oorlog. 

En zo geven de duizenden portretten, vastgelegd door Yaseen, ons een bijzondere inkijk in het leven van die 'gewone' Irakees, en hoe de manier waarop zij zich laten portretteren sinds 1968 is veranderd. 

Zo werkte Yaseen tot in de jaren zeventig met glasnegatieven, die hij met de hand retoucheerde. Mannen krijgen met een pen vollere haarbossen en snorren toebedeeld, vrouwen lonkende wimpers als in een make-upreclame. 

Eind jaren zeventig begint hij in kleur te fotograferen, waarmee ook kleurige achtergronden en attributen hun intrede doen. Behang van idyllische landschappen en boeketten plaatsen de Irakezen in een decor van pastorale kitsch. Irakezen die er met hun spijkerjassen en vintagelook overhemden overigens bijzonder hip uitzien. 

Hoe grimmiger de buitenwereld, hoe vrolijker de foto's van Yaseen lijken te worden. We zien kinderen tegen een felgekleurde achtergrond van alpenweidebehang, omgeven door gephotoshopte vliegende taarten en Disneyfiguren. Maar ook een netjes geklede man in een bloemenveld, die boven de besneeuwde bergtoppen in het decor lijkt uit te torenen, met in de wolken een nog grotere afbeelding van dezelfde man. 

De foto's zijn theatraal, maar tegelijkertijd ook intiem. Vrouwen laten zich ook portretteren zonder de hoofddoek waarmee ze nu in het dagelijks leven over straat gaan. Maar Al-Obeidy krijgt ook regelmatig verzoeken om verloren familieleden in de foto's te shoppen. Zodat ze, al is het maar in een schijnwereld, voor even toch weer bij elkaar zijn.

Tropenmuseum

In het Tropenmuseum opent 31 januari de tentoonstelling Fotostudio Bagdad, met daarin circa honderd foto's uit de collectie van Irakese portretfotograaf Yaseen Al-Obeidy. De foto's, gemaakt in Al-Obeidy's fotostudio's in Basra en Bagdad, laten zien hoe Irakezen uit alle lagen van de samenleving zich de afgelopen 45 jaar bij feestelijke gelegenheden lieten portretteren, tegen de onzichtbare achtergrond van een door oorlog en dictatuur ontwrichte samenleving. 

Het Tropenmuseum kwam de collectie op het spoor door Al-Obeidy's zoon Zaid, die drie jaar geleden naar Nederland kwam voor asiel, met in zijn bagage tweehonderd negatieven uit de collectie van zijn vader. De foto's waren aanleiding voor de theatervoorstelling Foto Salon Bagdad (2011) van kunstenares Elina Cerpa. 

Door de jaren heen zien we hoe de door Al-Obeidy geportretteerde Irakezen steeds verder van de werkelijkheid verwijderd raken. Ze zijn weergegeven zoals ze zichzelf graag zien. Ook merken we dat vrouwen uit de publieke sfeer verdwijnen - op verzoek van de fotograaf zijn er geen recente foto's van vrouwen in de tentoonstelling opgenomen.

Fotostudio Bagdad, van 31/1 t/m 27/4

in de Parkzaal van het Tropenmuseum.

Kan de gemeente de jeugdhulp aan?

20-01-2014, Het Parool

Vanaf 2015 komen alle vormen van jeugdzorg in handen van de gemeente. Kinder- en jeugdpsychiater Chaim Huyser ziet grote gevaren.

Een voorbeeld. Een jongetje wast wel honderd keer per dag zijn handen. De huisarts verwijst het kind door naar de Bascule, het academisch centrum voor kinder- en jeugdpsychiatrie in Amsterdam, de enige plek in het land met een gespecialiseerde afdeling voor kinderen met dwangstoornissen. Nu kunnen alle kinderen uit het land daar nog terecht. Volgend jaar, wanneer met het ingaan van de nieuwe Jeugdwet alle taken op gebied van jeugdzorg overgaan naar de gemeenten, krijgt het kind alleen een behandeling als zijn gemeente dat betaalt. 

Chaim Huyser, kinder- en jeugdpsychiater en geneesheer-directeur van de Bascule, maakt zich grote zorgen. Hij was één van de eerste ondertekenaars van de petitie Zorg over de jeugd-GGZ, waarmee de initiatiefnemers willen voorkomen dat de geestelijke gezondheidszorg voor jongeren verdwijnt uit de zorgverzekeringswet. De petitie is inmiddels meer dan 85000 keer ondertekend. 

De tegenstanders vestigen hun hoop op de Eerste Kamer, waar meer weerstand tegen de wet lijkt te bestaan dan bij hun collega's in het parlement. De wet wordt waarschijnlijk 11 februari behandeld in de senaat.

Wat gaat er veranderen?

"Nu worden kinderen met psychische problemen doorverwezen door bijvoorbeeld de huisarts, en dan krijgt het kind de hulp die het nodig heeft, betaald uit de zorgverzekering. Vanaf 2015 moet de gemeente die zorg inrichten en bekostigen. In Amsterdam wordt nu een systeem opgetuigd met wijkteams, waarin 'ouder-en-kindregisseurs' bepalen welke hulp een kind nodig heeft. Ouders en kind worden daarbij gestimuleerd om zo veel mogelijk zelf en in hun eigen netwerk de problemen op te lossen."

Welke gevaren voorziet u als de plannen doorgaan?

"Deze wet komt voort uit de problemen die nu in de jeugdzorg bestaan. De jeugdhulpverlening is versnipperd, waardoor hulpverleners niet goed samenwerken. Een ander punt is de toegenomen druk op de specialistische jeugdzorg en -psychiatrie. De kosten zijn te hoog geworden. Vanaf volgend jaar heeft de gemeente één pot geld, waaruit alle zorg moet worden betaald. De focus van de gemeente is daarbij gericht op een integrale gezinsaanpak met één regisseur per gezin. Dat zou de hulp efficiënter moeten maken." 

"Die samenwerking tussen hulpverleners kan inderdaad beter, maar het beeld dat de overheid schetst, is vertekend. In de regio Amsterdam krijgen zo'n 18.000 kinderen geestelijke gezondheidszorg. Hooguit twintig procent van hen heeft ook te maken met hulpverleners van andere vormen van jeugdzorg; de zogeheten multiprobleemgezinnen betreffen zo'n tien procent van de gevallen." 

"Voor die doelgroep werkt een integrale gezinsaanpak heel goed, maar men ziet over het hoofd dat dit maar een kleine groep is. Nu dreigt de rest van de kinderen te worden meegezogen in de hulp die is toegespitst op die probleemgezinnen." 

"Daarbij is het de vraag of de zorgregisseurs van de gemeente lastig in beeld te brengen stoornissen als autisme zullen herkennen. Het gevaar bestaat dat dan kinderen te lang blijven hangen in de lichte zorg van de wijkteams, voordat ze toegang krijgen tot specialistische hulp. In de wijkteams wordt wel samengewerkt met specialisten, maar het is nog niet duidelijk hoe dat in de praktijk zal gaan." 

"Een andere zorg is dat gemeenten de vrijheid houden om van beleid te veranderen. Zij bepalen welk gedeelte van hun budget ze aan de geestelijke gezondheidszorg willen besteden. Als dat te weinig is, zullen er wachtlijsten ontstaan. Wethouders wisselen om de vier jaar, dus straks krijg je een jeugdzorg die afhankelijk is van de politieke kleur van de zittende wethouder. Het wordt dan lastig om de kwaliteit van de hulp te waarborgen."

Problemen worden gemedicaliseerd, zegt staatssecretaris Van Rijn. Hij denkt dat veel kinderen ook wel met lichtere hulp afkunnen.

"Soms krijgt een kind te weinig pillen, soms te veel, of te gemakkelijk. Om dat te verbeteren moeten we professionaliseren, niet demedicaliseren. Demedicaliseren suggereert dat medische zorg niet nodig is, dat we de psychische problemen als ADHD ook wel kunnen oplossen met een opvoedcursus. De overheid stelt het met de term medicaliseren voor alsof we alleen maar etiketten plakken en pillen geven."

Het recht op zorg vervalt. Als kinderen straks niet de gewenste behandeling krijgen, zijn hun ouders aangewezen op een bezwaarprocedure bij de gemeente.

"Dat is een pijnlijk punt, ja. Zorg laat niet op zich wachten; het lijkt me bezwaarlijk als we daarvoor naar de rechter moeten stappen."

Gemeente doet alles

Zorg van de gemeente is niet nieuw, zo komen de schoolarts en het consultatiebureau al uit het gemeentebudget. Maar vanaf volgend jaar is de gemeente verantwoordelijk voor álle vormen van jeugdhulp, dus ook de jeugdzorg, jeugd-GGZ, jeugdreclassering en de hulp voor verstandelijk beperkte jongeren. Deze decentralisatie gaat gepaard met een flinke bezuiniging: de ongeveer 270 miljoen die nu beschikbaar is voor de Amsterdamse jeugdhulp, moet in 2017 zijn teruggeschroefd naar 236 miljoen. Voor het inrichten van het nieuwe jeugdzorgsysteem heeft de gemeente ruim 12 miljoen uitgetrokken.

'Specialist blijft'

De reactie van Rutger Hageraats, die verantwoordelijk is voor de uitvoering van de wet op de jeugdzorg in Amsterdam: 

"De zorgregisseurs in de wijkteams werken samen met specialisten uit de jeugd-GGZ. Wanneer de regisseur er bij het beoordelen van een hulpvraag niet uitkomt of signalen krijgt dat er een psychisch of medisch probleem is, roept hij de hulp van een specialist in. Er zijn zowel teams speciaal voor de multiprobleemgezinnen als teams voor de reguliere jeugdzorg. Voor de bezwaarprocedure hebben we nog geen oplossing, die moeten we nog inrichten en die willen we zo simpel mogelijk houden. Daarbij kunnen ouders altijd met hun kind naar de huisarts, die mag ook na de invoering van de nieuwe wet blijven doorverwijzen."

 

 

 

 

 

 
Picasso en pasta tussen de vleeshaken

18-01-2014, Volkskrant

Voormalige slachthuizen in grote steden transformeren tot alternatieve culturele en culinaire centra.
 
1. Teurastamo, Helsinki
 
Lekkerbekken halen hun hart op in Teurastamo, oftewel de voormalige slachthuizen van Helsinki. Sinds anderhalf jaar is het roodbakstenen, monumentale complex een culinair wonderland met vele restaurantjes, eetfestivals, marktjes en een eetbare tuin, verbouwd door buurtbewoners. Zo eet je er langzaam geroosterd varken van het spit en Italiaanse huisgemaakte pasta van een fabriekje op het terrein. Ook leuk zijn de verse vis en groente klaargemaakt in een buitenkeuken op zonne-energie, die je opeet in het eindeloze zonlicht van de Finse zomer.
 
teurastamo.com
 
2. Abattoir, Brussel
 
'Waar Brussel leeft', luidt de slogan van Abattoir, dat sinds een paar jaar behalve slachthuis en marktplaats ook een ontmoetingsplek voor de buurt is. Zo is het 19de-eeuwse slachthuizencomplex het toneel van feesten, exposities, boerenmarkten en debatavonden. Ook zijn er kookworkshops voor buurtkinderen, en op het dak wordt gewerkt aan de grootste stadstuin van Brussel. Wie op donderdagavond de enorme markthal van Abattoir binnenstapt, treft een paar duizend feestende Brusselaars, omringd door kraampjes waar artisanaal en lokaal geconsumeerd kan worden. In de kelders van hetzelfde complex vergaap je je aan een tentoonstelling en o ja, er worden ook nog ergens koeien geslacht.
 
abatan.be
 
3. Il Mattatoio di Testaccio, Rome
 
Van kunst en cultuur tot een 'alternatieve economie', u hoeft zich niet te vervelen in het Mattatoio, het oude Romeinse slachthuizencomplex in de alsmaar hipper wordende volkswijk Testaccio. Zo huist er sinds tien jaar het Romeinse museum voor hedendaagse kunst MACRO, waarvan de wisselende exposities zo'n beetje letterlijk tussen de vleeshaken hangen. Ook de rest van het complex is nog grotendeels in oude staat - maak dus vooral een wandeling over het terrein. In de wei waar eens het vee zijn beurt afwachtte, treft u nu de Città dell'altra economia, een organisatie van bewuste stedelingen met onder andere een biologische supermarkt, een dito restaurant, bar en moestuin. In de zomer zijn er ook marktjes en festivals.
 
museomacro.org
 
4. 1933 Shanghai, Shanghai
 
Dit kolossale art-decogebouw is vooral vanwege zijn bijzondere architectuur een bezoek waard. Het volledig in beton uitgevoerde slachthuis, gebouwd in 1933, bestaat uit een atrium op de begane grond - ooit de werkruimte van het slachthuis, met daarboven een bizarre constellatie van betonnen paden, wenteltrappen en luchtbruggetjes waarmee mens en dier zich door de vijf verdiepingen van boven naar beneden konden verplaatsen. Het slachthuis was tot 1958 in gebruik, waarna er onder andere diepvriesproducten en medicijnen werden gemaakt. In 2008 transformeerde een slimme zakenman het gebouw in een centrum voor 'cultuur en amusement', wat neerkomt op een verzameling restaurants en koffiebars, galeries en kleine boetiekjes. In de toekomst moeten er ook tentoonstellingen komen.
 
1933shanghai.com
 
5. Les Abattoirs, Toulouse
 
In 2000 opende Les Abattoirs, een museum voor moderne en hedendaagse kunst in de oude slachthuizen van Toulouse, aan de oever van de rivier Garonne. De neoklassieke architectuur van dit eind 19de-eeuwse complex loont op zich al de moeite, maar ook de collectie van een paar duizend, meest naoorlogse werken en de wisselende exposities in de kerkerachtige ruimtes mogen er zijn. Pièce de resistance is Picasso's 9 bij 12 meter grote toneelgordijn La Dépouille du Minotaure en costume de Harlequin, dat hij in 1936 schilderde voor het stuk Le 14 Juillet. Let wel op dat je in de goede tijd van het jaar komt, vanwege de slechte staat van het doek wordt het maar de helft van het jaar getoond.
 
lesabattoirs.org
 
6. Matadero, Madrid Eens sloeg Hemingway er oude vrouwen gaande, in de rij voor een shot vers varkensbloed. Nu kun je er kijken naar theatervoorstellingen, psychedelische kunstinstallaties of openluchtfilms. Of misschien heeft u meer zin in een concert, een leesclub of een workshop 'urban cycling'? Het kan allemaal in het oude slachthuis van Madrid, dat in 2006, twintig jaar nadat de laatste koe er het leven had gelaten, heropende als het nieuwe creatieve centrum voor jonge kunstenaars in Madrid. Met zeven verschillende culturele organisaties, van Teatro Español tot non-fictie bioscoop Cineteca is er voor elk wat wils.
 
mataderomadrid.org
'Ik ga nooit meer naar een feest'

02-01-2014, Het Parool

'Dokter? Dat groene, wat is dat?"

"Dat is je infuus."

"En dat rood?" 

"Dat is bloed." 

"Dokter? Ga ik dood als ik dat infuus eruittrek?" 

"Ja. Doe maar niet." 

Half één, op de afdeling spoedeisende hulp (SEH) van het Sint Lucas Andreas Ziekenhuis. "Ik ben even poetsen hoor," roept een ambulancebroeder tegen zijn collega. "Zodat de volgende patiënt niet in braaksel hoeft te liggen," verklaart hij opgeruimd wanneer hij zijn schoongemaakte brancard terugrijdt naar de ambulance. 

De twee agenten die zijn meegekomen met de ambulance overleggen met SEH-verpleegkundige John Bijlsma. De patiënt in kwestie wilde niet 'coöperatief meewerken,' zoals dat zo mooi heet. De achttienjarige jongen van buiten Amsterdam werd vlak na de jaarwisseling afgevoerd van de EHBO-post op een groot feest in de stad. 

"Bacardi, wodka, whisky," leest Bijlsma hoofdschuddend op van een patiëntstatus. Uit de behandelkamer klinken braakgeluiden. Vermoed wordt dat de jongen ook andere middelen heeft gebruikt, maar dat ontkent hij stellig. 

De feestvierder is niet de enige met een 'alcohol intox', de term van de hulpverleners op de SEH voor een alcoholvergiftiging - één van de meestvoorkomende problemen op avonden als deze. Even voor elven, ruim voor het champagnemoment, wordt de eerste binnengereden, liggend in foetushouding. 

De afdeling werkt vanavond met een bijna dubbele bezetting. "Op een normale zaterdagavond zien we rond de twintig patiënten. Op een nieuwjaarsnacht zijn dat er veertig tot zeventig," zegt SEH-teamleider Pim Philipse, wanneer hij om elf uur de dienst overdraagt aan de nachtploeg. Het zijn vooral gevallen van alcohol- en drugsmisbruik, gevolgd door verwondingen door valpartijen en gevechten. Ongeveer een derde is slachtoffer van vuurwerk. 

Tegen middernacht is de afdeling nagenoeg leeg. Stilte voor de storm. De sfeer onder de artsen en verpleegkundigen in de met oliebollen en kinderchampagne gevulde koffiekamer is er één van jolige gespannenheid. "Om tien over twaalf barst het los," zegt ervaringsdeskundige Philipse. 

Dat valt mee. Om half één komt de stroom patiënten pas echt op gang. Ambulances rijden af en aan en aan de balie melden zich de eerste vuurwerkslachtoffers. Uit een behandelkamer klinkt een luid jammerend gehuil. "Nou, die heeft geen zin in 2014," concludeert een verpleegkundige onaangedaan, en spoedt zich naar de volgende patiënt. 

Voor een behandelruimte verderop staat een groepje jongemannen, de aanhang van een patiënt die is verwond in een vechtpartij. "Dokter, onze vriend heeft last, hij kan niet ademhalen," tiert één van hen. Bijlsma loopt erheen, en legt de jongen uit dat het druk is. Daar neemt de jongen geen genoegen mee. "Wat is dit voor kutziekenhuis? Hij ligt daar dood te gaan, waarom doen jullie niets?" 

Bijlsma laat het verder over aan de twee mannen van de beveiliging, die deze nacht onwelwillende patiënten en vooral de emoties van hun aanhang in toom proberen te houden. Het gezelschap wordt, als zij zich ook in de wachtruimte niet weten te gedragen, verzocht het ziekenhuis te verlaten. 

Toch blijven de gemoederen relatief bedaard tijdens deze jaarwisseling, een nacht die traditioneel berucht is om geweld en agressie tegen hulpverleners. Een enkele patiënt die tegenstribbelt, familieleden die zich kwaad maken over lange wachttijden of medicijnen die niet zomaar mee worden gegeven. Het team kan zich er weinig druk om maken. 

"Agressie is hier geen groot probleem," zegt Philipse. "Oké, er wordt wel eens geduwd en getrokken en er probeert wel eens iemand een rolstoel door het raam te gooien als alles niet snel genoeg gaat. Maar meestal blijft het bij schelden, en ach, dat doet geen pijn. We maken eigenlijk alleen een melding bij fysiek geweld, als ze tegen de koffieautomaat gaan aanschoppen bijvoorbeeld." 

Echt druk zal het niet worden deze nacht. De SEH ziet 45 patiënten, niemand met ernstig letsel. Vijftien van hen hebben lichte brandwonden door vuurwerk. Vier feestvierders blijven overnachten om hun roes uit te slapen. 

De dronken achttienjarige is, drie uur na aankomst, al flink ontnuchterd. "Sorry iedereen," roept hij vanachter het gordijn, tegen niemand in het bijzonder. "Dat siert hem dan wel, ondanks zijn toestand," zegt een beveiliger. Zo probeerde de patiënt eerder in te loggen op de computer van het personeel en trok hij herhaaldelijk zijn infuus uit zijn arm. 

Arts-assistent van de interne geneeskunde Serge Zweers overlegt wat te doen met de jongen. Hem in deze staat de straat op sturen lijkt de artsen geen verantwoord idee. "Dan loopt hij zo onder een tram." Opnemen dan maar? Dat is wel erg duur voor een uit de hand gelopen stapavond. Zweers: "Dan jaag je er in één keer je eigen risico doorheen." Hij stelt de meegekomen vriend van de patiënt voor om een taxi te bellen. "Maar dan moet jij wel met hem mee naar huis." De vriend knikt, met beteuterd gezicht. 

Uiteindelijk wordt besloten de ouders in te lichten en hun te verzoeken hun zoon te komen ophalen. Het duo verhuist naar de wachtkamer, de patiënt gewapend met een spuugbak. "Ik ga nooit meer naar een feest," verklaart hij plechtig, wankelend en met een vinger in de lucht.

Foto: Maarten Brante

Armeluiskeuken

30-11-2013, Het Parool

Vraag een willekeurige Romein naar Testaccio en zijn ogen zullen oplichten. Niet voor niets doorkruist menigeen op zaterdagmiddag de halve stad voor een broodje trippa alla Romana op de drukke Mercato di Testaccio of een copieuze lunch in één van de vele trattoria's in de oude volksbuurt, aan de voet van de Aventijn. "Qui si mangia bene," zal hij je toevertrouwen, 'hier eet je goed'.

Dat is geen toeval. Het was in deze voormalige slagersbuurt, gebouwd rond een enorm abattoir aan een oever van de Tiber, waar eind negentiende eeuw de Romeinse volkskeuken werd geboren. De arbeiders van het slachthuis kregen een deel van hun loon uitbetaald in het quinto quarto - letterlijk: het vijfde kwart, oftewel de delen van het dier die anders in de vuilnisbak zouden verdwijnen.

Niet wetende wat te doen met het slachtafval brachten ze het naar de trattoria's in de buurt, waar de koks het verwerkten in eenvoudige maar inventieve gerechten, de cucina povera (armeluiskeuken). 

Het slachthuis werd in de jaren zeventig gesloten, maar het slachtafval is nog overal in de buurt te vinden op menukaarten. De vele trattoria's, bescheiden eetlokalen die van generatie op generatie zijn overgegaan, serveren dezelfde 'armeluiskeuken' als honderd jaar geleden. Zoals Testaccio's allereerste trattoria, Checchino dal 1887, tegenover het abattoir, of het bijna even oude Perilli (Via Marmorata 39). 

Het populairst is de trippa alla romana, oftewel pens in tomatensaus met munt en kruidnagel, afgemaakt met de kaas pecorino. Maar ook coda alla vaccinara (ossenstaart) en pajata, dat gemaakt is van, houd u vast, de gekookte ingewanden van zuiglammetjes of kalfjes, zijn geliefde gerechten bij de Romeinen en een enkele avontuurlijke ingestelde toerist.

Gestoofde long

"Ecco la trippa," zegt kok Alessandro trots wanneer hij een bord pens in tomatensaus op tafel zet. Op zijn onderarm prijkt een getatoeëerde koeienkop. Deze chef is toegewijd, zoveel is duidelijk. We zijn in Agustarello, een eenvoudige trattoria (Via Giovanni Branca 98), waar Alessandro graag een paar van zijn specialiteiten laat proeven. Het is een familiebedrijf, net als veel andere zaken in de buurt. Alessandro bestiert de keuken, zijn gelijknamige zoon verzorgt de bediening. 

De pens ruikt en smaakt minder uitgesproken dan verwacht. "Daar zorgt de munt voor," zegt Alessandro, "dat maakt het gerecht lichter." De structuur van de repen koeienmaag is nergens mee te vergelijken - het geeft een beetje weerstand als je erin bijt, maar toch is het mals. 

Dan de pajata, de gekookte darmen van in dit geval een lammetje, gestoofd met tomaat. De kleine darmpjes zien er met een beetje goede wil uit als holle pasta, en het geheel geurt als een pasta bolognese. De smaak is mild, de substantie romig en zacht. "Dat komt doordat de maagbrij wordt meegekookt," verklapt de kok. Nou ja, het gaat om het resultaat. 

Alleen de coratella, een mengel van gestoofde long, hart en lever van een lam, kan ons niet bekoren. De aanblik van de grijzige brokjes vlees en de indringende geur en smaak - hier moet je van houden. 

Ook voor de orgaanvleesvrezende toerist of zelfs vegetariër is Testaccio een gastronomisch walhalla. Het hart van de buurt is de Mercato di Testaccio, een nogal onooglijke overdekte markt tegenover het oude slachthuis, waar behalve alle mogelijke soorten vleeswaren, ingewanden en organen ook kazen, groente, fruit en brood liggen uitgestald.

Kunst tussen de vleeshaken

Sluit je aan in de lange rij voor de kraam Mordi e Vai van de gepensioneerde slager Sergio Esposito, die het lumineuze idee had traditionele Romeinse gerechten in broodjes te stoppen. Zoals zijn signature dish alesso, gekookt rundvlees waarbij hij het broodje in hartige bouillon doopt alvorens het te vullen met warm vlees. Voor de vega is de artisjok met pecorino een aanrader. 

In de namiddag verzamelen de buurtbewoners zich op de Piazza di Santa Maria Liberatrice, waar de oudjes op bankjes gemoedelijk met elkaar keuvelen en jonge moeders zich hardop afvragen of ze zin hebben in een ijsje of een stuk pizza. Bij Remo op dat plein gaat naar verluidt de beste pizza van de stad over de toonbank. 

Wie nog een gaatje (of ruimte in de koffer) over heeft, of gewoon nieuwsgierig is naar de beste delicatessenzaak van Rome, wandelt naar Volpetti (Via Marmorata 47). Ook een familiebedrijf, gerund door de toegewijde broers Emilio en Claudio Volpetti. Je vindt er talloze Italiaanse kazen, van Romeinse pecorino tot verse buffelmozzarella uit Napels, hammen en worsten van blije varkens, wijnen, truffels en vijgen. De twee broers laten je het allemaal graag proeven. 

Om de hoek ligt Volpetti Piú, een klein eetlokaal waar je naast pizza (probeer vooral de 'witte' versie met courgettebloemen) ook pasta's, polpette en melanzane alla parmigiana kunt eten. En suppl�, gefrituurde ballen risotto, gevuld met mozzarella, nog zo'n Romeinse specialiteit. Maar gewoon een aperitivo van wat kazen en salumi met een goed glas wijn mag ook. 

Uitgegeten? In het voormalige slachthuis huist nu Macro, museum voor hedendaagse kunst. De gebouwen dateren van rond 1890 en verkeren grotendeels nog in oorspronkelijke staat. De kunst hangt letterlijk tussen de vleeshaken. Slenter over het enorme complex en vergaap je aan het ingenieuze transportsysteem waarmee bijna een eeuw de kadavers over het terrein werden vervoerd. 

Schrik niet als je een kudde hipsters tussen de voormalige stallen aantreft, al nippend aan flesjes Peroni. De wei waar vroeger de koeien hun slachting afwachtten is nu een ontmoetingsplek voor de nieuwe bewoners van de oude volkswijk - studenten, jonge gezinnen en artistieke types die het dure Trastevere aan de overkant van de Tiber zijn ontvlucht. 

Ze bliezen het verlaten slachthuis, ooit het economische centrum van de buurt, weer nieuw leven in met wat ze de Città dell'Altra Economia doopten. Het koeienveld doet nu dienst als moestuin, in de bijgebouwen vind je een biologische supermarkt en dito bar en een winkeltje met handgemaakte producten uit Testaccio. 

Van slachthuis naar biologische groentetuin, menig slager zou zich in zijn graf omdraaien. Toch blijft Testaccio onmiskenbaar een buurt van arbeiders en ambachtslieden. Italiaanse tradities laten zich niet snel uitroeien.

REISINFORMATIE

Vele wegen leiden naar Rome. KLM brengt je er dagelijks heen vanaf Schiphol, prijzen vanaf EUR 119 voor een retour. Ryanair doet hetzelfde voor EUR 69 euro, maar dan vanaf Eindhoven. 

Gemiddelde prijzen 

Koffie EUR 0,80 

Hoofdgerecht EUR 14 

Glas wijn EUR 2,50 

Een gastronomische rondleiding is een leuke manier om de buurt te ontdekken. Een vier uur durende wandeling van Eating Italy met twaalf proeverijen kost EUR65. 

www.eatingitalyfoodtours.com

 
Hip en jong in de cultuurfabriek

09-11-2013, Volkskrant

Het is een bijna surrealistisch tafereel. Op een koord, gespannen tussen de stallen van een vervallen slachthuizencomplex in een buitenwijk van Casablanca, balanceert een hip uitziende jongeman, onderwijl verwikkeld in een geanimeerd telefoongesprek. Zijn gespierde bast is ontbloot, het petje op zijn hoofd staat achterstevoren en zijn baardje is precies lang genoeg, net als de opgerolde pijpen van zijn spijkerbroek.

Dan valt het oog op de openstaande deuren van het naastgelegen, met graffiti en muurschilderingen versierde gebouw. LABO, staat in grote, vrolijke letters op de okergele art-decogevel. Uit het gebouw klinkt popmuziek. Hier gebeurt iets, zoveel is duidelijk. 

Binnen kijkt een groepje Marokkaanse twintigers naar een geïmproviseerd podium, waar een al even hippe jongeling achtereenvolgens als een ware balletdanser heen en weer springt, verleidt als een revuedanseres en charmeert als een jonge uitvoering van Charlie Chaplin. Hij besluit met een kleine buiging en werpt nonchalant een sigaret in zijn mond. Voorstelling over. 

We zijn in Les Abattoirs Anciens, de oude slachthuizen in de wijk Hay Mohammedi in Casablanca. Het is een in 1922 door de Fransen gebouwd 5 hectare groot complex met onder meer koelhuizen, een leerlooierij en administratieve gebouwen. Tien jaar geleden werden de slachthuizen verplaatst naar een modernere locatie elders in de metropool. 

In 2008 sloegen culturele stichtingen, kunstenaars en de gemeente Casablanca de handen ineen om het leegstaande monumentale complex te transformeren tot een 'cultuurfabriek' voor jonge Marokkanen. De gemeente Amsterdam, die eerder het Westergasfabriekterrein een dergelijke herbestemming had gegeven, bood een helpende hand bij het maken van de plannen. 

La Fabrique Culturelle, zoals het cultuurcomplex werd gedoopt, wordt beheerd door zeventien culturele stichtingen, variërend van een skaterscollectief tot jazzmuzikanten, filmfanaten, kunstenaars en hiphoppers. De vele gebouwen van het uitgestrekte complex doen dienst als ruimtes voor exposities, filmvertoningen, muziekrepetities en theater, en op de grote binnenplaatsen vinden festivals plaats. 

Daarmee is La Fabrique de grootste onafhankelijke cultuurruimte van Casablanca, of misschien wel van heel Marokko. En, aangezien alle activiteiten gratis zijn, ook de meest toegankelijke voor de doorgaans niet zo kapitaalkrachtige jonge Marokkaan. 'Er bestaan in Casablanca geen plekken als deze', zegt kunststudente Chaimaâ (21). 'Hier hebben we de ruimte om te maken wat we mooi vinden in het leven', vult Abdelilah (27) haar aan. 'Om het verschil te maken.' 

De twee zijn lid van Colokolo, een collectief voor circusartiesten en straatkunstenaars. In hun 500 vierkante meter grote 'Labo' organiseren ze onder andere circuslessen voor kinderen, artist-in-residence-plekken voor circusstudenten en kunstenaars uit andere steden, en voorstellingen. 

Er is één probleem: dezelfde gemeente die aanvankelijk enthousiast was over de herbestemming tot cultuurterrein, weigert nu deze herbestemming te formaliseren. Gevreesd wordt dat ze het complex, gelegen vlak bij het belangrijkste treinstation van Casablanca, alsnog aan een commerciële ontwikkelaar wil verkopen. 

Is dat omdat sommige activiteiten, van rap- en breakdance-battles tot zelfs een hackersworkshop van een collectief voor een 'open Marokkaanse cultuur', toch niet zo heel goed in het cultuurplaatje van de overheid passen? 'De gemeente heeft geen controle op wat we doen, dat zit ze dwars', zegt Chaimaâ. 'Maar wij gaan door, we laten ons deze plek niet meer afpakken.'

La Fabrique Culturelle

Avenue Jaafar Barmaki, Quartier Hay Mohammedi, Casablanca. 

abattoirs-casablanca.org 

METAMORFOSE

Volgende maand verschijnt een boek over de geschiedenis van het slachthuizencomplex - van de bouw in 1922 door twee Franse architecten tot de sluiting begin deze eeuw en de daaropvolgende metamorfose tot cultuurterrein. Het boek werd gefinancierd door de gemeenten Casablanca en Amsterdam; een student van de Rietveld Academie verzorgde het ontwerp. Voor wie het Arabisch niet machtig is, het is ook in het Frans en Engels verkrijgbaar.

Foto: Federico Cabrera

 
Profiel: Sunny Bergman

22-10-2013, Het Parool

Wat is normaal? In haar nieuwe film en boek Sletvrees onderzocht documentairemaker Sunny Bergman ons verwrongen beeld van de vrouwelijke seksualiteit.

Zeg niet tegen Sunny Bergman (41) dat iets nu eenmaal zo is. Vastgeroeste ideeën, aannames en vooronderstellingen, culturele zelfingenomenheid en taboes, Bergman schopt er graag tegenaan, gedreven door wat ze zelf een combinatie van verontwaardiging en verwondering noemt. En de bijna kinderlijke wil om de wereld beter te begrijpen, waarbij ze haar persoonlijke twijfels en dilemma's als uitgangspunt neemt.

Met hoeveel mannen ze zelf naar bed is geweest? "34 of 35," antwoordt Sunny Bergman in de beginscène van haar nieuwe film Sletvrees, waarin ze ons dubbelzinnige denken over de vrouwelijke seksualiteit aan de kaak stelt. De vraag komt van een paar puberjongens die zich, liggend in een koepeltentje, door Bergman laten interviewen over seks. De reactie van de jongens laat zich raden: "Slet." 

Bergmans eerlijke antwoord is kenmerkend voor haar open, participerende manier van filmen. Vaak is ze zelf het onderwerp van haar documentaires, waarbij ze zichzelf aan allerlei confronterende en ronduit gênante situaties onderwerpt. Zo zien we haar in de geruchtmakende documentaire Beperkt houdbaar (2007) met haar benen wijd voor een plastisch chirurg in Los Angeles uitgelegd krijgen wat er allemaal aan haar verbouwd zou moeten worden voor een Playboy-waardige designerpoes, onderwijl de prijzen voor al dat moois scanderend. 

In de documentaireserie Sunny side of sex (2011), over seks in andere culturen, gaat ze op cursus bij een Oegandese sekstante die na een grondige inspectie van haar vagina concludeert dat haar schaamlippen verlengd dienen te worden voor optimaal seksueel genot. "Maar in mijn cultuur vinden ze dat lelijk," antwoordt Bergman. In 2012 wint ze de Dirk Scherpenzeelprijs voor de serie. 

Bergman wil niet scoren met andermans leed (mensen om haar heen suggereerden dat ze vrouwenbesnijdenis moest gaan filmen), maar juist het gênante bij zichzelf opzoeken en daarmee herkenning oproepen bij de kijker. Een beproefde methode, zo bleek bij Beperkt houdbaar. De film maakte een stortvloed aan reacties los, en Bergman werd prompt gebombardeerd tot het boegbeeld van de nieuwe feministische golf. 

"Dat vond ze wel lastig,' zegt haar vriendin en oud-collega Jorien van Nes. "Mensen gingen echt helemaal los, daar was ze niet op voorbereid. Het heeft haar werkwijze niet beïnvloed, maar ze heeft wel even een verdedigingsmechanisme moeten opbouwen." 

"Sunny stelt zich heel kwetsbaar op, brengt serieuze onderwerpen maar altijd op een grappige manier. Ze is iemand die heel goede vragen weet te stellen, ook aan zichzelf. Uiteindelijk weet ze altijd een nieuw licht op de zaak te werpen." 

Ook privé kunnen de vriendinnen 'eindeloos bomen', aldus Van Nes. Over Zwarte Piet bijvoorbeeld, waarover Bergman zich vorige week uitsprak tijdens de hoorzitting over de komende sinterklaasintocht. Het is een goed voorbeeld van de 'maatschappelijke denkfouten' die Bergman zo graag aan de orde stelt, ingegeven door haar persoonlijke leven. 

Het politiek idealisme van Bergman zat er al vroeg ingebakken. Ze werd opgevoed door een feministische moeder in een hippie-enclave in het Gooi. Thuis op de woonboot was geen tv, zorgde een windmolen voor elektriciteit en werd 's avonds muziek gemaakt bij een kampvuurtje. Het politiek bewustzijn kreeg ze van haar vader, die actief was in de CPN en haar meenam naar demonstraties. 

Na haar middelbare school en een korte carrière als model en actrice vertrok Bergman naar het land van haar moeder, Engeland, voor een bachelor filosofie en politicologie aan de universiteit van York. Dezelfde studie als die van haar moeder, overigens. Daarna begon ze met het maken van korte filmpjes als regisseur en programmamaker voor de VPRO. 

De kunst van het documentaire maken leerde Bergman van Frans Bromet, met wie ze in 1996 samenwerkte voor de reportageserie Veldpost. "Het was meteen duidelijk dat Sunny een groot talent was," zegt Bromet. "Ze kwam altijd met goed materiaal terug, uitzonderlijk voor iemand met weinig ervaring. Ze kiest thema's en onderwerpen die haar aan het hart liggen, en benadert die op een onverschrokken wijze, met een totale openheid." 

Bromet leerde Bergman op een natuurlijke manier te filmen: door zelf achter de camera te staan en zich te laten leiden door wat er voor de camera gebeurde, zonder de werkelijkheid mooier te willen maken. Een manier van filmen die goed bij haar past, zegt Bergman in een interview over Sunny side of sex. "Ik werk vanuit een inhoudelijk idee, niet vanuit een esthetisch beeld. Dat esthetische is ook niet mijn kracht. Misschien ben ik daar wel gewoon te letterlijk voor." 

"Het is altijd lachen met Sunny," zegt haar 'rechterhand' en vriendin Roos van Ees, die de research deed voor Sletvrees. "Maar je moet wel bereid zijn veel van jezelf te geven. Het zijn vaak persoonlijke onderwerpen en het tot stand komen daarvan vindt plaats door zelfreflectie. Ik denk dat Sunny na anderhalf jaar meer over mijn seksleven weet dan wie dan ook." Ongemakkelijk vindt ze dat niet. "Sunny stelt je wel op je gemak, ze is heel warm en familiair en geeft ook veel van zichzelf. Haar nieuwsgierigheid is oprecht, ze gaat mee in je denken en geeft voorbeelden uit haar eigen leven waar je dan weer op kunt reageren. Zo sta je niet alleen in je nakie." 

Toch koos Bergman bij het maken van Sletvrees ervoor zichzelf dit keer niet tot onderwerp te maken. Is ze voorzichtiger geworden na de harde reacties op Beperkt houdbaar? Van Ees: "Seks is iets heel persoonlijks, een nog kwetsbaarder onderwerp dan uiterlijk. Ze wilde vermijden dat mensen de film zouden diskwalificeren als haar eigen issues." 

Niettemin geeft ze zichzelf nog genoeg bloot tijdens de film en in het gelijknamige boek dat ze schreef over de totstandkoming van haar afgelopen drie documentaires over seks, uiterlijk en cultuur. Ook haar man David moet het ontgelden tijdens haar interview met John Gray, schrijver van Mannen komen van Mars, vrouwen van Venus. Wanneer die begint over de volgens hem gemankeerde seksdrive van de hedendaagse zorgende man, werpt een geërgerde Bergman, die thuis de kostwinner is, David in de strijd. "Met die ochtenderectie zit het prima." 

 
Dansen en drinken op troosteloze plekken

19-10-2013, De Volkskrant

'Anker't?' De Hongaarse student onderbreekt zijn vertolking van Madonna's Vogue om de verdwaalde verslaggever de weg te wijzen. 'Daar moet je zijn', wijst hij, biertje in de hand, naar een vervallen gebouw 10 meter verderop in de donkere straat. 'Veel plezier!'

Op de aangewezen plek staat een groepje mensen voor wat ooit een deuropening moet zijn geweest. Een bouwlamp werpt een ongenadig blauwig licht op het sinistere gebouw, dat er met zijn afbrokkelende gevel en dichtgetimmerde ramen uitziet alsof het elk moment naar beneden kan komen. 

Maar aan de andere kant van deze weinig uitnodigende entree wacht de weifelende bezoeker een enorm openluchtcafé waar honderden mensen drinken, dansen, praten en flirten. In de naastgelegen, werfkelderachtige ruimte zet een dj zijn publiek aan tot lome dansbewegingen, in een andere hangen Hongaarse studenten op banken van sloophout. 

De inrichting van deze zogeheten ruin pub is simpel: twee bars voorzien van een golfplaten afdakje en een verzameling meubilair bestaande uit lange tafels en klapstoelen. Een koord met witte lampions gespannen over de binnenplaats vormt een contrast met de gapende gaten op de bovenste verdiepingen die het gevoel geven dat je op een verboden plek bent aanbeland. 

De ruin pubs, oftewel openluchtcafés, op de binnenplaatsen (of zelfs daken) van leegstaande gebouwen, zijn de afgelopen jaren sterk in opkomst in de oude stadswijken van Boedapest. De meeste van deze romkocsma zijn net als Anker't te vinden in de oude Joodse buurt in het zevende district, waar begin deze eeuw ongeveer 80 procent van de verpauperde wijk leegstond. 

Projectontwikkelaars waren reeds begonnen de vervallen, veelal monumentale appartementencomplexen plat te gooien om plaats te maken voor nieuwbouw. Helaas voor hen dwarsboomde de gemeente hun plannen: die besloot om de sloop van de oude gebouwen te verbieden. Hierdoor bleven vele op instorten staande panden in de stad overeind staan. 

Jonge creatieve ondernemers speelden hierop in door de troosteloze plekken om te toveren tot bloeiende cafétuinen. Antikraak of tegen betaling van een beetje huur aan de eigenaar die wachtte op betere tijden. 

De ingrediënten? Wel, men neme een leegstaand gebouw of een braakliggend stuk grond in de stad en plaatst daar een verzameling van de straat geplukt meubilair, een paar biertappen en niet te vergeten wat vintage-attributen als antieke apparaten en racefietsjes tegen de muur voor het nodige hipsterdecorum. 

Toch is geen ruïnecafé hetzelfde. Naar de één ga je om een biertje te drinken en rustig te praten, onderuitgezakt op een versleten bank, bij de ander dans je tot de zon opkomt boven je door de Hongaarse brandewijn Pálinka benevelde hoofd. Sommige cafés organiseren ook exposities, filmavonden, biologische markten en fietsverkopen. Je kunt er zelfs overnachten, voor wie niet al te veel hecht aan nachtrust. 

De eerste was Szimpla, met de opening van een cafétuin in een verlaten appartementencomplex aan de Kazinczystraat, midden in de Joodse buurt. De ongedwongen, tikkeltje anarchistische sfeer in het openluchtcafé bleek grote aantrekkingskracht te hebben op de Hongaarse jongeren. 

Al snel volgden andere ondernemers het voorbeeld van Szimpla, waarmee het gebied rond Kazinczy in tien jaar tijd de drukst bezochte uitgaanswijk van Boedapest is geworden. Szimpla zelf is nog altijd onverminderd populair en heeft als 'moeder der ruïnecafés' een ware cultstatus verworven. 

Wat maakt het feesten in de vergankelijkheid zo populair? 'Ruïnebars zijn als een groot festival', zegt barvrouw Anna van Fogashaz, een cafétuin in een oude tandartspraktijk even verderop in de Joodse buurt. 'Het is eclectisch, alles is mogelijk.' Haar collega Csaba valt haar bij. 'Gewone cafés zijn nice and clean, net als de mensen die er komen. Hier is geen dresscode, iedereen is welkom.'

AFBRAAKBARS IN BOEDAPEST

Waar te gaan? De meeste ruïnebars in de Hongaarse hoofdstad huizen in het zesde en zevende district, allemaal op loopafstand van elkaar. Reizen zocht er zes voor u uit.

Szimpla Kert

Szimpla betekent 'simpel'. Nogal een understatement. Een nacht in Szimpla is als een psychedelische trip op een vlooienmarkt, waar je bier drinkt in een badkuip, oude Trabant of tandartsstoel, al lurkend aan een waterpijp onder een plafond volgehangen met duizend-en-een lampenkappen en elektronische apparaten waarvan niemand meer weet waarvoor ze ooit waren bedoeld. Drink een biertje, cocktail of Hongaarse wijn in de tuin of dwaal door het gebouw voor een klein concert van een lokale band of dj begint. Probeer u niet te storen aan de massa's andere toeristen, want off the beaten path is Szimpla helaas allang niet meer. 

Kazinczy utca 14

Élesztö

Wie liever tussen de Hongaren bier drinkt, spoedt zich naar Élesztö in het negende district. Een kroeg zoals het ooit bedoeld was, zeggen de kenners. Het een paar maanden geleden geopende café is gevestigd in een oude fabriek, in een buurt die nog niet zo heel erg in opkomst is. 

Ga zitten op een van de doorgezakte sofa's op het platform waar eens vrachtwagens werden ingeladen, bestel een Távoli Galaxis, Bors Anonymous of een van de zeventien (!) andere speciaalbieren, afkomstig van lokale brouwerijen, en praat, tot diep in de nacht. Want daar gaat het om. 

Tüzoltó utca 22

Corvintetö

Geen bar maar een club, en dit keer niet op de binnenplaats, maar op het dak van een oude socialistische supermarkt, op de grens van het zevende en achtste district: Corvintetö is niet echt een ruïnecafé, maar voor clubliefhebbers zeker de moeite waard. Bestel een biertje, laat je door de oude lift omhoog voeren en dans tot je de zon ziet opkomen boven de daken van Boedapest. 

Blaha Lujza ter 1-2

Fogashaz

'Huis met tanden', betekent Fogashaz, in het hart van de oude Joodse buurt. Eens zat hier een tandartspraktijk, nu grijnzen van alle hoeken en gaten enorme opengesperde gebitten de argeloze feestganger toe. 

Fogas is behalve openluchtcafé en club ook een zelfbenoemd cultuurcentrum met exposities, films en concerten. Maar ook als je een fiets wil huren, een waterpijp wilt roken en/of verlegen zit om een hostelbed kun je hier terecht. Probeer vooral de Pálinka volgens het 'geheime' recept van barvrouw Anna, met chilipeper, limoen en honing. Geneest alles. 

Akácfa utca 49-51

Anker't

Anker't is te vinden op de Paulay Ede utca 33. Alleen open in de zomer. De rest van het jaar kun je naar Anker Klub, het indoorzusje van de club aan de Anker köz 1-3.

PáLINKA

'Alles waarvan jam kan worden gekookt, daar kun je ook pálinka van maken', luidt een Hongaars gezegde. De vruchtenbrandewijn is zo'n beetje hét nationale product in Hongarije, na goulash dan. De Hongaar drinkt het als aperitief, naast zijn bier, als digestief, of zelfs als krachtig begin van de dag. De ruïnebars schenken vele variëteiten. Van de gangbare abrikoos, peer en pruim tot kweepeer (aanrader!) en pompoen. Probeer ze allemaal, maar niet tegelijk. Egészségedre!

Zwendel met chemisch afval in bunkerolie

04-10-2013, AD

ROTTERDAM | Malafide handelaren voegen op grote schaal chemisch afval toe aan brandstoffen voor zeeschepen (bunkerolie) en landbouwvoertuigen. De zwendel is veel groter dan werd aangenomen, blijkt uit onderzoek dat vandaag wordt gepresenteerd aan de Politieacademie. 

In de brandstof voor schepen zijn gevaarlijke en kankerverwekkende stoffen als kwik, fenol, styreen, chloor en dioxines aangetroffen. De stoffen komen in de lucht door de verbranding in scheepsmotoren. Ook wordt de brandstof gebruikt in de glastuinbouw.

Het gaat om afvalstoffen die volgens strenge regels moeten worden verwerkt door gecertificeerde bedrijven. Die zouden ze chemisch moeten scheiden, onder speciale omstandigheden verbranden of afgesloten opslaan en bewaren.

De Tilburgse hoogleraar criminologie Toine Spapens noemt de afvalzwendel `een van de grootste problemen op milieugebied'. ,,Het gaat alleen om geld verdienen.'' In voorzichtige schattingen lopen de winsten op tot 480 miljoen euro. ,,De schade die ze aanrichten bij mensen en natuur interesseert ze totaal niet.'' Vandaag presenteert hij het onderzoek `Vuile olie' van het lectoraat milieucriminaliteit.

Spapens en zijn collega-onderzoekers putten onder meer uit opsporingsdossiers van strafzaken tegen sjoemelende oliehandelaren, brandstofproducenten en afvalverwerkers. Een deel van deze zaken moet nog voorkomen. In de afgelopen 5 jaar heeft de helft van de 66 Nederlandse verwerkers en inzamelaars van afvalolie te maken gehad met opsporingsonderzoeken en strafrechtelijke en bestuurlijke handhavingsmaatregelen. Tegen zestien bedrijven is de politie een strafzaak begonnen. ,,Een onrustbarend hoog aantal, zeker gezien de korte periode,'' vindt Spapens.

De meeste strafzaken die hij bestudeerde, draaien om vervuilde scheepsbrandstof, met de zaak tegen oliehandelaar Trafigura, bekend van het milieuschandaal met het gifschip Probo Koala, als geruchtmakendste voorbeeld.

In de zestien zaken die de afgelopen jaren zijn begonnen, heeft er naast `Probo Koala' nog een geresulteerd in een veroordeling: een boete van 5000 euro. In twee gevallen kwam het tot een schikking en moest een verdacht bedrijf 50.000 euro betalen. De meeste zaken lopen nog. Ze zijn onder meer begonnen na de eerste actie `Waakzaam' in 2011, waarbij de politie onaangekondigd tankschepen controleerde in de Zeeuwse Kreekraksluizen op de vaarroute tussen Rotterdam en Antwerpen. Bij 21 van de 28 binnenvaartschepen bleek iets mis te zijn met de vervoerde lading scheepsbrandstof.

Malafide brandstofhandelaren gebruiken graag goedkoop chemisch afval om de stroperige stookolie vloeibaarder of brandbaarder te maken in plaats van duurdere, normale mengmiddelen voor het `op specificatie brengen' van de scheeps- en landbouwbrandstof. De handelaren vergroten op deze manier hun winst.

De verleiding te frauderen is groot, zegt de Tilburgse hoogleraar. De winst is fors en de pakkans klein, ook omdat er nagenoeg geen regels bestaan. Dat maakt opsporing en aanpak via afvalwetgeving lastig, zo verklaart hij de lange procedures.

Het RIVM (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu) maakt zich zorgen over de risico's voor werknemers op de schepen en de blootstelling van burgers aan de schadelijke stoffen. ,,Er zitten zaken in die er helemaal niet in horen,'' zegt RIVM-zegsman Harald Wychel. De risico's van bijmenging van chemisch afval in brandstof zijn echter nooit in kaart gebracht omdat dit volgens het RIVM `praktisch onmogelijk' is.

De `normale uitstoot` van scheepsbrandstof is volgens wetenschappers verantwoordelijk voor zestigduizend doden per jaar, wereldwijd maar geconcentreerd in kustgebieden en havens. Hoeveel doden daarbij opgeteld moeten worden door toedoen van gifmengers, durft het RIVM niet te zeggen. Ook instituten als TNO zeggen geen uitspraken te kunnen doen, omdat er totaal geen zicht is op wat en hoeveel er wordt bijgemengd.

Er wordt gewerkt aan het schoner maken van stookolie, reageert directeur Erik de Vries van NOVE, de brancheorganisatie van brandstofhandelaren. ,,De discussie is logisch. Nadat het lood uit benzine is gehaald, zijn ook strengere eisen gesteld aan de brandstof in de binnenvaart en nu is de stookolie aan de beurt.''

Bunkerhavens 

Hij benadrukt dat de eisen internationaal moeten worden vastgesteld. ,,Als we alleen in Nederland restricties opleggen aan stookolie, zal de handel uitwijken naar Antwerpen en Hamburg.''

De Rotterdamse haven is nu een van de grootste bunkerhavens ter wereld. Jaarlijks wordt er 13 miljoen ton stookolie overgeslagen, waarmee zo'n 6 miljard euro wordt omgezet.

De Vries vermoedt dat het nog 10 tot 15 jaar duurt voor de internationale regelgeving zover is. ,,Het kost tijd, maar het is niet zo dat we niet willen. De bulk van de handelaren doet zijn werk gewoon netjes en wil een betrouwbare leverancier zijn. De handelaren die de fout in gaan moet je aanpakken.''

De SP pleit voor strengere wetten, maar de politiek zegt in navolging van NOVE niet te willen vooruitlopen op internationale regelgeving. Spapens: ,,Economische belangen wegen blijkbaar zwaarder dan het milieu.''

Bij een omzet van 74 miljard maakt een boete niet uit

Hoogleraar criminologie Toine Spapens ziet de aanpak van de afvalfraude via het strafrecht niet tot gedragsverandering bij de branche leiden. ,,De boetes zijn zo laag in Nederland, daar laten zulke bedrijven zich echt niet door weerhouden. Celstraffen voor directieleden komen bijna nooit voor.''

Hij noemt Trafigura, dat een geldstraf van 1 miljoen euro kreeg omdat het niet eerlijk was over de lading van de Probo Koala. Die giftige lading is later in 2006 gedumpt in Ivoorkust. Volgens de gezondheidsdienst van het Afrikaanse land gingen 26.000 mensen naar het ziekenhuis. Er is melding gemaakt van tien doden. ,,Trafigura heeft een omzet van 74 miljard, die zijn echt niet onder de indruk van een miljoen meer of minder. Alleen al aan juristen en eigen onderzoeken in deze zaak heeft het bedrijf waarschijnlijk al veel meer uitgegeven.''

Anders dan in de drugscriminaliteit, zijn hier onderwereld en bovenwereld vaak met elkaar verweven, stelt Spapens. ,,Het zijn legale bedrijven. Niet zelden zijn toezichthouders bereid mee te denken met bedrijven waar overtredingen zijn geconstateerd. Ze gunnen bedrijven de tijd om de boel weer op orde te krijgen. Situaties kunnen zo jaren voortduren.

Pompen kunnen niet tegen vervuilde olie

Spapens en zijn collega-onderzoekers stuitten niet alleen op dossiers over vervuilde scheepsbrandstof, maar ook op stukken die melding maakten van vastgelopen pompen van een poldergemaal in Nederland door vuile gasolie, zaken die wellicht nog directere gevolgen voor de Nederlandse volksgezondheid zouden kunnen hebben.

In de politiedossiers wordt ook melding gemaakt van verkoop van vuile olie aan glastuinders. Onder meer de Amsterdamse afvalverwerker APS, (dat inmiddels MAIN heet), is verdacht van het leveren van vervuilde stookolie aan tuinders. In de vuile brandstof bleek spoelolie te zitten, een goedje waarmee motoren worden schoongemaakt.

Tuinderskoepel LTO Glaskracht zegt echter nog nooit meldingen te hebben gehad van tuinders met vastgelopen motoren, wat zou kunnen wijzen op vervuilde olie. ,,Het merendeel van de kassen draait op gas, slechts een enkeling verwarmt nog met gasolie, zegt milieuman Guus Meis van LTO. ,,Dan gaat het vooral om kassen die niet het hele jaar warm gestookt hoeven te worden.''

De meeste waterschappen zeggen Europese kwaliteitseisen te stellen aan hun brandstof voor poldergemalen en pompen. In de contracten met leveranciers zijn die vastgelegd.

Door Ynske Boersma en Leon van Heel

Foto: Alf van Beem (Wikimedia Commons)

De zeebonken zijn gebleven

31-08-2013, Volkskrant

Een dorpsstraatje uit de jaren vijftig, daar lijkt de Via Cavana in het oude centrum van Triëst nog het meest op. Zo een waar de salumeria en de farmacia zijn aangeduid met van die aandoenlijke groene gevelletters en de groenteman zijn wilde perziken en courgettebloemen heeft uitgestald op rood-witgeblokte tafelkleden.

Aan het eind van de middag vult het verkeersvrije straatje zich met een stoet Italianen voor de dagelijkse passeggiata. Bij ijs- en chocoladewinkel Chocolat is het een komen en gaan van buurtbewoners die de Corriere della Sera lezen aan de grote houten tafel buiten op straat, af en toe opkijkend om iemand te groeten of een praatje te maken. 

Wie toe is aan een borrel, bestelt een drankje bij het café op de hoek, bijvoorbeeld zo'n feloranje Aperol-spritzer, waarbij je met een beetje geluk ook een aperitiefhapje krijgt. Het café ligt tegenover een klein park, waar de plaatselijke oudjes hun dagen slijten op een bankje en ouders spelen met hun kinderen. 

Het ging er weleens minder lieflijk aan toe hier in Città Vecchia, het oude stadscentrum van Triëst, in het noordoosten van Italië. De wijk lag pal naast de haven van de stad, die tot een eeuw geleden nog deel uitmaakte van Oostenrijk-Hongarije, en was daarmee een verzamelplaats voor zeelui, handelaars en schurken uit alle windstreken. 

De dichtbevolkte stadswijk was berucht om zijn tientallen bordelen en talloze goedkope cafés, trattoria en drinklokalen waar rond de klok zeemannen en andere dronkenlappen hun dagelijkse shot absint haalden. 

Ook allerhande illuster schrijversvolk, van James Joyce tot Italo Svevo, voelde zich aangetrokken tot de schimmigheid van Città Vecchia, waar de steegjes zo smal zijn dat je slechts door je hoofd in de nek te leggen een glimp daglicht kan opvangen. Naar verluidt was Joyce een veel geziene gast in het bordeel aan de Via Pescheria, midden in het oude Joodse getto. 

Maar met de inlijving van Triëst bij fascistisch Italië kwam ook de sloopkogel die een deel van de wijk met de grond gelijkmaakte, om plaats te maken voor een paar moderne, zielloze gebouwen waar ambtenaren nu hun dagen slijten. De rest van de eens zo roemruchte volksbuurt raakte in verval tot alleen de lichtekooien van weleer waren overgebleven. 

Hoe het hier tien jaar geleden was? De barman met de onheilspellende naam Fausto begint te lachen. 'Brutto, brutto', zegt bij. Slecht, dus. Alleen eenzame zeelui waagden zich nog in de smalle en donkere straatjes van Città Vecchia, op weg naar een dame van plezier in een casa de toleranza. Dat is een mooi Italiaans woord voor bordeel. 

Toch besloot Fausto hier zijn bar Knulp te openen - midden in Cavana, het meest verloederde deel van het oude centrum. Het stadsbestuur had besloten tot een grootscheepse opknapbeurt van Città Vecchia, dat vanaf de waterkant omhoogklimt naar het kasteel San Giusto. 

Het verjoeg de hoeren uit hun huizen van tolerantie en gaf de vervallen en dichtgemetselde huizen en palazzi een grondige opknapbeurt. Daarbij werden de smalle en soms steile straatjes verkeersvrij gemaakt. 

Het resultaat? Wel, de hoeren en zeelui zijn er nog steeds, zij het respectievelijk tippelend op een verlaten straathoek en weemoedig zwijgend met een biertje aan de bar van Fausto in Knulp, omringd door blokkende studenten en buurtbewoners. 

In de schimmige straatjes van voorheen staan de luiken van de geel, blauw en roze geschilderde huizen weer open en ruikt het naar drogend wasgoed. Waar eens de bordelen zaten, struikel je nu over restaurantjes, koffietentjes, gelateria, galeries en de onvermijdelijke vintagewinkels. En musea, zoals die gewijd aan de schrijvers Svevo en Joyce. 

Toch gaat de wijk niet aan hipheid ten onder, zoals maar al te vaak het lot is van de volksbuurt-in-verval na een rondje stadsvernieuwing. Wellicht komt dat doordat de wijk nog steeds deels in puin ligt - vooral op de heuvel San Giusto kom je menig dichtgemetseld palazzo tegen. 

Daarbij zijn de Triestini gewoon niet zo dol op verandering. 'Wij houden de dingen het liefst zoals ze zijn', verzucht de 60-jarige zeebonk Giorgio Gherlani aan de bar van Fausto. 

Dat blijkt. Zo eten de stadsbewoners al sinds de Habsburgse tijd bij voorkeur staand aan de bar van een zogeheten buffet. De populairste is Da Pepi (sinds 1897), om de hoek van Piazza Borsa. Om binnen te komen, worstel je je door een haag mannen met kroezen bier, waarna je terecht komt in een onooglijk eetlokaal dat nog het meeste wegheeft van een Oostenrijkse Stübe, compleet met lambrisering van houten planken, dito krukjes en een bar versierd met bierpullen van aardewerk. 

Achter die bar snijdt een blozende kastelein plakken vlees van een homp varkensgebraad, dat je eet met mosterd of mierikswortel en een bel doordrinkwijn à 1 euro, getapt uit een houten vaatje achter de bar. Net als in 1897, eigenlijk.

OVER HET PAD DAT NAPOLEON LIET UITHAKKEN

Neem ook een dag om de stad uit te gaan, want zowel bergen als zee zijn om de hoek. 

Triëst ligt ingeklemd tussen de Adriatische Zee en het Karstgebergte, het met dennenbossen, wijnranken en appelbomen overgroeide kalksteenplateau, dat zich uitstrekt tot in Slovenië en Kroatië. 

Het plateau staat bekend om zijn vele onderaardse riviertjes, gangen en grotten - waaronder de allergrootste voor toeristen toegankelijke grot ter wereld, met de toepasselijke naam Grotta Gigante. 

In de overwegend Sloveense dorpjes verspreid over het kalkplateau vind je vele agriturismi en osmize, de tijdelijke drinklokalen waar de boeren hun wijnoogst en zelfgemaakte hammen aan de man brengen. 

Op 20 kilometer van Triëst ligt het natuurgebied Val Rosandra, een beboste vallei omgeven door steile rotswanden. Neem een duik in een van de kleine meertjes of vergaap je aan een 30 meter hoge waterval. 

Je kunt daar naartoe fietsen over de pista ciclabile, een voormalige spoorweg tussen Triëst en Slovenië. Wandelen kan ook, bijvoorbeeld over het pad dat Napoleon liet uithakken in de steile kliffen langs de zee. Kijk zo ver als je kan over de Golf van Triëst - met helder weer reikt dat uitzicht tot in Kroatië. 

Naar een zandstrand is het door het rotsachtige landschap lang zoeken in Triëst, maar vanaf de rotsen duik je doorgaans zo de kalme zee in. De Triestini doen dat het liefst in Barcola, ongeveer 10 minuten rijden van het centrum van de stad.

JAMES JOYCE

Altijd al willen weten waar James Joyce een eeuw geleden zijn ontbijt haalde, in welke koffiehuizen hij graag rondhing en hoe zijn favoriete bordeel heette? Een route uitgezet door de universiteit van Triëst voert je langs een veertigtal plekken waar de Ierse schrijver tijdens zijn elf jaar lange verblijf in de stad te vinden was. Ook leuk voor wie het nooit verder schopte dan de openingszin van Ulysses, overigens, want de tocht is tegelijkertijd een ode aan de Oostenrijks-Hongaarse hoogtijdagen van Triëst. Bij de VVV op het Piazza dell'Unità d'Italia vind je het bijbehorende boekje met route en toelichtingen.

De rotte kies van het verpleeghuis

20-07-2013, Het Parool

Op vrijdagmiddag rinkelt de telefoon bij Mondzorgpraktijk De Gezonde Lach in West. Aan de lijn is een medewerker van verpleeghuis De Poort, een vestiging van Amsta. Hij moet helaas de afspraak van een bewoner afzeggen, want er is geen personeel om hem naar de praktijk te brengen. 
 
Tandarts Angela Stoel kijkt zorgelijk. Die afspraak kan eigenlijk niet wachten, meent ze. "Er moeten kiezen bij deze meneer getrokken worden, dus het kan goed zijn dat hij nu met veel pijn het weekend ingaat."
 
De praktijk behandelt de bewoners van De Poort. Volgens eigenaar Nathaly Scharinger zijn de gebitten van de bewoners vaak slecht, wat in de meeste gevallen te wijten is aan gebrekkige mondverzorging in het verpleeghuis, of zelfs een totaal gebrek daaraan. "Veel patiënten moeten hier maandelijks terugkomen om hun gebit te laten schoonmaken." 
 
Ware horrorverhalen zijn er ook. Een bewoonster wiens kunstgebit een jaar niet uit haar mond was gehaald door de verzorgenden. Nee, we willen inderdaad niet weten wat daar uitkwam. En de man met een dusdanig verwaarloosde ontsteking in zijn mond dat zijn kaak was weggerot. 
 
"Dat kan gebeuren," zegt Robbert Kamerling, verpleeghuisarts bij Amsta. "Het zijn geen gangbare gevallen, maar wel een signaal dat er iets aan de hand is." Maar dat is niet alleen bij Amsta het geval, benadrukt hij. "Bij Amsta valt het nog mee. In al onze verpleeghuizen komt een keer per week een tandarts langs, dat is echt niet overal zo." 
 
Het probleem van slechte mondzorg in verpleeghuizen is niet nieuw. In 2003 sloeg het College van Zorgverzekeringen (CvZ) alarm over de snel verslechterende gebitten van verpleeg-huisbewoners. Verzorgers bleken maar weinig kennis te hebben op dit gebied, constateerde het CvZ. Tanden werden nauwelijks gepoetst, en bewoners zagen slechts zelden een tandarts, bleek uit onderzoek. 
 
In tegenstelling tot vroeger behouden steeds meer ouderen hun tanden en kiezen. Had in de jaren negentig nog het overgrote deel van de verpleeghuisbewoners een kunstgebit, nu komt ruim een derde met eigen tanden en kiezen het verpleeghuis binnen, zegt Ad van Andel, docent aan het Academisch Centrum Tandheelkunde Amsterdam en verpleeghuistandarts.
 
Goed nieuws, maar eenmaal in het verpleeghuis blijkt dat goede gebit eerder een nadeel voor de zorgafhankelijke oudere. Tenslotte vergen echte tanden en kiezen aanzienlijk meer onderhoud dan een kunstgebit, aldus Van Andel. Bij veel zorginstellingen blijkt dat besef nog altijd niet doorgedrongen. 
 
"Gebitsverzorging is het ondergeschoven kindje," zegt een docente van de ROC-opleiding tot verzorgende. Ze wil liever niet met haar naam in de krant. "Het is een terugkerend probleem. Af en toe worden er wat reminders opgehangen in de verpleeghuizen, maar dat verwatert na verloop van tijd dan weer." 
 
Het is geen onwil van de verzorgers, benadrukt ze. "Maar er is gewoon geen tijd. Zeker nu in de zomerperiode gaat het fout. Er is te weinig personeel en onervaren leerlingen staan zonder begeleiding op de afdeling. Tandenpoetsen heeft dan voor ze minder prioriteit dan een bewoner die naar de wc moet." 
 
"Klinkklare nonsens," noemt hoogleraar Cees de Baat, specialist in mondproblemen bij ouderen, het argument dat verpleeghuispersoneel geen tijd heeft voor mondverzorging. "Waarom is wel vanzelfsprekend dat de onderkant wordt schoongemaakt, maar de bovenkant niet? Het probleem is dat het niet in hun systeem zit. Als het een vast onderdeel is van de verzorging is er altijd tijd voor." 
 
Toch is er volgens De Baat de laatste tien jaar veel verbeterd op het gebied van gebitsverzorging voor ouderen. Zo geldt er sinds 2007 een richtlijn mondzorg voor verpleeghuisbewoners waar de instellingen zich aan dienen te houden. Daarbij zijn er cursussen mondzorg beschikbaar voor verzorgenden en hebben nu bijna alle verpleeghuizen een contract met een tandarts. 
 
Desondanks zijn er nog steeds verpleeghuizen 'waar je je opa of oma niet aan wil toevertrouwen', aldus De Baat. "De kwaliteit van de mondzorg wordt voornamelijk bepaald aan de top van de verpleeginstellingen. Als het management het niet belangrijk vindt, gebeurt er niets." 
 
Het kan dan ook per locatie sterk verschillen in welke mate er aandacht is voor de gebitten van de bewoners, blijkt uit een kleine rondgang onder medewerkers van verpleeghuizen. 
 
"Tandenpoetsen en het schoonmaken van gebitsprothesen zijn zaken die er nogal eens bij inschieten," erkent Rosaida Cristina, zorgcoördinator van het Dr. Sarphatihuis, een verpleeginstelling van Amsta. "Ik werk alleen overdag, dus ik heb geen zicht op wat er 's avonds gebeurt. Maar ik zie regelmatig de etensresten van de avond ervoor nog tussen de gebitten van de bewoners zitten." 
 
Ze wijt het probleem aan het structurele personeelstekort in het verpleeghuis en het vervangen van vast personeel door flexwerkers. "Vaak sta je alleen op de afdeling, want negen van de tien keer komen flexers en uitzendkrachten niet opdagen." 
 
Daarbij ontbreekt het bij veel verzorgenden aan kennis over de bewoners en het belang van mondverzorging. "Het is wel een aandachtspunt op de werkvloer, maar dat heeft weinig zin met onervaren personeel dat niet bekend is met de zorgplannen van de bewoners," aldus Cristina. 
 
Elke maandag komt er een tandarts langs bij het Sarphatihuis, dat daarvoor een ruimte beschikbaar heeft. Voor grote behandelingen moeten de bewoners naar de praktijk toe. Echter, ook deze vestiging is afhankelijk van mantelzorgers of vrijwilligers om de patiënten naar de tandarts te begeleiden. Christina: "Het kan voorkomen dat een patiënt daardoor niet naar de tandarts kan." 
 
"Mondzorg, wat is dat?" zegt een medewerker van verpleeghuis Slotervaart, een vestiging van Cordaan. Ze wil niet met haar naam in de krant. "Oh, tandenpoetsen. Ja, dat doen we elke avond, en gebitten worden er ook uitgehaald. Maar ik moet er bij zeggen dan mijn afdeling een vast team heeft, dat onderscheid moet je maken. Wij kennen onze bewoners, zo kun je ook goede zorg leveren." 
 
Een zorgcoördinator van het kleinschalig wonenproject Gerrie Knetemannlaan, tevens van Cordaan, meldt dat de mondzorg ook op die locatie goed geregeld is. "Wij hebben medewerkers die daarvoor een cursus hebben gevolgd, en erop toezien dat het personeel de regels naleeft. En als de bewoners naar de tandarts moeten, schakelen we hun familieleden in om ze ernaartoe te brengen." 
 
Een ziekenverzorgende van woonzorgcentrum Sint Jacob, een vestiging van Amstelring, schetst een heel ander beeld van de mondverzorging op haar werkplek. Ook zij blijft liever anoniem. "Kunstgebitten worden 's avonds vaak heel vies in het water gelegd, en ik vind ze zelfs wel eens terug op de grond." 
 
Ook tandenpoetsen wordt soms 'vergeten', zegt de verzorger. "Dat ligt niet alleen aan de werkdruk, maar ook aan de laksheid van de verzorgenden. Ook die van de vaste medewerkers; het is niet terecht om altijd maar de flexwerkers de schuld te geven." Vanuit het management is er weinig aandacht voor goede mondverzorging, zegt ze. De richtlijn voor mondzorg in verpleeghuizen is haar onbekend. 
 
Het onwelriekende gevolg van gebrekkige mondverzorging laat zich eenvoudig raden. De Baat: "Het is uitermate vervelend voor een oudere als de familie een meter afstand houdt vanwege de stank." 
 
Maar de verwaarlozing kan ook ernstiger gevolgen hebben. Van plak, gaatjes, tandvleesontstekingen en uitvallende kiezen door slecht poetsen, tot slijmvliesontstekingen en schimmelinfecties in de mond, veroorzaakt door vieze kunstgebitten. 
 
Deze problemen kunnen weer tot complicaties leiden. Zo kan pijn door gebitsproblemen ervoor zorgen dat ouderen ondervoed raken. Daarbij werken infecties in de mond in interactie met de rest van het lichaam, zegt De Baat. Met soms fatale gevolgen: "Als de bacteriën in de bloedbaan terechtkomen, kunnen die verspreid worden naar andere delen van het lichaam. Ook kan bij een verslikking rommel in de longen komen en daar ontstekingen veroorzaken. Dat overleeft een oudere vaak niet." 
 
Terug naar de Gezonde Lach. De maandag na het weekend zegt De Poort weer een afspraak af. "We brengen het wel in rekening, dus uiteindelijk kost het ze alleen maar geld," zegt eigenaar Nathaly Scharinger. 
 
Geld waar de praktijk doorgaans lang op moet wachten, want Amsta is volgens De Gezonde Lach een wanbetaler. Wat met het aanmeten van dure kunstgebitten flink in de cijfers kan lopen voor de praktijk. 
 
Woordvoerder Sanne Hekman van Amsta zegt niet bekend te zijn met de problemen. "In de genoemde verpleeghuizen komt één keer per week een tandarts langs. Volgens het secretariaat van de medische dienst verlopen deze procedures goed."
 
Verscherpt toezicht
 
De tandheelkundige verzorging van verpleeghuisbewoners valt onder de AWBZ. De verpleeghuizen zijn derhalve verplicht om hun cliënten tandheelkundige voorzieningen aan te bieden. Bewoners van verzorgingshuizen zijn daar zelf verantwoordelijk voor.
 
Sinds 2007 geldt er een richtlijn voor mondzorg aan verpleeghuisbewoners, waarin staat uitgelegd waar goede mondzorg aan zou moeten voldoen. 
 
Zo moet iedere cliënt binnen zes weken na opname door de tandarts gezien worden voor een mondzorgplan. Ook moet in elk verpleeghuis een coördinator mondzorg aangesteld worden, die toeziet op een goede mondverzorging. 
 
Tot zover de theorie, want in de praktijk blijken maar weinig verzorgenden op de hoogte van de voorschriften uit de richtlijn, volgens verschillende bronnen. 
 
De Inspectie voor de Gezondheidszorg houdt sinds vorig jaar verscherpt toezicht op de naleving van de richtlijn voor mondzorg in verpleeghuizen, nadat was gebleken dat niet alle verpleeghuizen zich evenveel aantrokken van de voorschriften uit deze richtlijn. Resultaten van dit onderzoek worden eind dit jaar verwacht.
 
Groen van geluk

12-07-2013, Het Parool

Mijn hoofd gloeit en ik voel me wegzakken in een roes. Ik tel van één tot tien, telkens weer. Bang om te worden overvallen door het onbekende. Naast me duikt een meisje voorover. Ze begint onbedaarlijk te beven en huilt zachtjes. Ik staar naar de overkant, waar gezichten groen verkleuren. Niet spreekwoordelijk, maar echt. Of hallucineer ik nu?

We zijn bij een eredienst van de Amsterdamse afdeling van de Santo Daimebeweging, in de Maarten Lutherkerk in de Rivierenbuurt. Bij het sacrament van deze van oorsprong Braziliaanse kerk wordt een plantenbrouwsel gebruikt: daime, een hallucinogene oerdrug afkomstig uit het Amazonewoud. 

Daime staat beter bekend onder de indiaanse naam ayahuasca. Naar verluidt gebruiken de indianen het spul al duizenden jaren voor sjamanistische en therapeutische rituelen. Liaan van de ziel betekent ayahuasca in het Quechua, verwijzend naar de onverwerkte emoties die de ayahuasca naar boven kan halen tijdens de trip. 

Ayahuasca is een thee, getrokken van de blaadjes van de struik rainha en de fijngestampte liaan jagube. Behalve de hallucinogene stof DMT bevat ayahuasca ook zogeheten MAO-remmers, die delen van het afweersysteem uitschakelen en daardoor het effect van de DMT versterken. 

De Santo Daimekerk werd in de jaren twintig van de vorige eeuw opgericht door de Braziliaanse rubbertapper Raimundo Irineu Serra. Het verhaal gaat dat hij na een acht dagen durende ayahuascatrip in het regenwoud een visioen kreeg van de heilige maagd Maria, die hem opdroeg een kerkorde rond het geestverruimende goedje te stichten. Hij doopte het daime: Portugees voor 'geef mij'. 

De Santo Daimereligie is een vreemde melting pot van rooms-katholieke gebruiken en Afrikaanse en indiaanse tradities. De rituelen draaien om het drinken van daime en het zingen van Portugese hymnen. Toen Mestre Irineu in 1971 stierf, had hij ruim honderd van deze eenvoudige liederen doorgekregen van de maagd Maria en de daime. Deze hymnen zijn verzameld in een groen boekje dat ze het Derde Testament noemen. Voor de erediensten, werken genoemd, houdt de kerk zich aan de roomse kalender. 

Sinds de jaren negentig verspreidde de beweging zich ook over de rest van de wereld, waaronder Nederland. Behalve in Amsterdam (125 leden) is er ook een vestiging in Den Haag. De kerkgemeenschap, met een vaste kern van een paar honderd ingewijden, was lang omstreden. In 1999 deed de Amsterdamse politie een inval tijdens een eredienst en arresteerde twee kerkleiders op verdenking van het overtreden van de Opiumwet. Maar dankzij een beroep op de vrijheid van godsdienst kreeg de Daimekerk twee jaar later toch toestemming om ayahuasca te gebruiken bij de rituelen. 

Tegen half acht vult de kerkzaal zich met discipelen die elkaar uitgelaten omhelzen. Alle nieuwkomers zijn gekleed in het wit, de ingewijde mannen en vrouwen zijn te herkennen aan respectievelijk donkerblauwe broeken en dito plissé rokken. Het werk van vandaag is een zogeheten concentratie. Behalve het gebruikelijke liederen zingen en daime drinken staat daarom ook een stiltemeditatie op het zes uur durende programma. 

Vanavond zijn er ongeveer vijftien nieuwelingen. Uitzonderlijk veel, vertrouwt een vrouw van de organisatie ons later toe. Vriendin Vanessa en ik melden ons bij de inschrijftafel. Na het betalen van veertig euro krijgen we een formulier in onze handen gedrukt waarop we invullen psychisch oké te zijn en geen alcohol te hebben gedronken in de afgelopen dagen. Ook adviseert de kerk drie dagen voor en na de dienst geen seks te hebben. 

Hierna volgt een korte introductie over wat ons te wachten staat. "We gaan daime drinken!" zegt onze instructrice, terwijl ze een weids gebaar maakt. Ze geeft een korte uitleg, zonder zich te wagen aan aardse termen als drugs of hallucineren: wij gaan een spirituele reis maken naar de diepere lagen van onszelf, de wereld en de kosmos. 

De reis is bovenal een persoonlijke ervaring, benadrukt ze. "Concentreer je op jezelf; niet op de mensen om je heen. Alleen zo kan de daime zijn werk doen." Dan de bijwerkingen. "Omdat de daime blokkades opruimt in je lichaam, kan het zijn dat je moet overgeven, of naar de wc moet." 

Ook kunnen er allerlei angsten bovenkomen tijdens de trip. "Het is niet altijd leuk wat je tegenkomt, maar uiteindelijk is het goed." En ten slotte: "Neem wat er ook gebeurt ook het tweede glas daime. Daar zijn we hier tenslotte voor." 

Nog een paar regels. Voortijdig weggaan is verboden. Net als het kruisen van armen of benen, want alleen met een open houding kunnen lichaam en geest optimaal gezuiverd worden. Overgeven dient te gebeuren aan de zijkanten van de zaal, waar om de paar stoelen kotsemmertjes staan opgesteld. 

In een omslachtige stoelendans (mannen en vrouwen gescheiden en op volgorde van lengte) krijgen we twee plekken op de achterste rij aangewezen. De stoelen zijn opgesteld in concentrische cirkels rondom een stervormige tafel met daarop kaarsen, een kruis en foto's van heiligen. "Dat is waar het allemaal gaat gebeuren," zegt de vrouw naast ons, wijzend naar de tafel. 

'Een medicijn van de ziel' noemt een 32-jarige vrouw het plantenbitter. Ze komt al vijf jaar naar de diensten en beschouwt de kerk als haar redding. "Het ging vijf jaar geleden heel erg slecht met mij. Dus toen ik hoorde over daime, dacht ik: dat kan ik er ook nog wel bij hebben." De ayahuasca confronteert haar in de diepere lagen van haar bewustzijn met de dingen die haar dwarszitten, verklaart ze. "Ik kom daar dingen tegen die ik eigenlijk niet wil zien." Wat die dingen zijn, wil ze liever niet vertellen. 

De kerkgangers zien er, nou ja, normaal uit. Er zijn zo'n honderd volgelingen afgekomen op de dienst van vanavond, van jong tot heel oud, en van onopvallende types tot verstokte new age-hippies en yuppen. De regie is in handen van een aantal oudere vrouwen, die eruit zien alsof ze zo uit een boek van Roald Dahl zijn weggelopen. 

De dienst begint met het zingen van wat hymnen en katholieke gebeden. Dan mogen we in de rij voor ons eerste shotje high tea, geserveerd in een duralex borrelglaasje. Op het altaar staan twee grote karaffen met een donkerbruine troebele vloeistof. Daaromheen branden een paar kaarsen en prijkt een foto van de eerdergenoemde Mestre Irineu. 

Opeens voel ik hoe mijn hart tekeer gaat. Ik ben doodsbenauwd. Wat als ik een bad trip krijg? Maar er is geen weg meer terug. Ik haal een paar keer diep adem en sla dan een half glaasje van de bittere bruine prut achterover. 

Weer terug in de cirkel sluit ik mijn ogen, in een poging de wereld om me heen buiten te sluiten. Mijn maag rommelt onheilspellend, en ik word overvallen door een intense vermoeidheid. Een gaap is niet te onderdrukken.

Maar verder gebeurt er niet echt veel. Ook niet wanneer het gezang ophoudt en de lichten uitgaan voor de meditatie. Wel voel ik me beetje high, als na een joint. Ik doe mijn ogen weer open, en kijk om me heen. De één kijkt gelukzalig omhoog, bij de ander stromen de tranen over de wangen. Sommigen lijken in slaap te zijn gevallen.

Na zo'n anderhalf uur schuifelen de discipelen naar voren voor hun tweede dosis daime. Complementair is het 'consacreren van de heilige maagd Maria,' oftewel pure wiet. Een helper deelt joints rond, waarna overal rookpluimen opstijgen in de zaal. Hier en daar slaat iemand een kruis alvorens een ferme trek te nemen. 

De consecratie van Santa Maria komt hard aan bij de trippende kerkgangers. Er klinkt een doffe klap van een man die met stoel en al achterover kukelt. De groene gezichten gaan één voor één over hun nek. Anderen spurten met vertrokken gezichten en rommelende darmen naar de wc. 

De fiscals, de ingewijden die bij toerbeurt toezicht houden, lopen rond met glaasjes water, rollen keukenpapier en schone emmers. Her en der worden mensen neergevlijd op matrasjes, waar ze in foetushouding de dienst voortzetten. 

Ondertussen gaat het gezang, begeleid door gitaren, een dwarsfluit en sambaballen, onverminderd verder. De vrolijke, maar eentonige muziek dient als houvast en leidraad tijdens de trip, zal één van de ingewijden ons later uitleggen. 

Onze buurvrouw zingt vol overgave mee, haar hand verwrongen in een soort klauw. Ik probeer me te concentreren, klaar voor een ontmoeting met mijn demonen. Maar hoewel mijn roes ditmaal dieper is dan na de eerste serving, blijft het verwachte visueel spektakel uit. Het voelt als een anticlimax. 

Naast me zie ik Vanessa aandachtig haar vingertoppen bestuderen, als in trance. Bij haar heeft de daime wel het beloofde geestverruimende effect, zo zal achteraf blijken.

Vrolijk konijntje

"Het was na de tweede dosis. Ik verzette me nog steeds, want ik was misselijk. Toen deed ik mijn ogen dicht, en luisterde naar de muziek. Het was een snelle hymne. Opeens zag ik een loopje naar beneden veranderen in een watervalletje, dat op het einde weer veranderde in een heel vrolijk konijntje. Ook nam de muziek psychedelische vormen aan, als een soort van kleurige draaiende kurkentrekkers." 

"Maar ik had al die tijd wel het gevoel dat ik het kon sturen. Ik had niet het idee dat ik me erin zou verliezen en als ik mijn ogen opendeed, was het weg. Al met al duurde het hooguit tien minuten." 

Tegen half twee in de ochtend is het werk ten einde. Na een applaus beginnen de volgelingen elkaar wederom uitgebreid te omhelzen. Hoewel eenieder de 'reis' alleen heeft gemaakt, heerst nu een gevoel van harmonie en geborgenheid. Ook wij worden aan de borst gedrukt en bedankt, en uitgenodigd om nog eens terug te komen. 

Bij de vraag of ik weer terug op aarde ben, moet ik helaas bekennen die nooit verlaten te hebben. Een kwestie van controle, aldus een zakenman die sinds drie jaar wekelijks meedoet aan de rituelen. 

"Ik geloof niet, ik weet," antwoordt hij op de vraag of hij gelovig is. De daime maakte hem duidelijk dat er meer is. Zo ziet hij vaak tijdens de trip lichtstralen de hemel ingaan vanaf de ster, het epicentrum tijdens de werken. Ook andere ingewijden zeggen eenzelfde visioen te hebben ervaren na het drinken van daime. 

Volgende keer beter, bezweert hij mij. "Hoe vaker je het neemt, hoe gevoeliger je ervoor wordt." 

Ik moet leren om me open te stellen voor de werking van de heilige drank. Hij besluit met een wijsheid: "De beste vorm van controle is dat je die ook kunt verliezen wanneer je dat wil."

'Ik sta nu anders in het leven'

Drugsonderzoeker en schrijver Arno Adelaars dronk tussen 1995 en 2011 zo'n vijftig keer mee met de Daimekerk en schreef een boek over ayahuasca. Wat maakt deze drug volgens hem zo bijzonder? 

"Ten eerste ben ik van mening dat ayahuasca geen drug is, maar een medicijn. Aya­huasca bestaat uit twee planten, die elkaars werking versterken. De liaan zorgt ervoor dat bepaalde stoffen in je lichaam, zoals serotonine, niet meer worden afgebroken. Dat in combinatie met de DMT uit de andere plant, is een typisch voorbeeld van synergie, van 1+1=3. 

Het drinken van ayahuasca is een heel persoonlijke ontmoeting tussen jou en de planten. Het klinkt vreemd, maar de planten willen communiceren met jou, je iets laten zien. Waar gaat het nou eigenlijk om in ons leven? Wat is echt belangrijk? Het geeft je de mogelijkheid om heel diep bij jezelf naar binnen te kijken. Bij andere hallucinerende stoffen, zoals paddo's, is het juist meer alsof je naar buiten kijkt. 

Mensen zijn gewoontedieren, willen alles altijd maar hetzelfde blijven doen. Maar dat kan ook tegen je werken. Vaak is er iets rots gebeurd waar je lange tijd niet naar wilde kijken. Dat gaat net zolang goed tot er iets begint te wrikken. De ayahuasca kan dan zeggen: dit hoort bij jou, kijk ernaar. 

Zo helpt de ayahuasca je bij het helingsproces. Maar na ongeveer honderd keer krijg je geen nieuwe inzichten meer. Daarna gaat het erom of je er iets mee doet. Ja, dat is een stuk moeilijker. 

Ik ben ook anders in het leven gaan staan door de ayahuasca. Zachter, positiever. En ik houd mezelf niet meer voor de gek. Als ik in de spiegel kijk, kan ik mezelf recht aankijken. Dat is waar het mij om gaat. 

Of er ook gevaren zijn? Voor mensen met een zware psychiatrische aandoening is het een no-go. Maar het wordt al minstens een paar eeuwen gebruikt, en daarvan zijn geen sterfgevallen bekend. Het gebeurt wel dat mensen de weg kwijtraken tijdens de ceremonie. Daarom valt of staat ayahuasca bij hoe je wordt begeleid."

 
Geheimtip: Triëst

08-06-2013, De Volkskrant

Huisgemaakte wijnen en hammen, op het erf van de boer. Bij de osmize in de provincie Triëst vind je la dolce vita zoals Bacchus het bedoeld heeft. 

'Beter een liter vandaag dan morgen een glas', zo luidt de tegelwijsheid die de Triestini aanmoedigt zich de nieuwe wijnoogst goed te doen smaken.

Het is zaterdagmiddag en we zijn in de zogenoemde osmiza van de boerenfamilie Fabec in Malchina, een dorp in de provincie Triëst. 

Om ons heen heerst een liederlijke vrolijkheid van groepen mensen die, gezeten aan lange picknicktafels, zich laven aan grote karaffen wijn en planken vol plakken rauwe en gerookte prosciutto, salami en brokken kaas besprenkeld met olijfolie en venkelzaad. 

'Andar per osmiza' is voor de Triestini hetzelfde als voor ons een middag in het café. Al sinds de tijd dat deze regio nog onderdeel was van het Habsburgse Rijk openen boeren hier om de zoveel tijd een osmiza, een soort pop-up drinklokaal waar ze een paar weken lang hun huisgemaakte vleeswaren, kazen en wijnen verkopen. 

En zo is er in elk dorp in de omgeving van Triëst, of beter gezegd in Karst, het kalkplateau dat zich uitstrekt op de landtong tussen de zee en Slovenië, wel een osmiza te vinden. Rij een willekeurig dorp binnen en speur naar een samengebonden takkenbos aan de rand van de weg, de traditionele wegwijzer voor een osmiza. 

'Vroeger waren de osmize vooral iets voor de arme boeren', aldus Tomaz Fabec (38), de jongste telg van de familie. In de meeste gevallen deed een lege stal dienst als drinklokaal, waar de dorpelingen al borrelend de dag doorbrachten. Geen wonder. Met nog geen 5 euro voor een liter vino di terreno is het goed toeven in de osmiza. 

Tegenwoordig weten ook de stedelingen uit nabijgelegen Triëst en een enkele toerist de osmize te vinden. De stallen van weleer zijn vervangen door lokalen met geïmproviseerde bar en tafels met geblokte of gebloemde tafelkleden, die in geval van zon verplaatst worden naar de tuin. 

Oorspronkelijk mocht een osmiza slechts acht dagen open zijn - osem betekent acht in het Sloveens. Nu heeft iedere gemeente zijn eigen regels - zo is in Malchina de openingstijd afhankelijk van het aantal varkens en liters geproduceerde wijn. 

Nog een wet in Malchina: het is streng verboden om iets van buiten de regio te verkopen. 'Er zijn osmize die dolci met nutella verkopen', zegt Tomaz misprijzend. Daar beginnen de Fabecs niet aan. Hier vind je strudel met appels uit eigen boomgaard en crêpes gevuld met de mermelata van oma Fabec. Zoals het hoort. 

Op osmize.com vind je de die dag geopende osmize. Even bellen om te reserveren is een goed idee.

 
'We komen helpen, niet straffen'

01-06-2013, Het Parool

Voor de buitenstaander is het een verwarrend tafereel. Dertig in zwart leer gestoken motorrijders kijken ontroerd naar een medebiker die in een diep gesprek lijkt te zijn met een knuffelbeer. Dan drukt hij een kus op het berenhoofd en geeft de knuffel met een plechtig gebaar door aan de motormuis naast hem.

Vele natte kussen later overhandigt biker Job (58) de beer aan Kim (11). "Deze beer is nu gevuld met bikerliefde," zegt de kolossale motorrijder tegen het meisje. "En als de beer leeg is, dan komen we hem gewoon weer vullen." Het meisje pakt het speelgoeddier stevig vast en laat het niet meer los. 

We zijn op pad met de Bikers Against Child Abuse (Baca). Motorrijders die, de naam zegt het al, opkomen voor kinderen die slachtoffer zijn van misbruik of mishandeling. De bikers maken motorritjes met de kinderen, maar staan ook paraat wanneer een kind zich bedreigd voelt. Hun motto staat op de achterkant van op hun motorjacks, 'No child should live in fear'. 

Vandaag worden Kim en haar broer Wesley (13) symbolisch lid gemaakt van de bikersfamilie. De twee zijn misbruikt door hun vader, die daarvoor nu nog in voorarrest zit. Via via hoorde hun moeder over de activiteiten van Baca en ze besloot haar kinderen aan te melden. 

Ongeveer dertig motorrijders, de twee kinderen en hun familie hebben zich verzameld voor het 'adoptieritueel,' in een bowlingcentrum in Hoorn. 

Job neemt het woord. "Vandaag krijgt onze motorfamilie twee nieuwe leden." Voor beide kinderen haalt hij een motorjack tevoorschijn met daarop het Baca-embleem en hun zelfgekozen roadnames: Deaf Micky en Big B. Ten slotte leert hij ze de bikergroet, waarmee ze officieel lid worden gemaakt van de familie. 

Dan gaat de hele groep naar buiten, waar blinkende motoren al klaar staan voor het allerleukste onderdeel: de rit achterop. Even later glijdt een colonne van dertig motoren door het stadje, de kinderen aan kop. Motorrijders in gele hesjes regelen het verkeer, zodat de stoet de gehele tocht bij elkaar blijft. "Gaaf," aldus Big B. 

Ook krijgen Kim en Wesley twee buddy's toegewezen, die af en toe langsgaan bij de kinderen en altijd hun telefoon aan laten voor het geval er iets aan de hand is. Moose en Muis heten hun nieuwe maatjes. In het echte leven gaat dit stel door het leven als Bert en Ria (beiden 53), vrachtwagenchauffeur en thuiszorgwerkster uit Hoorn. 

Voorafgaand aan de adoptie verzamelen de Baca-leden bij een tankstation langs de snelweg. Ria, gezeten aan een picknicktafel, rolt nerveus een shagje. Met haar kleine postuur en zachte gezicht is ze een opvallende verschijning tussen de ruige bikers. Motorrijden doet ze al dertig jaar, voor Baca sinds een paar jaar. Nu wordt ze voor het eerst ook buddy van een kind. 

Afgelopen tijd gingen zij en haar man al een paar keer langs bij het gezin. "Het klikte meteen," zegt ze. Waar ze over praatten met de kinderen? "Over school, hun hobby's, en of ze het eng vonden om te gaan motorrijden." 

Het misbruik bleef tot nog toe onbesproken. "Daar praten we alleen over als de kinderen er zelf over beginnen. Nu gaat het erom dat ze een beschermd gevoel krijgen." 

Of het helpt? "Bij alles wat van belang was voor de kinderen, waren ze erbij," zegt hun moeder. "Sinds hij contact heeft met zijn buddy's, slaapt Wesley weer 's nachts." De motorhelm die hij kreeg, hing hij aan zijn bed. "Hij voelt zich niet meer alleen." 

Ook bij de rechtszaak tegen haar ex-man waren de bikers present. "Toen ik aan de beurt was, konden zij Wesley opvangen. Zo hoefde hij er niet bij stil te staan dat ik daarbinnen was." 

Ria is in haar jeugd ook misbruikt. Andere tijden, zegt ze. "Toen werd dit soort dingen in de doofpot gestopt." Ze is blij dat kinderen nu wel gehoord worden. 

Muis is niet de enige met 'een verleden' onder de bikers. Voor menigeen zijn ervaringen met ontucht een belangrijke reden om lid te worden. In het geval van Job (niet zijn echte naam, vanwege bedreigingen in het verleden) was dat het misbruik binnen zijn schoonfamilie. "Ik ben ermee getrouwd," zegt hij, wijzend op zijn vrouw. 

De namen Kim en Wesley zijn om privacyredenen gefingeerd

Baca werd in de jaren negentig opgericht door de Amerikaanse psycholoog en motorrijder John Paul Lilly. Als achtjarig en misbruikt jongetje was Lilly bevriend geraakt met een groep bikers, die hem in bescherming namen. Toen Lilly merkte dat zijn gesprekken de angst van een misbruikt jongetje niet weg konden halen, besloot hij weer de hulp van motorrijders in te roepen. 

Sindsdien groeide Baca uit tot een internationale organisatie met ruim dertigduizend leden, verdeeld over chapters in zeven landen. De Nederlandse tak, opgericht in 2008, telt zo'n 170 leden, die meer dan zeventig kinderen onder hun hoede hebben. 

De kinderen vinden hun weg naar Baca via kennissen, maar ook via politie en hulpverleningsinstanties. 

Na een aanmelding wordt eerst gecheckt of het kind wel in aanmerking komt: is het inderdaad misbruikt dan wel mishandeld en is aangifte gedaan tegen de dader? "Wij willen niet in een vechtscheiding terechtkomen," zegt voorzitter Johan Jong, aka Condor. 

Rijden voor Baca is weliswaar vrijwillig, maar bepaald geen vrijblijvende bezigheid, aldus de bikers. Alle kosten komen voor rekening van de motorrijders, en de full members worden geacht bij tachtig procent van alle activiteiten aanwezig te zijn. Ook moeten ze regelmatig een verklaring omtrent het gedrag overleggen. 

"Het is een zware opgave, waar je honderd procent achter moet staan," zegt Jong (60). De voormalige metaalbewerker stopt naar eigen zeggen tot tachtig uur per week in Baca. Maar het is het waard, vindt Jong. "Je ziet de kinderen opknappen en meer zelfvertrouwen krijgen. Daar doe je het voor." 

De leden spelen niet voor eigen rechter. "We zijn er om de kinderen te helpen, niet om de daders te straffen," zegt Job. Maar haalt een ontuchtpleger het in zijn hoofd een kind lastig te vallen, dan kan hij wel een delegatie bikers tegenover zich verwachten. Zoals een dader die zich tegenover het huis van zijn slachtoffer had opgesteld. "Hij doet niets, zei de politie," vertelt Job. "Dus toen zijn wij ertussen gaan staan, om ook niets te doen." Net zolang tot de stalker zijn nietsdoen staakt.

Foto Maarten Brante

De eerlijke smartphone komt eraan

11-05-2013, Het Parool

Mineralen uit conflictmijnen, kinderarbeid en een groeiende berg 'e-waste'; de smartphone leidt tot veel ellende. Uit Amsterdam komt een verantwoord alternatief, de Fairphone. De voorverkoop begint deze week.

Bas van Abel (35) is één van die zeldzame figuren die geen mobiele telefoon heeft. "Niet uit principe hoor," zegt hij er snel achteraan. "Ik zou zo'n ding maar verliezen." 

Toch weet Van Abel vermoedelijk meer over smartphones dan menig topman van Apple of Samsung. Hij en zijn zevenkoppige team van Waag Society in Amsterdam ontwikkelden de eerste duurzame en eerlijk geproduceerde smartphone ter wereld: de Fairphone. 

De telefoon gaat 325 euro kosten en is volgens Van Abel vergelijkbaar met een reguliere smartphone van diezelfde prijs. KPN heeft reeds toegezegd de 'schone' telefoon in zijn portfolio op te nemen, met een aantal andere providers is Fairphone in onderhandeling. 

De voorverkoop begint volgende week. Meer dan twaalfduizend mensen hebben ingetekend voor de telefoon, die in het najaar geleverd zal worden. 

Maar wat is er eigenlijk zo fout aan de bestaande telefoons? Veel dus. De ellende begint al bij de grondstoffen die onze smartphones zo slim maken. Mineralen als tin en kobalt en edelmetalen worden veelal onder belabberde arbeidsomstandigheden gewonnen en dragen bij aan de instandhouding van gewapende conflicten, met name in Congo. 

Ook in de fabrieken is van alles mis. Zo kreeg vooral Apple de afgelopen jaren veel kritiek over zich heen vanwege de dramatische arbeidsomstandigheden in de Foxconnfabrieken in China, waar niet alleen slechtbetaalde arbeiders werkweken van tachtig uur draaiden, maar ook minderjarigen de nieuwste iPads en iPhones in elkaar bleken te knutselen. 

Een ander probleem is de 'e-waste', ofwel de afvalberg van niet-recyclebare afgedankte telefoons die vaak in ontwikkelingslanden gedumpt worden, met de nodige milieuvervuiling tot gevolg. Het systeem van providers dat bij elke abonnementsverlenging een 'gratis' telefoon wordt aangeboden, helpt daar niet echt bij. 

Het verhaal van Fairphone begon drie jaar geleden bij Waag Society als een 'campagne voor bewustwording' rond misstanden in de telefoonindustrie. Van Abel: "Toen bedachten we dat een campagne weinig zin had zolang er geen alternatief was. Dus waarom maken we die telefoon niet zelf?" 

Dat klinkt vele malen simpeler dan het is. "De telefoon is onderdeel van een enorm complex economisch systeem," zegt Van Abel. "Je hebt te maken met de grootste bedrijven ter wereld, met regeringen die hun zaken niet op orde hebben, landen waar oorlog woedt. En over wat wij hier eerlijk vinden, hebben ze in China weer heel andere ideeën. " 

Een verziekt economisch systeem, vindt Van Abel. "We zijn zo vervreemd van onze producten dat niemand nog enig besef heeft wat er bij komt kijken om zo'n ding te maken." 

Zelfs fabrikanten weten veelal nauwelijks hoe hun toestellen tot stand komen, aldus Van Abel. "De productieketen is door principes van arbeidsdeling en winstmaximalisatie zo versplinterd geraakt dat niemand meer weet waar de grondstoffen precies vandaan komen, of wat gaande is in de fabrieken." 

De mensen achter Fairphone hebben elke schakel in de productieketen ontrafeld. Zo zat Van Abel naar eigen zeggen 'bovenop de mijn in Congo' om voor elkaar te krijgen dat er geen 'bloedmineralen' zouden worden ingekocht. "We weten precies welke mineralen er in onze telefoon zitten, wie ze uit de grond haalt, en dat er wordt gewerkt aan verbeterde arbeidsomstandigheden voor de mijnwerkers." 

Ook is hij net terug uit China, waar hij een staatsbedrijf bereid vond de eerste tienduizend Fairphones in productie te nemen. Het bleek een taaie opgave een fabriek te vinden waar de telefoons onder acceptabele arbeidsomstandigheden in elkaar gezet konden worden. 

Helemaal schoon is de Fairphone nog niet. Van Abel: "Het zou naïef zijn te denken dat we meteen een honderd procent eerlijke telefoon kunnen maken. Daarvoor zouden we eerst wereldvrede moeten stichten." 

Dat is ook niet erg. "De telefoon is geen doel op zich, maar het begin van een beweging om meer transparantie te brengen in de productieketen en de discussie aan te zwengelen over ons losgeslagen economisch systeem. Als dat lukt, denk ik dat we ook andere bedrijven kunnen inspireren het anders te doen." 

Dat klinkt allemaal mooi, maar uiteindelijk moet de Fairphone wel verkocht worden. De voorverkoop is tegelijkertijd een vorm van crowdfunding, legt Van Abel uit. Als vijfduizend van de twaalfduizend intekenaars hun telefoons hebben betaald, kan de productie worden gestart.

Tegendraads duo in modefotografie

26-03-2012, Het Parool

Het onderstaande verhaal bevat alle clichés van een Hollywoodfilm. Kort samengevat: jong en onervaren fotografenstel vertrekt naar de Big Apple, keert na talloze afwijzingen ontgoocheld terug en schopt het dan alsnog tot de wereldtop der modefotografen. En oh ja, ze zijn ook al meer dan twintig jaar elkaars geliefden.

Inez van Lamsweerde en Vinoodh Matadin heten onze hoofdpersonen. Het portfolio van dit Amsterdamse fotografenduo wekt ontzag, zowel in omvang als in verscheidenheid. De lijst aan prestigieuze modehuizen en toonaangevende modebladen is te lang om op te noemen. Denk Vogue, Jean Paul Gaultier en The New York Times. 'Ze hebben een oog voor wat iemand mooi maakt,' schreef die laatste.

Hun laatste wapenfeit is de zomercampagne die ze fotografeerden voor H&M, met in de hoofdrol Beyoncé. De eerste foto werd vorige week donderdag de wereld in getwitterd door het fotografenstel: 'Our first image of the Beyond Beyoncé for H&M. Getting sexier as the images come out. Kisses IV.' 

We zien een foto van de wereldster, liggend op haar zij op een strandbedje, met tegen de achtergrond het witte zand van de Bahama's. Slechts gekleed in hotpants en een onschuldig doch weinig verhullend wit bloesje, met aan haar voeten een paar naaldhakken, blikt ze wulps de lens in. Veel sexyer kan het niet worden. 

Van Lamsweerde (1963) en Matadin (1961), beiden geboren en getogen Amsterdammers, leerden elkaar halverwege de jaren tachtig kennen op de modeacademie. 

Van Lamsweerde stapte over naar de Rietveld, waar ze zich toelegde op fotografie; Matadin begon zijn eigen modemerk, Lawina. Hij vroeg Van Lamsweerde de fotografie voor hem te doen en zo was hun samenwerking geboren. 

Hoewel Matadin zegt al vanaf het begin verliefd te zijn geweest op Van Lamsweerde, zou het nog zes jaar duren voordat ze ook de rest van hun leven zouden delen. Matadin: "We zijn eerst even goed uitgeraasd." 

In 1991 stopte Matadin met zijn modemerk en begon hij fulltime te werken met Van Lamsweerde, aanvankelijk als haar stylist. Het tweetal vertrok naar New York om daar zijn geluk te beproeven als artists in residence. Een jaar lang leurden ze met portfolio's, vergeefs. Een eenzame en confronterende tijd, volgens Van Lamsweerde. 

Terug in Amsterdam begonnen ze te fotograferen voor het toen nieuwe tijdschrift Blvd.: sterk geretoucheerde, hoogglansbeelden van sexy supervrouwen tegen surrealistische achtergronden, zoals een raketlancering. Het digitaal bewerken van foto's gold toen nog als baanbrekend en controversieel, net als de beelden vol dubbelzinnigheden en uitvergrotingen van de werkelijkheid die het opleverde. 

De publicatie van één van die series, For your pleasure, in het Britse blad The face, zou hun doorbraak betekenen. Opeens stonden de bekende modehuizen en glossy's in de rij voor het werk van Van Lamsweerde en Matadin. Maar in eigen land bleef het stil, reden om in 1995 voorgoed naar New York te verhuizen. In 2000 gaven ze elkaar het jawoord, drie jaar later werd hun zoon geboren: Charles Star Matadin. 

Het werk van Van Lamsweerde en Matadin staat te boek als tegendraads. Fotoshoppen deden ze al voordat dat überhaupt een werkwoord was. In Thank you thighmaster (1993) zien we vrouwen als barbiepoppen, perfect gevormde lichamen zonder geslachtskenmerken, blik op oneindig. Het was hun vorm van kritiek op de maakbaarheid van de Amerikaanse samenleving, juist door die werkelijkheid zwaar aan te dikken. 

Nu, twintig jaar later, is hun werk weliswaar minder radicaal, maar het vervreemdende is gebleven. 

Neem de portretten die ze schoten voor The New York Times. We zien Natalie Portman in een oude capuchontrui, met op haar hoofd een bevoogdende mannenhand. Een nauwelijks herkenbare Clint Eastwood, gehuld in rook. En Michael Douglas, die aanstalten maakt om een trekje te nemen van een boeketje veldbloemetjes. 

Toch is hun werk onmiskenbaar Inez & Vinoodh gebleven, zegt Marcel Musters, oprichter en acteur van het Amsterdamse theatergezelschap Mugmetdegoudentand, en al zo'n 25 jaar bevriend met het stel. "In techniek zijn hun foto's altijd perfect, maar wat ze fotograferen, benadrukt juist de schoonheid van de imperfectie. Hun foto's zijn net een puzzel, ze laten ook de andere kant van iemand zien." 

"Ze bevragen vaststaande dingen als identiteit, dat maakt ze controversieel," zegt Marcel Feil. In 2010 was hij curator bij de overzichtstentoonstelling van Van Lamsweerde en Matadin in Foam, Pretty much everything. 

Feil: "Eigenlijk zijn ze geen echte modefotografen, maar gebruiken ze de mode om hun artistieke ideeën naar voren te brengen. Ze balanceren voortdurend op het slappe koord tussen mode en kunst. Het vertrouwde durven te verlaten, dat is hun grote kracht." 

Martien Mellema, fashiondirector van Vogue in Nederland, ziet dat echter anders. "Je voelt hun liefde en passie voor mode als je naar hun foto's kijkt. Maar ook hun liefde voor de vrouw laten ze zien: het is geen anoniem poppetje. Er is een band met degene die voor de camera staat. Dat krijgen ze goed voor elkaar door met zijn tweeën te werken." 

In interviews is het Van Lamsweerde die het woord doet. Matadin lijkt minder op zijn gemak wanneer de camera nu eens op hem gericht is. Liever luistert hij naar wat zijn wederhelft te zeggen heeft, haar aanvullend waar dat nodig is. Deze rolverdeling is ook terug te zien in hun werkwijze. Van Lamsweerde staat achter de camera, Matadin trippelt eromheen met een kleinere camera, zich bedienend van het onbewaakte ogenblik. 

"Inez regisseert de sessie, waardoor ik vrij rond kan lopen," zegt Matadin. "Op mij wordt niet gelet." 

Deze verrassingsstrategie bleek dé manier te zijn om bijvoorbeeld een doorgewinterd acteur als Tom Cruise op een andere, intiemere manier vast te leggen. 

Behalve hun fotografie voor alle groten der aarde en hun vrije werk, doen Van Lamsweerde en Matadin al ruim 25 jaar de huisfotografie van Mugmetdegoudentand. "Het zijn genereuze mensen," zegt Musters. "Ze zijn zo druk, maar ze vinden gewoon dat ze dit moeten doen. Voor niets, want voor een klein gezelschap als De Mug zijn ze natuurlijk onbetaalbaar." 

Maar het zijn ook heel creatieve en toegewijde mensen, aldus Musters. "Als Inez je fotografeert, is er een sterk lijntje tussen jou en haar. Op de set creëren ze een open, relaxte sfeer waarin van alles kan gebeuren. Heel intuïtief. Ondanks de megabudgetten waar ze mee werken, zijn ze dicht bij zichzelf gebleven."

Mexicaanse trip

09-03-2013, Volkskrant

Relajaaaaaar. Just relax to the max. Ommmm... De oude hippie prikt in mijn schouders, trekt aan wat vingers, en bewerkt mijn rug met zijn ellebogen. 'Ontspan!' Maar dat is makkelijker gezegd dan gedaan, midden op een Mexicaans dorpsplein op zondagmiddag. Ik sta blootsvoets op een rieten matje, onder een boom. Om me heen worden maiskolven geroosterd en taco's gebakken. Als ik mijn ogen even opendoe kijkt een stel dorpelingen me glimlachend aan. Van een verstokte hippie die een argeloze toerist een stoomcursus ontspannen geeft, kijken zij allang niet meer op.

Charly slaat zijn armen om me heen en neemt me in een soort heimlichgreep. Met nog steeds gesloten ogen laat ik me in zijn armen vallen. Een snelle beweging omhoog, krak! Dat was mijn rug. Au. Maar het lucht wel op. Dan moet ik 5 minuten op de grond gaan liggen, om mijn lichaam 'weer op te laden'. Prompt gaat mijn relaxmeester ervandoor, even een taartje halen. 

Charly 'Sanate' is de plaatselijke cosmic mecanic van het Mexicaanse bergdorpje Tepoztlán. Wie niet beter weet zou hem voor de dorpsgek verslijten. Op zijn door de zon verweerde hoofd prijkt een zilveren cowboyhoed voorzien van adelaarsveren, met daaronder zijn lange grijze haar, samengebonden in een staart. Aan zijn lijf een gevlekt T-shirt met de tekst haz paz (maak vrede), aan zijn arm bungelt een trompet. Schoenen ontbreken. 

Maar zijn staalblauwe ogen kijken je helder aan, en in Spaans met nog maar een licht Amerikaans accent vertelt hij over zijn missie in het leven. Charly leert mensen ontspannen, in slechts 5 minuten. Hoewel opgeleid tot masseur en acupuncturist, noemt hij zichzelf liever 'reparateur van de kosmos'. Daarvoor is Tepoztlán een uitgelezen plek, aldus de grijsaard. 36 jaar geleden verliet hij zijn geboortegrond in New Mexico om zich hier te vestigen. Want in Tepoz is 'magische energie', zegt hij, wijzend naar de grond. 'Voel je het al?' 

Tepoztlán is een sprookje, aldus Charly. Dat is misschien wel de juiste omschrijving: de meeste reisgidsen noemen het dorpje 'idyllisch' of 'schilderachtig'. Het bergdorp, door de dorpelingen liefkozend Tepoz genoemd, is als het ideale decor voor een film van Sergio Leone. 

Een rotswand torent vervaarlijk boven het dorp uit, de imposante bergtoppen steken triomfantelijk de felblauwe lucht in. De steile straatjes zijn stoffig en hobbelig, de huisjes zijn okergeel en roze-rood geschilderd. De mensen zijn al net zo kleurrijk - van inheemse boeren tot een kolonie verstokte hippies. Je wordt er wakker van kraaiende hanen, er hangt altijd de geur van versgebakken tortilla's in de lucht, en op straat kom je af en toe een nu eens niet voor toeristen bedoeld paard tegen. 

Naar verluidt is het magnetisch veld hier uitzonderlijk sterk en dat werkt, nou ja, als een magneet op allerlei spirituele en artistieke figuren die van over de hele wereld naar het Mexicaanse bergdorpje zijn getrokken. Je herkent ze aan hun blote voeten. Schoeisel zou al die magnetische energie maar tegenhouden, is de gedachte. 

Voor de indiaanse bevolking van Tepoz is de grond van het omringende Tepoztecogebergte al even heilig. Boven op de berg staan de resten van een oude Azteekse tempel. Deze piramide is gewijd aan Tepoztecatl, de god van de pulque. Dit is de traditionele Aztekendrank, gebrouwen van het gefermenteerde sap van de maguey-cactus. Deze heilige, alcoholische drank is alom verkrijgbaar in een van de pulquerías beneden in het dorp. 

Volgens de inheemse dorpsbewoners waart Tepoztecatl vandaag de dag nog altijd rond op deze berg en beschermt hij hen tegen kwade invloeden van buitenaf. Onder anderen ook tegen bemoeizieke politici en projectontwikkelaars, die van Tepoz een luxe resort pogen te maken, wat de opstandige dorpelingen tot nog toe hebben weten te verhinderen. Of tegen drugsgeweld, dat hier volkomen afwezig is. Maar de god is ook een grillige. Wanneer een stevige wind het stof doet opdwarrelen, verzuchten de dorpsbewoners: El Tepozteco está enojado- kwaad, dus 

In het weekend wordt het dorp overspoeld met dagjesmensen en rijke Mexicanen uit het nabijgelegen Mexico-Stad. Zij komen even de rust opzoeken in hun vakantievilla's aan de rand van het dorp. Lurkend aan micheladas, oftewel grote bekers bier met veel limoen en een dikke laag chilipoeder op de rand, lopen ze langs de marktkraampjes in de straatjes rond de kerk. De marktwaar varieert van het gebruikelijke aanbod taco's, tamales en quesadilla's tot allerhande esoterische snuisterijen als auraspray en magnetische stenen, holistische massages en andere alternatieve therapieën. 

Geomancia - la magia de la tierra, staat er op een uithangbord langs de drukke weg omhoog naar de piramide. Eronder zit een oude man. Met een stokje tekent hij cryptische figuren in de bak zand naast hem. Iets met 'de toekomst voorspellen', al wordt me niet helemaal duidelijk hoe het in zijn werk gaat. Wellicht is dat de Hollandse nuchterheid. 'Tepoztlán is een magische plek', aldus Mic Zacbé, die drie jaar geleden het leven in de hoofdstad verruilde voor dat in het bergdorp. 'Schrijvers schrijven hier hun beste boeken, kunstenaars maken hier hun mooiste werk. De energie verandert je ziel, geest en lichaam. Ook die van jou. Let maar op, je voelt het nu al.' 

De straatverkopers Alejandro en Hector, even verderop in de straat, vinden het spirituele gebeuren eigenlijk maar onzin. 'Veel mensen geloven erin', zegt Alejandro. 'Ik ken zelfs mensen die zeggen ufo's te hebben gezien.' Hij haalt zijn schouders op. 'Iedereen moet maar geloven wat hij wil. Ik vind Tepoz vooral een hele mooie en fijne plek om te wonen.' Hij pakt zijn gitaar, en begint te zingen, samen met Hector: All you need is love. 

Ondertussen spelen, in dorpscafé Buenos Tiempos, tegenover de kerk, twee Mexicanen een potje schaak; een Franse import-hippie checkt zijn mail. Af en toe loopt een straatverkoper binnen met een mand zoete broodjes, chocola of verse kruiden. Dan betreedt een groepje meisjes de zaak. Met hun donkere ogen en mystieke entourage zien ze eruit alsof ze zo uit de opera Carmen zijn weggelopen. Ze voegen zich bij de Fransoos en beginnen een gesprek in een mengelmoes van Frans, Engels en Spaans. Deze jongere immigranten van Tepoz wonen veelal in communes, in colonias net buiten het dorp, waar ze bijvoorbeeld veganistisch brood bakken of sieraden maken om in het dorp te verkopen. 

Een Mexicaanse dorpsbewoner leest de hand van een Zwitserse toerist. 'De handen zeggen veel over een persoon', zegt hij diepzinnig. Op het tafeltje staat een groene plastic zak vol met kippen. Het gezin luistert geboeid naar zijn verhalen, die doorspekt zijn met, alweer, de woorden geest en ziel. Dan staat hij abrupt op en verontschuldigt zich. 'Ik moet weer terug naar mijn winkel. Tot morgen!'

EETCULTUUR EN UITZICHT

De Tepoztekers zijn een traditioneel volk, ook bij het eten en drinken. De tortilla's worden hier op ambachtelijke wijze gebakken van zelf verbouwde maïs, de koffie bij Café Tepozteco komt van de eigen plantage, en zo verder. Ga ook vooral een pulque drinken bij een van de pulquerías. Behalve naturel zijn ze ook gegist met fruit of noten verkrijgbaar. De pulquerías zijn een belevenis op zichzelf. 

Wie graag weet wat hij eet en drinkt, boekt een TepozTaste tour bij de Nederlandse Anneke Kooijmans. In drie uur tijd leer je de Mexicaanse eetcultuur grondig kennen door een bezoek aan alle lekkere plekken van Tepoztlán. Ondertussen vertelt Kooijmans hoe tortilla's gemaakt worden, waarom tamales in een maïsblad gewikkeld worden en dat burrito's een Amerikaanse uitvinding zijn. Ook een bezoek aan de pulquería en mescalería staan op het programma. 

tepoztaste.com 

Tepoztlán is ongeveer een uur rijden van het zuiden van Mexico-Stad, in de deelstaat Morelos. Slapen doe je in een van de vele eenvoudige hospedajes in het dorp, of in een wat luxere posada of hotel net erbuiten. Zoals in Hotel Buena Vibra, waar je in de prachtige hoteltuin met uitzicht op de bergwand de dag kunt beginnen met een decadent ontbijt. Ook een 'holistische retreat' in de spa behoort tot de mogelijkheden. 

hotelbuenavibra.com 

De klim naar de piramide is een behoorlijke, maar het uitzicht op de vallei is zeer de moeite waard. In het weekend is het dringen op de smalle stenen trappen. Beter kun je een gids zoeken die je via de andere kant van de berg omhoog leidt.

VOORPROEFJE

Voor een preview van Tepoztlán kunt U naar de bioscoop, waar Post tenebras lux ('Na het donker komt licht') draait. De film van de Mexicaanse regisseur Carlos Reygadas speelt zich af in Tepoztlán, waar hij vijf jaar geleden een huis bouwde. Post tenebras lux portretteert een jong gezin na hun verhuizing van de hoofdstad naar het platteland, en is deels autobiografisch. Zo zien we onder andere het huis van Reygadas, waar hoofdpersonage Juan woont in de film. Reygadas' twee kinderen Rut en Eleazar spelen zichzelf, net als zijn honden.

 

 

 

Profiel: Cathelijne Broers

05-02-2013, Het Parool

Een doordouwer die niet stopt voor ze haar doel heeft bereikt. Maar ook een teamspeler, iemand met wie je kunt lachen. Dat is Cathelijne Broers (Bilthoven, 1968) in het kort, volgens de mensen om haar heen. 

Een week geleden verscheen een stralende Broers, directeur van de Hermitage en de Nieuwe Kerk, voor de camera's van de NOS, even na het nieuws van Beatrix' aftreden. Sinds 1814 worden alle koninklijke hoogtepunten gevierd in de Nieuwe Kerk, pal naast het Paleis op de Dam. Aan directeur Broers dus de taak de inhuldiging van Willem-Alexander te verzorgen. 

Dat lijkt Broers in het geheel niet van de wijs te brengen. "Het is al heel snel, maar het is nooit te kort dag," aldus Broers in het NOS Journaal. "Wij zijn niet voor een kleintje vervaard, dat zullen we regelen." 

Broers' interesse in de kunstwereld zat er al vroeg in. Na haar middelbareschooltijd aan het Amsterdams Lyceum vertrok ze voor een jaar naar Florence, waar ze kunstgeschiedenis en Italiaans studeerde. 

"Ze sprak binnen de kortste keren vloeiend Italiaans," zegt vriendin Hester Schölvinck. "En toen ik haar kwam opzoeken, wist ze over elk gebouw wel iets te vertellen." 

Broers en Schölvinck zijn al vriendinnen sinds de brugklas. Maar ze zijn ook collega's: Broers is sinds enkele jaren voorzitter van het bestuur van de Plantage Amsterdam, het samenwerkingsverband van de musea in de Plantagebuurt, waarvan Schölvinck projectleider is. 

Als het om samenwerken gaat, neemt Broers altijd het voortouw, volgens ingewijden. Een noodzaak in deze crisistijd, waarin de subsidiekraan voor musea steeds verder wordt dichtgedraaid. Schölvinck: "We moeten het met zijn allen doen, zegt Cathelijne dan. Dat wordt nu ook vanuit Den Haag gedicteerd, maar zij doet dat dus al jaren." 

Ook Axel Rüger, directeur van het Van Gogh Museum, werkte samen met Broers. "Met veel plezier," zegt hij. Vanwege de verbouwing van het Van Gogh logeert zijn collectie zeven maanden bij de Hermitage. Een verhuizing die nogal wat voeten in de aarde had - alsof ze gingen samenwonen, noemden de twee directeuren de operatie. "Ze is een professionele bestuurder, doelgericht, en heel sympathiek. Een prettige collega." 

Na haar studies kunstgeschiedenis en bedrijfskunde werkte Broers bij de Rijksdienst voor de Monumentenzorg, en als secretaris in de raad van bestuur van de NOS. In 2002 begon ze als adjunct-directeur onder Ernst Veen bij de Nieuwe Kerk en was ze betrokken bij de oprichting van de Hermitage, waar ze vanaf 2003 dezelfde functie vervulde. 

Frans van der Avert, tot 2011 hoofd communicatie van de Nieuwe Kerk en de Hermitage, trad op dezelfde dag in dienst als Broers. Hij noemt haar een harde werker die heel goed weet wat ze wil. "Ze is zich heel bewust van de erfenis van Ernst Veen, en geeft daar nu haar eigen invulling aan." 

Eind 2011 nam Broers de leiding over beide musea van Veen over. Hij staat ook wel bekend als cultureel ondernemer avant la lettre. Een fenomeen, noemt Broers hem. Veen transformeerde de Nieuwe Kerk dertig jaar geleden van godshuis naar cultureel centrum. Ook de Hermitage, de dependance van het museum in Sint-Petersburg, komt uit de koker van Veen. 

Daarbij kwam ze meteen voor een flinke uitdaging te staan: de verhuizing van de Van Goghcollectie naar de Hermitage. Alleen als de programmering flink werd omgegooid, kon de Hermitage de volle zeven maanden onderdak bieden aan het Van Gogh. Een complexe én kostbare operatie. De gemeente moest zes ton bijleggen, maar Broers kreeg het voor elkaar. 

"Als ze iets wil, trekt ze zich van niemand iets aan totdat ze het heeft. Ze is heel lief, maar ze is geen watje," zegt Schölvinck. 

Een medewerker die niet bij naam genoemd wil worden, kan dat beamen. Een doordouwer, noemt hij Broers. "Als het nodig is, gaat ze tot het gaatje." 

Na een succesvol eerste jaar als directeur - 250.000 meer bezoekers in de Hermitage dan in het jaar daarvoor - belooft 2013 bewogen te worden voor Broers. Praktisch zonder subsidie moet ze haar twee musea in tijden van crisis draaiende zien te houden. En met de heropening van het Stedelijk Museum, Rijksmuseum en het Van Gogh neemt ook de concurrentie flink toe. 

Kritiek was er ook: Broers kreeg aanvankelijk het verwijt niet zichtbaar genoeg te zijn als directeur van de twee musea. Van der Avert vindt die kritiek misplaatst: "Cathelijne is iemand die eerst de organisatie intern op orde brengt, voordat ze daarmee naar buiten gaat. Dat is juist heel verstandig." 

Maar 2013 is eveneens het 'jubeljaar' waarin Amsterdam het vierhonderdjarig bestaan van de grachten viert, het Rijks weer opengaat én Broers gastvrouw is van de nu al veelbesproken inhuldiging. 

Aan zichtbaarheid had Broers de afgelopen week in elk geval geen gebrek. Ze bracht het er goed van af in de spotlights die sinds het nieuws van de abdicatie op haar gericht staan. "Alsof ze een Oscar kreeg," typeerde een trotse medewerker haar optreden in het NOS Journaal. 

Broers blijft bescheiden. Hester Schölvinck: "Ze had haar moeder, die op de kinderen kwam passen, niet eens verteld dat ze in het Journaal zou komen. Dus toen haar kinderen de volgende dag op school kwamen, waren zij de enigen die haar niet hadden gezien. Dat is wel typisch voor Cathelijne." 

Heeft ze ook zwakke punten? Daar moet Schölvinck lang over nadenken. "Misschien gaat ze soms iets te snel voor de rest, hupsakee, door. Dat werkt ook in haar voordeel, want af en toe heb je gewoon iemand nodig die doorzet."

 
Gods marketingmensen slaan nieuwe wegen in

26-01-2013, Het Parool

Een meisje bij de ingang van bioscoop Kriterion deelt dropveters uit. "Niet opeten!" zegt ze. "Het wordt je straks wel duidelijk waar het voor bedoeld is." 

Het is zondagochtend elf uur, Driekoningen. Rond de vijftig jonge Amsterdammers hebben zich verzameld voor de dienst van de geloofsgemeenschap Stroom. Hoewel die afkomstig zijn uit de vrijgemaakt gereformeerde kerk, een zeer orthodoxe hoek, is de manier waarop Stroom het geloof belijdt tamelijk onorthodox. De leden zijn zoekende, naar 'nieuwe manieren om de vrijheid van Jezus te leven'.

De dienst trapt af met de Grote Kerstquiz: een stoomcursus kerstverhaal in negen meerkeuzevragen. Met instinkers. Bij elk goed antwoord mag je een knoop in je veter leggen, de winnaars (met ieder zes goede antwoorden) krijgen een overgeschoten kerstkrans.

Ook de preek van theoloog Reinier Sonneveld is voor dit deel van christelijk Nederland enigszins onalledaags te noemen. De dienst staat in het teken van 'geloof en wetenschap'. Gaan die twee wel samen? Ja en nee. "Doen alsof de wereld pas zesduizend jaar oud is, en in zes dagen is geschapen, dat is natuurlijk evidente flauwekul," zegt hij. Uit de zaal klinkt gelach. 

Maar het geloof kan de wetenschap ook versterken, aldus Sonneveld. Zo acht hij de kans op de hand van God in de ordening van de wereld groter dan de kans dat die alleen maar berust op toeval. 

Hipsterchristendom noemt theoloog Martijn Horsman (35) het ook wel op zijn blog. Sinds vier jaar is hij voorganger van Stroom. "Het bijzondere aan Stroom is de manier waarop we invulling geven aan het christendom," zegt hij na afloop van de dienst. "In onze geseculariseerde cultuur is er een voortdurende spanning tussen het oude christelijke verhaal en de moderne stadscultuur. Bij Stroom proberen we een verbinding te leggen tussen die twee." 

Dat is ook wel nodig. Een eeuw geleden noemden bijna zeven op de tien Amsterdammers zichzelf christen. Vandaag voelt ongeveer één op zeven zich verwant met het christendom; nog maar één op de drieëndertig Amsterdammers is ook met regelmaat in de kerkbanken te vinden. 

Vooral de katholieke kerk heeft het zwaar te verduren. Haar aanhang is met acht procent nog relatief groot in Amsterdam, maar katholieken zijn de minst trouwe kerkbezoekers: slechts zeven procent van hen gaat wekelijks naar de dienst. 

En dat is te weinig om alle kerken in de stad overeind te kunnen houden. Een aantal sloot reeds zijn deuren - ze vonden een bestemming als tentoonstellingsruimte, kantoor of zelfs als moskee. Die ontwikkeling is voorlopig nog niet ten einde. 

Zo viel eind vorig jaar het doek voor de Magdalenakapel in de Spaarndammerstraat. Kerk De Liefde aan de Da Costakade gaat in de loop van dit jaar ook dicht. Een derde, de Augustinuskerk, heeft nog een paar jaar uitstel gekregen. Er zijn te weinig kerkgangers om de drie kerken open te houden, aldus het bisdom Haarlem-Amsterdam. 

Het bisdom wil de komende jaren ook parochies samenvoegen om zo de gemeenten weer levensvatbaar te maken. "Verdrietig, maar iedereen is vrij om zijn eigen weg te gaan," zegt woordvoerder Wim Peeters over de leegloop in de katholieke kerk. "Als dat betekent dat de kerk verdwijnt, dan is dat zo. Het enige wat we kunnen doen, is verkondigen waar we voor staan." 

De protestantse kerken zit eveneens in de verdrukking. Hun aanhang onder de Amsterdammers is de afgelopen twintig jaar gehalveerd en schommelt nu rond de vijf procent. Maar in plaats van de leegloop lijdzaam te aanschouwen, besloten de leden - zoals de vrijgemaakte broeders en zusters - te kijken hoe ze de godverlaten Amsterdammers terug in de kerk konden lokken. 

Zo besloten de noodlijdende Stadshartkerk en de Amstelgemeente (ook uit de orthodoxe hoek) het roer om te gooien en over te gaan op een zogeheten herplanting. Onder andere door de diensten laagdrempeliger te maken, wisten ze mensen van buiten de kerk te trekken en weer een bloeiende gemeenschap op te bouwen. 

Daarbij stichtten ze nieuwe, experimentele dochterkerken in (bijna) alle delen van de stad. Het voordeel van zo'n nieuwe gemeente is dat je niet vastzit aan voorschriften en vastgeroeste tradities. De laatste tien jaar zijn er rond de tien van zulke wijkkerken bijgekomen - kleine gemeenschappen van vijftig tot driehonderd leden. 

De nieuwe stadskerken richten zich op specifieke doelgroepen - jonge, hoogopgeleide stedelingen, of juist wijkbewoners met uiteenlopende culturele achtergronden - en spelen daar handig op in. Zo organiseert het multiculturele Oase in Nieuw-West elke zondag een gratis buurtlunch, waar ook halal eten wordt geserveerd. Stroom, dochter van de Oosterparkkerk, koos ervoor de diensten te houden in een bioscoopzaal, om zo de drempel voor nieuwe gelovigen te verlagen. 

Ook het kerkenverband van de progressievere Protestantse Kerk Amsterdam (PKA) experimenteert met nieuwe vormen. De nadruk ligt op veelal op het vinden van zingeving en spiritualiteit - ofwel het 'ietsisme' dat nu in opkomst is onder de geseculariseerde stedelingen. Deze 'pioniersplekken' in West, Oost en Zuid hebben namen als Licht & Zinnig, Zingeving Zuidas en Heilig Vuur West. Een beetje misleidend is dat wel, want uiteindelijk blijken deze initiatieven toch vooral bedoeld om de Bijbelse boodschap aan de man te brengen. 

Daarbij opende een netwerk van Amsterdamse pastors begin dit jaar het Loket Levensvragen, waar eenieder die daar behoefte aan heeft, antwoord kan krijgen op prangende vragen over leven, dood, de liefde - wat dan ook. Ook rituelen als een trouwerij en een uitvaart zijn hier los verkrijgbaar, voor vijfhonderd euro. 

Het loket is bedoeld voor mensen die geen lid van de kerk zijn of willen worden, aldus pastor Arjette Kuipers. "Dit is iets wat we graag willen doen voor de mensen in de stad. Alle mensen hebben wel eens levensvragen. We hebben een groot netwerk van pastors, die goede gesprekken kunnen voeren." 

Zonder die mensen meteen te willen bekeren, benadrukt Kuipers. "Het loket is losgekoppeld van de kerk. Wie wil, kan vrijblijvend gebruikmaken van onze diensten. De eerste keer is dat gratis, de tweede keer vragen we om een gift." 

Het gaat overigens om een virtueel loket, met een website en een facebookpagina. Het initiatief wordt betaald uit het Durffonds van de PKA, een potje voor vernieuwende projecten binnen de kerk. 

Niet iedereen is even blij met deze vernieuwingsdrift. Zo luidde de aanvraag van Stroom tot aansluiting bij het kerkverband van de Gereformeerde Kerken vrijgemaakt (GKv) tot een golf van protest onder GKv-leden die Stroom niet vrijgemaakt-gereformeerd genoeg vonden. Bijvoorbeeld omdat Stroom wel vrouwen in de leiding toestaat. Uiteindelijk besloot Stroom de aanvraag in te trekken. 

Jammer, vindt Horsman. "Uiteindelijk zijn we wel christenen. En daarom willen we graag verbonden zijn." 

Gewenst of niet, Stroom lijkt er wel in te slagen zowel afvallige als nieuwe gelovigen voor het geloof te interesseren. "We hebben de seculiere cultuur omarmd en gekeken hoe we nu verder moeten," zegt Horsman. "Ongeveer de helft van alle christenen die naar Amsterdam verhuizen, breekt met de kerk. Wij bieden een alternatief."

 

Minder christenen, meer moslims

Zo'n vijfendertig procent van de Amsterdammers zegt zich verwant te voelen met een godsdienst of een andere levensbeschouwelijke stroming, volgens cijfers van het gemeentelijke onderzoeksbureau O+S. 

Met ongeveer één op de vijf gelovigen zijn de autochtone Amsterdammers het verst verwijderd van de kerk. Onder de Amsterdammers met een Turkse of Marokkaanse achtergrond is het omgekeerde het geval: onder hen is het aandeel gelovigen tachtig à negentig procent. 

De aanhang van de christelijke religies neemt al sinds de jaren zestig af. De islam daarentegen is sinds de jaren zeventig bezig aan een gestage opmars. Tussen 2008 en 2010 waren er ongeveer evenveel christenen als moslims in Amsterdam, rond de dertien procent. In 2000 was dit nog respectievelijk zeventien en tien procent. 

Verwantschap met een geloof is iets anders dan het geloof werkelijk praktiseren. Vooral de katholieken blijken slechts incidentele kerkgangers te zijn: zeven procent gaat wekelijks naar de dienst. Protestanten zijn iets trouwer in hun kerkbezoek. Van de moslims gaat zo'n veertig procent wekelijks naar de moskee. 

Daaronder scharen zich steeds meer jonge moslims, signaleerde het Sociaal en Cultureel Planbureau vorig jaar. 42 procent van de Amsterdammers van Turkse of Marokkaanse afkomst tussen 18 en 29 jaar gaat één keer of vaker per week naar de moskee. In 1998 was dat nog 28 procent. 

Het is onduidelijk waarom in een tijd van voortgaande ontkerkelijking deze jonge moslims juist vaker de moskee bezoeken dan voorheen. Aan de andere kant is het aantal moslims dat nooit naar de moskee gaat, ook toegenomen.

Foto Marc Driessen

Politie heeft handen vol aan 'rustig' nieuwjaar'

02-01-2013, Het Parool

“Zag je wat er gebeurde?” Henk-Jan Kerkhoff, één van de platte petten vanavond op het Leidseplein, is nog steeds in alle staten. “Die Fransoos probeerde een kapot glas in mijn nek te steken.” 

Nieuwjaarsnacht, een uur of drie. De massa door drank en drugs benevelde feestgangers op en rond het Leidseplein begint er genoeg van te krijgen. Van de striemende regen, de overvolle kroegen, maar vooral van elkaar. Hier en daar sussen de overal aanwezige agenten kleine opstootjes: ruzies over een verkeerde aanraking in de kroeg, tussen geliefden- over al wat menselijk is eigenlijk. 

Dan rent een groep ME’ers voorbij: vechtpartij in café De Waard. De politie haalt de Franse vechtersbazen uit het café en wil ze wegsturen. Kerkhoff geeft eentje een ferme duw en roept dat hij nu echt moet wegwezen.  Diens vriend, waas voor de ogen, staat klaar met het glas. “Hij, met die rode trui!” roept de portier. Het inmiddels gearriveerde team ME’ers grijpt in en slaat hem in de boeien. Ook zijn twee maten mogen mee naar het bureau. 

“We probeerden alleen maar te bemiddelen,” zegt Kerkhoff. Tevergeefs. “Ze zijn onder invloed van weet ik wat. Maar hier komt hij niet mee weg. Dit is een poging tot doodslag.” 

Agent Kerkhoff is niet de enige die (bijna) klappen krijgt deze jaarwisseling. Bij een vechtpartij in de Jimmy Woo krijgt collega Marvin een stomp in zijn gezicht. “Niet hard, maar dan ben je wel van mij,” zegt hij even later bij het Mok (mobiel onderkomen, de witte politiepost op het Leidseplein). Marvin taait af, hij gaat ‘tikken’-  oftewel een proces-verbaal opstellen voor het agressieve baasje. Weer een ander blijkt even later een vinger te hebben gebroken bij de aanhouding van een tegenstribbelende verdachte. 

Toch valt het aantal geweldsincidenten gericht tegen de politie mee dit jaar: dat zijn er drie, aldus de politie. Wel krijgen de agenten flink wat verbale agressie te verwerken. Vooral Marokkaanse agenten worden onophoudelijk gesard door types van dezelfde afkomst. “Ik verdien meer geld dan jij en ik werk er niet voor,” roept een van hen bij een opstootje voor de McDonalds. De agent laat het over zich heen komen. 

Maar ook ‘gewone’ scheldpartijen laten de agenten aan zich voorbij gaan. Niet de moeite waard. Een man die beweert door vijf man in elkaar geslagen te zijn krijgt het advies zijn roes te gaan uitslapen en dan aangifte te doen. Dat valt niet in goede aarde bij het slachtoffer, die er overigens opvallend ongeschonden uitziet. Hij gaat steeds dichter op de agent staan en vertelt hem dat hij daar toch zeker politie voor is.  Uiteindelijk weet de agent hem te overtuigen de aftocht te blazen. 

‘Een drukke weekendnacht-plus,’ noemt algemeen commandant Olivier Dutilh de oudejaarsnacht. We zijn in de commandokamer, het zenuwcentrum van waaruit een man of twintig zich bezighoudt met het in goede banen leiden van één van de drukste nachten van het jaar. Hij oogt ontspannen- tot nog toe hebben zich weinig incidenten voorgedaan. En ze zijn goed voorbereid, aldus Dutilh. 

“Bij geweld tegen agenten wordt altijd opgetreden,” zegt hij. “Dat is absoluut uit den boze.” Voor de ‘gewone’ relschoppers geldt een lik-op-stukbeleid. “De kans is groot dat als je vannacht rottigheid uithaalt, je morgenmiddag puin staat te ruimen.” 

Op een van de grote schermen zien we hoe het Oosterdok langzaam volstroomt met mensen die straks om middernacht de vuurwerkshow gaan bekijken. Op het scherm daarnaast verschijnen doorlopend updates over de situatie in de stad. ‘Buitengewoon rustig overal,’ staat daar om elf uur te lezen. Een reeks kleinere schermen tonen beelden van de rest van de stad, zoals Floradorp, waar zojuist de enorme stapel kerstbomen in de hens is gegaan. 

Even na middernacht zijn we terug op het Leidseplein. Een dronken Brit staat met bebloede neus voor de Satellite Sportsbar. Zijn witte t-shirt is besmeurd met rode vuurwerkprut. Hij rilt. Hij is eruit gegooid door de portier, die weigert hem nog binnen te laten. Een agent doet verwoede pogingen zijn jas te vinden. Tevergeefs. De Brit blijft reddeloos achter, tegen niemand in het bijzonder klagend dat het not fair is. 

Dan dient een meisje zich aan. Beroofd. Snel wordt het signalement van de dader doorgegeven. Zilverkleurig bomberjack, kleine man. Ze is bepaald niet de enige; bij het Mok en de balie van bureau Lijnbaansgracht is het een komen en gaan van mensen die tassen, portemonnees en I-phones kwijt zijn. ‘Gelegenheidsroven’ noemt commandant Vincent Verheij het. Er valt met deze drukte weinig aan te doen, de meesten wordt gevraagd de volgende dag aangifte te komen doen. 

Op een avond als deze zijn op het Leidseplein ongeveer twee keer zoveel agenten en ME'ers als normaal. 

Vanaf twee uur rennen ze van de ene naar de andere melding. Opstootje voor de McDonalds. Ruzietje voor de Burger King. Terug naar een vechtpartij in de Leidsestraat. “Hij heeft een vuurwapen,” roept iemand. Een kluwen ME werpt zich op de twee vechtersbazen en zet ze tegen de muur. De ene bloedt uit zijn oog, de ander beweert te zijn aangevallen door een groep van zes mannen. Die zijn nergens te bekennen. Ze mogen allebei gaan. 

Volgende melding: ruzie in de Heineken Hoek. De portier zet een jongen eruit, die van de weeromstuit een raam kapot te gooit met zijn glas. De jongen weet te ontkomen, zijn vriendin wordt staande gehouden. “Hij werd aangevallen door zes Albanezen” schreeuwt ze herhaaldelijk.  Getuigen kunnen het verhaal niet bevestigen. Er wordt besloten om het maar te laten zitten. 

Na vieren, wanneer de kroegen leegstromen, neemt ook de drukte voor de politie af. In groepjes kijken ze toe hoe de laveloze feestvierders huiswaarts gaan. 

Opstootjes, vechtpartijen, af en toe een klap. “Het hoort bij dit werk,” zegt Kerkhoff. Wat niet wil zeggen dat het niets voorstelt. Het kan in een split-second misgaan, zo’n avond.”

 

Kader: Oud en Nieuw rustig verlopen in Amsterdam

Oud en Nieuw is dit jaar relatief rustig verlopen in Amsterdam. De politie in Amsterdam verrichtte na middernacht 107 aanhoudingen, voor mishandeling, openlijke geweldpleging en vernieling. Vorig jaar waren dat er 180. Ook de brandweer had het minder druk dan vorig jaar: zij rukten 270 keer uit, tegenover 298 in 2012. De ambulance kwam 190 keer in actie, veelal om dronken mensen bij te staan. 

Ook het aantal gevallen van geweld tegen hulpverleners was dit jaar relatief laag. De politie sprak van drie geweldsincidenten. De brandweer is tijdens oudejaarsnacht bestookt met vuurwerk tijdens het blussen van een containerbrand in Noord, maar noemt verder geen incidenten. Ambulancemedewerkers kregen niet met geweld te maken. 

Vermoedelijk ligt de daling van het aantal incidenten aan het slechte weer. 

 

 

 

 

 

 

 
De tijd van de Aussies is voorbij

17-12-2012, Het Parool

“Gabber ben je voor het leven, niet voor even,” zegt Anton (42). Zijn wangen zijn ingevallen, op zijn kale hoofd prijkt een petje met de tekst ‘hardcore.’  Zijn vriendin Bianca (49) heeft een soortgelijke boodschap. Ze draait zich om en trekt haar top omhoog. Slave to the rave staat daar afgebeeld, even boven haar stuitbeen. 

De twee (‘we zijn als broer en zus’) gaan sinds een jaar of acht samen alle hardcorefeestjes af. Vanavond zijn ze op het uitverkochte Thunderdome in de RAI. De allerlaatste, want organisator ID&T stopt na twintig jaar met het legendarische dance-evenement. “We willen met een grote klap op het hoogtepunt stoppen,” zei organisator Gerard Zwijnenburg voorafgaand aan het feest. ID&T zal zich nu meer toeleggen op concepten als Sensation en Mysteryland, waar nog wel groei inzit. 

Jammer, maar het was toch al niet meer zoals vroeger, aldus Anton. “De feesten waren kleiner, anders. Er was nog saamhorigheid, nu staat iedereen in groepjes. Ik denk niet dat dit de beste editie ooit wordt.” Niet dat ze dat weerhoudt om er een memorabel afscheid van te maken. “We gaan helemaal los,” zegt Anton. Bianca valt haar gabber bij. “Dat is al veel te lang geleden, hè Anton!” en klapt in haar handen. “Bring it on!” 

Maar van vergane glorie is niets te merken bij deze Thunderdome-finale. Velen van de veertigduizend  bezoekers gaan al ‘hakkend’ de RAI binnen, als koeien die na een winter op stal weer de wei in mogen. Al beheerst niet iedereen het enigszins spastisch aandoende danspasje. Het is elf uur, de meeste feestvierders zijn er vroeg bij.  Al snel staan de enorme hallen van de RAI vol met dansende, springende en trippende hardcoreliefhebbers. 

De feestgangers zien eruit als, nou ja, gabbers dus . Alsof ze zo uit een clip van Technohead zijn weggelopen, de happy hardcore hit uit de jaren negentig. Op de kale koppen een petje of een gekleurd John Lennonbrilletje, al dan niet losjes in de nek gedragen. De onvermijdelijke trainingsjasjes worden direct uitgetrokken en om de heupen geknoopt. Wat rest is een ontbloot torso, hooguit versierd met een schakelketting of dogtag en bij de echte fanatiekelingen een tatoeage van het Thunderdome-logo: The Wizard. 

De vrouwen, die hier in de minderheid zijn, houden het bij dezelfde Aussie en een sportbeha, met hun haren in een strakke staart, eventueel verdeeld in gepommadeerde vlechtjes. Een enkeling heeft de helft weggeschoren. 

Opvallend veel bezoekers komen uit het buitenland, waar de Thunderdomefeesten ook al jaren een fenomeen zijn. Zoals de Deense hardcoreproducer Daniël (27). Hij vindt het Nederlandse dancefeest gemoedelijk. “Iedereen is hier vrienden met iedereen.” Dat het de laatste keer is, dat wil er bij hem niet in. “Ik denk dat ze het concept verkopen aan een andere organisatie. Hardcore will never die.” 

Thunderdome-veteranen Derk (38) en ‘zeg maar Johan’ (45) uit Almelo raven al sinds hun jonge jaren. “Wij hebben alle feesten wel gezien,” zegt Derk, die in het dagelijks leven tatoeëerder is. “In 1994 kreeg je nog een ontbijtje aan het einde van het feest.” Mooie tijden. Nostalgie? “Ach, voor hetzelfde geld ga ik straks naar buiten en denk ik, wat een teringherrie. Dus dat is achteraf gelul.”

Aan ‘hakken’ doen de twee niet. “Ik heb mijn eigen pasje,” zegt Johan. Ook de Aussies zijn in de kast blijven liggen, die tijden zijn voorbij.  Maar ook  Johan weigert te geloven dat dit de laatste keer zal zijn. “Er komt vast een riejoenjon.” 

 

Foto Eddy Bosland

 
'Daarna hebben ze er gepoept'

09-11-2012, Het Parool

Hebe Kohlbrugge (98) en Ruth Wallage-Binheim (87) zitten in een hoekje van de kamer voor de open haard. Tussen hen in staat een klein tafeltje met daarop twee glaasjes likeur. Af en toe staat Hebe op om nog een blok op het vuur te gooien, onder protest van Ruth. “Hebe! Zou je dat nou wel doen?” Daar trekt Hebe zich niets van aan. “Die laat zich niets uit handen nemen,” zegt Ruth. Ze pakt de hand van haar vriendin, en laat die niet meer los. 

Ruth en Hebe ontmoetten elkaar vele jaren geleden in de synagoge in Utrecht. Ze bleken allebei in het vrouwenkamp Ravensbrück te hebben gezeten. “Dan ga je praten,” zegt Hebe. “Als je allebei in een kamp bent geweest, dan is er een verstandhouding. Er zijn niet zoveel mensen die dat hebben meegemaakt en nog leven.”

De Utrechtse Hebe stak in 1936 de grens naar Duitsland over om het opkomende nationaalsocialisme van dichtbij te bestuderen. Ze raakte betrokken bij de protestantse verzetsbeweging. Tot 1944, toen de Gestapo haar vervalste persoonsbewijs doorzag, en ze de rest van de oorlog in een strafkamp moest doorbrengen. “Ze heeft Amerikaanse vliegeniers naar Zwitserland gesmokkeld,” vertelt Ruth, met onverholen trots.

“Na de oorlog heeft ze allemaal Amerikaanse onderscheidingen gekregen,” zegt Ruth over haar vriendin. “Zij is echt een belangrijk  mens, ik niet. Ik ben maar een slachtoffer van de Jodenvervolging. Als je haar naam intypt op Google dan krijg je zo’n verhaal.” Ter illustratie houdt ze haar handen een eind uit elkaar. “Zo interessant, en zo de moeite waard. En dat is mijn vriendinnetje geworden.” 

De Duitse Ruth groeide op in een joods gezin in Hannover, waar haar vader een manufacturenwinkel had. Dertien jaar oud was ze toen de verwoestende nacht plaatsvond, op 9 november in 1938. “Na de Kristallnacht hebben ze onze hele winkel vernield,” zegt Ruth. Wie goed luistert hoort nog steeds een heel licht Duits accent in haar stem. “Dat was voor mijn ouders het teken om ons drie kinderen- mijn twee jaar oudere broer, anderhalf jaar jongere zus en ik, op het laatste kindertransport naar Nederland te zetten. Het was de eerste keer dat ik mijn vader zag huilen. En we hebben elkaar nooit meer gezien.”

“Eigenlijk zouden we met het hele gezin naar Amerika emigreren,” zegt Ruth. Maar toen mijn ouders papieren aanvroegen om daarheen te kunnen,  was het al te laat. De wereld was niet meer zo happig om joden op te nemen”

“Mijn ouders zijn vermoord in Auschwitz. Mijn broer is vermoord in Mauthausen. En weet je waarom? Omdat ze in de verkeerde wieg lagen. Omdat ze joden waren. En dat wil er bij mij nog steeds niet in. De haat was zo groot tegen de joden. Niemand mocht blijven leven.”

Ook Ruth en haar zusje Hanna belandden in Auschwitz. Van de duizend vrouwen waarmee ze naar het concentratiekamp werden gedeporteerd, overleefden er zes. Hanna woont nu in Californië, Ruth in Bosch en Duin.  Beiden hebben twee kinderen en vier kleinkinderen. “Nu zijn wij de gelukkigste vrouwen van de wereld,” zegt Ruth. “Ik zeg wel eens, als je nooit diepte hebt gekend, weet je ook niet wat het is om in de hoogte te leven.”

Dit jaar herdenkt ze de Kristallnacht door een krans te leggen bij de Hollandsche Schouwburg, samen met twee van haar kleinkinderen. “Het is voor het eerst dat ze erbij betrokken zijn. Dat is voor mij de reden om dit nog te willen doen. Er zijn al zoveel mensen die mijn verhaal kennen, dat ik het niet meer hoef te vertellen. Het staat nu in boeken, op video’s, en ik heb op heel veel scholen gesproken. Het is wel goed zo.”

Wat betekent de Kristallnacht voor haar (klein)kinderen? “Ik geloof niet dat hun leven daardoor beïnvloed is. Hier in huis heb ik bewust nooit over het kamp gesproken. Mijn jongste zoon zei laatst: ‘Mam, wat heb ik een heerlijke jeugd gehad. En wat was je een geweldige moeder. Dat mag toch een keer gezegd worden,’ zei hij.”

“Ik begrijp ook niet dat mensen hun kinderen en kleinkinderen meenemen naar Auschwitz, alleen omdat zij daar zelf geweest zijn. Dat hoeft voor mij niet. Ik heb wel op de school van mijn kleinkinderen mijn levensverhaal verteld. Ik zeg dan tegen mezelf, als twee van die dertig kinderen daar later nog eens aan terugdenken, dan heb ik mijn plicht gedaan.”

Ook Hebe was ten tijde van de Kristallnacht in Duitsland. “Maar ik zat in een stadje waar bijna geen joden woonden. Daar gebeurde dus niets. De dominee, die alles op de radio had gehoord, rende direct naar de enige Jood in dat stadje. Maar die had ook niets gemerkt.”

“Hebe is geen Jodin,” verduidelijkt Ruth. 

Hebe: “Toen gingen we naar Berlijn, de dominee en ik. We liepen over de Kürfurstendamm, een schitterende straat met allerlei joodse winkels, met van die hele grote kristallen ruiten. Álles lag over de straat, één ravage, één puin van kristal. Verbijsterd zijn we door die straat gelopen. Maar je bent dan nog te dom om te beseffen wat er werkelijk aan de hand is. Je vind het vreselijk, maar je kunt niet verder denken dan dat.”

“Maar Hebe, jullie hebben daarvoor al toch ook die toespraken van Hitler op de radio gehoord? Dat de Joden uitgeroeid moesten worden, dat ze stonken?” vraagt Ruth. “Maar natuurlijk,” antwoordt die. Ruth: “Wat ik bedoel, is dat ik niet wil geloven dat mensen het niet geweten hebben. Als je luisterde naar Hitler, alleen al naar het geluid van dat gebral, dan moet je dat geweten hebben.” Hebe: “Ik was nog jong, in de twintig. Ik kon niet beseffen dat het op iets als Auschwitz zou uitlopen.”

Ruth: “Wij woonden op een hoek, boven de winkel. Tijdens de nacht was er nog niets gebeurd bij ons. De dag erna liepen Hanna en ik naar onze joodse school. Halverwege kwamen we voorbij een joodse winkel met daarop een groot hakenkruis getekend, daar schrokken we heel erg van. Toen liepen we voorbij de winkel van een tante. Zij zei, ‘jullie moeten gauw terug naar huis want de synagoge staat in brand.’ Die nacht was haar man opgepakt en naar Buchenwald gestuurd, vertelde ze.”

“We keerden om. Vlakbij onze winkel stonden een paar mannen. ‘Bij de Jood Binheim zijn we nog niet geweest,’ hoorde ik één van hen zeggen. Hij blies op een fluitje, en in een ommezien kwam er een overvalwagen met van die bruinhemden die allemaal een bijl in de hand hadden, en die sloegen onze zaak kapot. Daarna hebben ze er gepoept.”

“Hanna en ik konden nog net naar boven komen. We zagen dat de mensen buiten zich niet verroerden. Ik dacht wel, waarom helpt niemand? Daarna werd er aan de deur gebeld, en werd ons gesommeerd om de rotzooi op te ruimen. We gingen met bezems aan de gang. Er stonden allemaal mensen omheen, en daar waren ook vast wel klanten van mijn vader bij. Maar niemand die een hand uitstak.”

“Verlamming,” volgens Hebe. “In plaats van woedend te raken, versteende je.” Ruth is niet overtuigd. “Ongeïnteresseerdheid,” zegt ze. 

Waarom ze toch nog over haar verleden wil praten? “Om te vertellen waartoe haat kan leiden. Die gruwelijkheden die door de meerderheid van de mensen getolereerd zijn. Ik ken geen haat. Niet om wat er gebeurd is. Dat voel ik alleen voor de mensen die mijn ouders en mijn broer vermoord hebben. Maar ik wil niet generaliseren, want het is niet allemaal zo zwart-wit.”

Maar vergeten zal ze het nooit. “Wij hebben levenslang. Ik praat niet er niet graag over, maar ik denk er vaak aan. Het blijft een trauma, en daar kunnen we niet van bevrijd worden. Dat neem je mee in het graf.”

Kader: 

Tijdens de Kristallnacht, in de nacht van 9 op 10 november 1938 in nazi-Duitsland, werden honderden synagogen en duizenden winkels en huizen van Joden in brand gestoken en geplunderd. 92 Joden werden vermoord. De golf van geweld wordt beschouwd als het voorportaal van de massale vervolging en vernietiging van Joden in Europa die in de jaren daarna zou volgen. 

In 1992 organiseerde Nederland Bekent Kleur de eerste herdenking van de Kristallnacht, bij het monument van het Joodse verzet naast het stadhuis. Ze wilden daarmee aandacht vragen voor de toename van racisme en discriminatie in Europa. Sinds 2003 herdenkt ook het Centraal Joods Overleg (CJO) de gebeurtenissen van de beruchte nacht. 

De herdenking van het CJO vond in verband met de sabbat gisteren al plaats. Onder anderen Job Cohen en Ruth Wallage Binheim hebben gesproken bij de bijeenkomst in de Portugese synagoge. 

Vanavond is de tweede herdenking, georganiseerd door het Platform tegen Racisme bij het stadhuis in Amsterdam. De herdenking begint om half acht. Sprekers zijn onder anderen Hedy d’Ancona, Abdelkader Benali en Lalla Weiss. 

foto Jean-Pierre Jans

Swingen zoals oma

13-10-2012, PS van de Week

“Hij…zakt…af!” In de rij voor de toiletten staat een meisje verwoed aan haar petticoat te sjorren. Met haar wijd uitstaande roze-wit gestreepte jurk en kunstig gedraaide kuif lijkt Tessa (25) zo uit een aflevering van Happy Days te zijn weggelopen. Al zit het nu even tegen. Met verbeten rukken probeert ze het nylon gevaarte op de gewenste hoogte te krijgen. Dan  schuift ze resoluut de petticoat naar beneden. Ze trekt de band die de lagen stof bij elkaar houdt een beetje strakker en zegt: “En dan zal je zien dat ik hem zo dus niet meer omhoog krijg.” 

Het is zaterdagavond. Theaterhuis de Brakke Grond is deze avond het toneel van een heuse rock ’n roll dancing. Op de roodverlichte dansvloer zien de mannen eruit als hun opa’s in hun jonge jaren, met bretels en zorgvuldig gepoetste schoenen. De vrouwen wiegelen bevallig met hun polkadotjurken. Op het podium speelt een bigband met een stuk of tien blazers, een contrabas en een bekoorlijke zangeres. Als ware het de jaren vijftig, en dat is dan ook precies de bedoeling. 

Het danspubliek heeft zich verzameld voor Radio Modern, het fiftiesfeest van het Belgische agentschap Neo Retro. In België zijn de Radio Modern feesten al jaren een begrip. Maandelijks doft een duizendtal Belgen zich op voor een ouderwetse avond swingdansen op de hits van Jerry Lee Lewis, Ray Charles en Elvis Presley. Nu is het de beurt aan de Hollanders om de stramme ledematen los te gooien. In Amsterdam zijn de Vlamingen in ieder geval met open armen ontvangen: Het feest in de Brakke Grond is strak uitverkocht. 

Dat is niet zo gek: Ook wij dompelen ons maar al te graag onder in het warme bad van nostalgie. Zonder te zeiken dat het vroeger allemaal beter was, maar door die mooie tijden van weleer te reconstrueren en romantiseren onder de noemer retro of vintage. Niet alleen de jaren vijftig zijn geliefd, ook andere decennia zijn terug te zien in deze trend. Zoals de roaring twenties, decor van de populaire serie Boardwalk Empire. Of de jaren zestig, waarin de al even goed bekeken serie Mad Men zich afspeelde. 

Het retrovirus heeft ook Amsterdam in zijn greep. In alle negen straatjes zijn inmiddels vintagewinkels te vinden, met ‘authentieke’ kleding, tassen, meubels en wat al niet meer. Omdat echte vintage- dus de originele stukken uit de jaren ’20-’70, steeds schaarser wordt, verkopen veel winkels tevens ‘vintage-geïnspireerde’ kleding. Namaak, dus. Zaken die we in de jaren negentig nog afdankten als ouderwets en achterhaald- vinylplaten, analoge camera’s, zijn zo’n beetje even gewild als de nieuwste iPhone. 

Maar ook een beetje café of kapsalon is tegenwoordig niet meer af zonder een weldoordachte retrotouch. Zoals Bar Oldenhof, een jazz bar aan de Elandsgracht waar je diep weggezakt in een fluwelen armstoel een klassieke cocktail geserveerd krijgt door een al even zo galante en goed geklede barkeeper. Een sigaartje erbij roken mag ook. In dezelfde Jordaan huist sinds kort de vintage-stijl scheersalon Barber, waar mannen plaats kunnen nemen voor een scheerbeurt met Vergulde Hand en opa’s scheermes. Kost een paar tientjes, maar dan heb je wel die retrobeleving van ‘mannen onder elkaar.’ Er is zelfs whisky. 

Wat maakt terugkijken zo leuk? Ben Mouling, initiatiefnemer van de Radio Modern-avonden noemt zijn feesten een reactie op het inwisselbare moderne uitgaansleven. Van ‘bloedloze technofeestjes’ moet hij niets hebben. “Daar staat iedereen maar met gedrogeerde ogen te kijken.” We moeten weer uitgaan zoals onze opa’s en oma’s dat vroeger deden, aldus Mouling. Waarin we ons ‘mooi opkleden’ en de vrouwen veroverd worden door galante mannen. Want dat is een beetje verdwenen, denkt Mouling. “Veel mensen spelen dat veroverspelletje juist graag. En wie vindt het nu niet leuk om een mooie broek of jurk aan te trekken?”

Daarbij is rock ’n roll en andere swingmuziek tijdloos, zegt Mouling. “Over twintig jaar hebben we het echt niet meer over Lady Gaga, maar wel over Sinatra. Deze muziek heeft een bepaalde beat waarop iedereen kan bewegen, en maakt dat je gaat dansen. Iedereen hier loopt met een glimlach rond- ga maar checken!”

Het Radio Modern feest trapt af met een spoedcursus lindyhop van de Amsterdamse dansschool Lindyspirit. Deze Amerikaanse swingdans, ontstaan in de jaren twintig, is een steeds populairdere dansstijl aan het worden in Nederland. Ook in Amsterdam is het aantal lindyhopcursussen sterk gegroeid de laatste paar jaar. 

“En quick quick slow,” zeggen instructeurs Quinten en Sarah terwijl ze de basispassen voordoen op het podium. Door de jongere debutanten wordt in het begin nog wat onwennig gegiecheld, wanneer ze herhaaldelijk op de tenen van hun partner gaan staan. Lang duurt die schroom niet, en kort daarna worden de al eerste rondjes gedraaid. 

Het publiek is van alle leeftijden. Van fiftiesfetishisten tot fanatieke dansers en van enigszins stoffige types tot jonge hipsters. Dansen doet iedereen, op zijn eigen onbeholpen of juist ervaren manier. Change partners, klinkt het om de zoveel tijd. De ouwe bokken, die dit vaker gedaan hebben, geven hun jonge concurrenten het nakijken door het vrouwvolk rond hun as te laten tollen en in de meest onmogelijke hoeken te gooien. 

Terug naar Tessa. Ook zonder afzakkende petticoat is zo’n fiftiesoutfit nog een hele organisatie, zo blijkt. Ze demonstreert haar pettipants: een soort van zalmroze boxershort met ruches. “Zodat niemand je billen ziet wanneer je ronddraait.” Haar vintagejurk liet ze op maat maken door een Turkse kleermaker. De resterende stof heeft ze in een strik om haar hoofd geknoopt. De kuif? “Geleerd van een filmpje op YouTube.” 

Dan komen haar drie vriendinnen binnen, allen met zweet op het voorhoofd. De vier zijn lid van de rock ’n roll-vereniging Gel, waar ze wekelijks les krijgen in deze dans. Ze zitten erop, kortom.  Wat maakt rock ’n roll zo leuk? “Ik word er gewoon heel erg blij van. Als ik na een avond dansen naar bed ga, dan kan ik niet stil liggen.” Rock en rollen doe je voor je plezier, aldus Tessa, die in het normale leven studeert en toeristen rondleidt door Amsterdam. “Het gaat niet om het showen, zoals bij salsa. En daarbij, als je het naar je zin hebt, dan ziet het er vanzelf leuk uit.” 

Eigenlijk vindt ze de hele fiftieshype maar niets. “Wij dansen niet omdat het mode is. Op onze vereniging zitten mensen die dit al tientallen jaren doen.” De hele entourage ziet ze meer als een extraatje. “Je mag er helemaal voor gaan, dat is leuk. Maar het hoeft niet.”

Voor Susie en Linda (beiden 28) is die entourage juist de raison d’être van deze retroavond. “Alleen de voorpret al maakt het zo leuk,” zegt radiojournaliste Susie. Als ware bakvissen hebben de vriendinnen samen jurken uitgezocht, zich opgetut en danspasjes geoefend voor de spiegel. Ook hier diende YouTube als dankbare bron voor vintage-inspiratie. 

Susie liet zelfs speciaal voor dit feest haar blonde haren in de krul zetten bij de kapper. “Ja dit krijg ik zelf niet voor elkaar hoor.” Aan elk detail is gedacht. Een lichtroze jurk waarmee verleidelijk gezwierd kan worden, een bijpassend minuscuul tasje, felrood gestifte lippen en een ferme streep eyeliner. 

“Het is leuk om weer moeite te doen om er mooi uit te zien,” zegt Susie. “Lekker optutten, alsof je weer zestien bent.” En de muziek? “Oh ja, nu je het zegt, die is ook heel leuk natuurlijk.” 

Terug naar de danszaal. Swingband ZooT heeft zijn laatste toegift gegeven, waarna het de beurt is aan de Radio Modern huisdj’s. De dansvloer staat inmiddels bomvol. Stilstaan is er niet bij, ook niet voor de verslaggever. Een uitgestoken hand volstaat om iemand ten dans te vragen. “Niet zo onzeker, niemand kijkt naar je. Gebruik je heupen!” zegt de Rotterdamse Lamri (28). Hij demonstreert de charleston, en doet ingewikkelde dingen met zijn knieën. Geleerd van, hoe kan het ook anders, YouTube. Nog een wijsheid van Lamri: “Alle meisjes houden van draaien.”

Dan klinkt Etta James’ I just wanna make love to you, ook wel bekend van de Coca Cola Light-break van weleer. Een goed excuus om het meisje waarmee je net nog zo wild hebt gedanst, nu dicht tegen je aan te trekken voor een onvervalste slow. Kom daar maar eens om op een technofeest.

Retro Stijlgids (zonder pretentie om compleet te zijn)

Dans: 

Lindyhop, Charleston en andere jaren ’20 en ’30 swingdansstijlen leer je bij de dansscholen Swingstreet en Lindyspirit, met lessen in Oost en West. Lindyspirit organiseert ook crashcourses en een maandelijkse Lindy Playground, waar je je pasgeleerde pasjes kunt oefenen samen met andere beginnende Lindyhoppers. De eerstvolgende is morgenmiddag van 15 tot 18 uur. 

Jive en Rock ’n Roll, de populaire dansstijlen uit de jaren ’50 leer je bij één van de Rock ’n Roll verenigingen in Amsterdam: Jive55, Gel en Cruise Inn. Deze laatste heeft ook een eigen café op de Zuiderzeeweg, waar naast de lessen ook feesten gegeven worden. 

Uitgaan:

Het Vlaamse retrodansfeest Radio Modern komt weer terug naar de Brakke Grond, en wel in de lente van het komend jaar. Wie niet zolang wil wachten kan naar één van hun feesten elders te lande. 

In Pacific Parc kunnen de heupen elke week losgegooid worden op de rock ’n roll van DJ’s en soms ook een band.  Van donderdag tot en met zaterdag 

Met enige regelmaat zijn er ook Burlesque feesten, een stijl  uit jaren ’40 en 50. De eerstvolgende  Burlesque Freakout is 10 november in Club 8. 

Meer zin in een goed glas whisky in een rokerig, slecht verlicht jazzcafé? Bar Oldenhof aan de Elandsgracht, geheel in de stijl van de roaring twenties, heeft het allemaal. Plus cocktails en sigaren. 

Kleding & opsmuk:

Voor je retro-outfit ga je naar een van de talloze vintagewinkels in de stad, of naar de Noordermarkt op maandag, het Waterlooplein en de maandelijkse vlooienmarkt in de IJ-Hallen. 

I love Vintage heeft zich gespecialiseerd in retrojurken, schoenen, tassen en petticoats. Voor elke periode van 20’s tot 60’s is een apart kledingrek. Er zijn zowel originele stukken als nieuwe ‘vintage’ kleding. 

Voor mannen is het iets lastiger om een strak retropak te vinden, maar je maakt een goede kans bij Laura Dols en Bij Ons Vintage. Bij deze laatste vind je ook retromeubels en –gadgets. 

Bij de retro-totaalbeleving hoort ook een antieke bril. Hiervoor ga je naar het Brillenwinkel van het Brilmuseum, waar je je een origineel exemplaar uit een tijdperk naar keuze laat aanmeten. 

Haar: 

Terug van weggeweest: De barbier, waar mannen terecht kunnen voor hun wekelijkse scheerbeurt- met ouderwets mes, dat spreekt voor zich, koffie, whisky en een goed gesprek. Verboden gebied voor vrouwen. Neem plaats in een vintagezetel bij scheersalon Barber in de Jordaan, of ga naar een écht authentieke barbier: De 77-jarige Figaro Pasquale met een salon nabij het Spui. 

Voor de vrouwen (en ook mannen) is er de pas geopende Hairsalon Parlour, waar je je in een fiftiesinterieur een dito kapsel kunt laten aanmeten.  

Foto Daniël Cohen

De duurste wandelstok van Amsterdam

04-10-2012, Het Parool

Een parasol voor de dames, voor de heren een hoed, paraplu of een wandelstok. In de negentiende en begin twintigste eeuw waagde de gegoede burgerij zich niet zonder deze hulpstukken de straat op. De wandelstok was een waar statussymbool, ook voor jongemannen die nog prima ter been waren. Een prettige bijkomstigheid was dat de stok tevens fungeerde als afweersysteem voor opdringerige honden of overvallers.

Flaneerstokken kon je deze stokken beter noemen. Sommige waren niet eens bedoeld als ondersteuning bij het lopen, ze dienden gedragen te worden. Maar vanaf de jaren dertig verdwenen deze sierstokken geleidelijk uit het straatbeeld en werden wandelstokken weer gebruikt waarvoor ze oorspronkelijk bedoeld waren: om mee te lopen. 

Maar de flaneerstok is bezig aan een gestage comeback. De laatste jaren dook hij vaker op in Amerikaanse films en series, met als bekendste voorbeeld Gregory House, de nurkse doch geniale dokter in de gelijknamige serie. De wandelstokken die hem overeind hielden in de serie verwierven een heuse cultstatus. Ook George Clooney en Brad Pitt verschenen ten tonele met een stok in de hand. 

Zo'n vaart loopt het in Amsterdam nog niet. De stok wordt toch vooral gebruikt om, nou ja, te lopen dus. Maar hoewel het even zoeken is, zijn ook in Amsterdam mooie exemplaren te vinden. Zoals bij hoedenspecialist English Hatter, die naast hoofddeksels ook een aardige collectie wandelstokken verkoopt. De stokken hebben een hoog 'British gentleman'-gehalte: robuuste houten stokken, verchroomde knoppen en messing 'Derby' handgrepen. Ook stokken met de houten kop van Sherlock Holmes zijn verkrijgbaar, voor 99,95 euro. 

Maar wie echt goed voor de dag wil komen, koopt een antieke stok. Want de veelal fabrieksstokken van nu vallen in het niet bij de handgemaakte exemplaren van één of twee eeuwen geleden. De meest curieuze exemplaren vind je bij Antique Canes Amsterdam in de Jordaan. De Colombiaan Eduardo Tovar Estrada is Nederlands enige specialist in antieke wandelstokken. Al spreekt hij liever van flaneerstokken. Ze zijn er om mee gezien te worden. Sterker, sommige kunnen louter gedragen worden. Ze zijn te fragiel om op te leunen. "Vroeger waren wandelstokken een soort juwelen," zegt Estrada. "Mannen gebruikten een stok om daarmee hun status te laten zien. Ze hadden er minstens drie, twee voor overdag en één voor gelegenheden, zoals de opera." 

Hij haalt een koloniale stok tevoorschijn, gemaakt van de hoorn van een antilope, met een ivoren knop. En zo zijn er nog meer spannende materialen. Hertengewei, schildpad en potvisivoor. Daarbij zit in veel van de stokken een ingebouwde gadget verstopt. Zoals bij een stok, waarin een achttiende-eeuws zwaard blijkt te zitten. Kapiteins gebruikten deze vroeger. "Jammer genoeg zijn ze verboden op straat," zegt hij. Hetzelfde geldt voor het exemplaar met een pistool als handgreep. Leuk is ook de stok die tevens als fluitinstrument dient, met in de knop een snuifdoos voor tabak. 

Tovar Estrada verkoopt zijn stokken vooral aan zakenmannen. Goedkoop zijn ze dan ook niet. Zo moet er voor de stok met pistool 1000 euro neergelegd worden. De koloniale wandelstok kost 600 euro. Zijn meest unieke exemplaar is een Russische stok uit 1880. De handgreep is geëmailleerd. Monnikenwerk. Kosten: 2400 euro. "Dat valt nog mee," zegt Estrada. "In 1880 kostte een stok als deze evenveel als een paard."

Zo kan het ook

Aan de wandelstokken van gezondheidswinkel Vos en Zoons geen polonaise. Wel praktische slimmigheidjes als anatomisch gevormde handvatten ('om de druk op de handpalm te verlagen') en een opklapbare zadelzitting, om even uit te rusten tijdens de tocht. Deze stok met zitje, genaamd Flipstick, gaat weg voor 42,90 euro. Voor de reiziger is er een opvouwbaar exemplaar à 19,95. Lichtgewicht. En hij past in de handtas. De simpelste houten wandelstok kost hier slechts 11,95 euro. Met klassiek gewelfde Derby handgreep, en rubberen slipdop. 

De wat chiquere wandelstokken van English Hatter beginnen bij 39,95 euro. Hier zijn zowel de decoratieve stokken als wandelstokken voor medische doeleinden verkrijgbaar. 

Toch liever de show stelen met een antieke stok? De flaneerstokken van Antique Canes zijn er al vanaf 150 euro. Niet goedkoop, maar dan loop je wel op stand.

Foto Marc Driessen

Liften 2.0

27-09-2012, Het Parool

De lifter van nu kan zijn duim in zijn zak houden. Ook het onvermijdelijke stuk karton mag bij het oud papier. Uren tevergeefs wachten op de vluchtstrook? Totaal achterhaald. Wie een lift of carpooldate zoekt, installeert simpelweg een liftapp op zijn of haar smartphone of plaatst een oproep bij een digitale liftcentrale, op Twitter of Facebook.

Net als vele andere dingen die voorheen in het 'echte' leven gebeurden - een brief versturen, een geliefde vinden of een reis boeken - heeft ook het liftcircuit zich verplaatst naar de digitale wereld van internet en sociale media. Zowel een lift naar het werk of de vakantiebestemming als een carpoolmaatje vind je met één van de digitale platforms waarop ritten en auto's gedeeld worden. Soms gratis, of tegen een kleine vergoeding. Zo is een rit naar Praag of Parijs beschikbaar voor rond de dertig euro. Valencia? Vijftig euro. 

Ook sociale media zijn een veel gebruikte vervanging van de traditionele duim plus karton. Een ordinaire rit naar Berlijn of Parijs is met een oproep op Facebook al snel gevonden. Of op Twitter. De Britse journalist Paul Smith maakte er zelfs een missie van: hij 'twitterliftte' in dertig dagen tijd van New Castle naar Nieuw Zeeland, waarbij hij liften en onderdak vond door te twitteren. Hij schreef er een boek over: Twitchhiker. 

Dichter bij huis heeft de hashtag #lift reeds zijn nut bewezen bij chaos op het spoor. Heeft de NS weer eens last van seinstoringen, sneeuw of bladeren op de rails, dan stuurt de gestrande reiziger eenvoudig een lifttweet de wereld in. 

Maar ook als de treinen wel rijden, wint het aloude carpoolen aan populariteit, simpelweg omdat autorijden een dure aangelegenheid is. De benzineprijs bereikte onlangs een recordhoogte en naar verwachting zal dat record, met de invoering van de btw-verhoging volgende week, wederom verbroken worden. En met een beetje pech wordt de beruchte forensentaks toch ingevoerd. Alle reden dus om de kosten te drukken door een auto te delen. 

Vraag en aanbod van liften vinden elkaar op de twitterpagina van Meerijden Nederland, die gelinkt is aan de liftapp Toogethr. Van 'rit aangeboden op 13 sept 12.00 van Den Haag naar Amsterdam' tot 'rit gevraagd op 14 sept 08.00 van Amsterdam naar Paris.' Na het invoeren van een zoekopdracht geeft de app suggesties voor ritten. Lijkt het je wat, dan stuur je de aanbieder een bericht, waarna de carpoolafspraak gemaakt kan worden. In de meeste gevallen vraagt de bestuurder een kleine vergoeding voor de rit. De betaling daarvan gaat ook via Toogethr, die daarbij 25 procent bemiddelingskosten rekent aan de lifter. 

Op http://Samenrijden.nl, de carpoolwebsite en app van de ANWB, zijn eveneens vele liften binnen en soms buiten Nederland te vinden. Veelal gaat het om dagelijkse woon-werkritten, maar ook een lift naar het buitenland of de Floriade behoort tot de mogelijkheden. 

Ga je naar een concert of festival? Met de app Ridehere kun je andere bezoekers vinden om er samen heen te rijden. Dat spaart niet alleen geld en uitlaatgassen, de evenementen worden er ook een stuk beter bereikbaar door, zo redeneren de initiatiefnemers. En daarom worden Ridehere-carpoolers beloond met fijne parkeerplekken of zelfs VIP-kaartjes. 

Waar Toogethr, Samenrijden en Ridehere meer gebruikt worden om te carpoolen binnen Nederland, kan je voor het betere liftwerk terecht bij de liftcentrales van Hitchhikers.org en Backseatsurfing.com. Die rekenen geen bemiddelingskosten. Het liftersnetwerk Backseatsurfing heeft als bijkomend voordeel dat je ook een oproep voor een specifieke rit kunt plaatsen. 

De kans dat je bij een maniak in de auto stapt - de vrees van elke moeder - is bij een lift nieuwe stijl een stuk kleiner. Voor vertrek kun je via de bekende sociale media al een hoop te weten komen over je chauffeur of bijrijder. In de meeste gevallen kun je van tevoren een profiel van je bestuurder of bijrijder bekijken, al dan niet gekoppeld aan accounts van Facebook, Twitter en andere sociale media.

Backseatsurfing noemt zichzelf social network for hitchhikers: wie hier een lift wil aanbieden moet een profiel aanmaken, waarop eerdere lifters dan weer een beoordeling kunnen achterlaten. Zo biedt ene Ron een gratis rit aan naar de Oekraïne. Op zijn profiel valt te lezen dat hij graag Mexicaans eet, een Maserati rijdt, en door zal reizen naar Bulgarije om daar een huis te kopen. De enige review tot nu toe komt van Ron zelf: I'm really fun and cool to ride with.

Farid leert problemen op te lossen

22-09-2012

'Jij bent de man van het huis, Farid. Je moeder kan niet alles in haar eentje. Ook jij kunt voor je broertjes zorgen, en je moet de briefjes die komen, wel lezen - niet laten liggen. En als je iets niet snapt, dan vraag je het aan mij."

Farid B. (20) knikt. De vermanende woorden komen van Moustapha Aemarouch, hulpverlener van het team van 'Samen doen in de buurt', in de Kolenkitbuurt. Dit buurtteam van sociale hulpverleners bezorgt hulp aan huis bij mensen met een opeenstapeling van problemen van wie gebleken is dat ze er zelf niet uitkomen.

Anders dan voorheen zien zij nog maar één hulpverlener, als vast aanspreekpunt voor al wat er mis is. Het team werd een jaar geleden in het leven geroepen als 'frontlijnteam,' naar het voorbeeld van Rotterdam, waar al langer op deze manier gewerkt wordt, maar dat deed de initiatiefnemers toch wat te veel aan oorlog denken. 

Samen doen, dus. Sinds een paar maanden komt Aemarouch bij het gezin B. over de vloer. Wat hij daar aantrof, was niet best. Hun kleine huis was 'een beetje vies', het gezin zat diep in de schulden, moeder spreekt alleen Marokkaans en zoon Farid heeft geen werk of opleiding - en is vermoedelijk laagbegaafd. 

Toen Aemarouch voor het eerst aanbelde bij het gezin, lag Farid nog te slapen. Toch liet hij de hulpverlener binnen. Dat Aemarouch dezelfde etnische achtergrond heeft als het gezin, is geen toeval. Het team heeft speciaal voor de traditionele gezinnen, waar het doorgaans moeilijk binnenkomen is, Marokkaanse en Turkse raadsheren van Streetcornerwork aangesteld. Aemarouch spreekt dezelfde taal en begrijpt de cultuur van de moeder van Farid, die na een half leven in Nederland nog steeds nauwelijks geïntegreerd is. 

Geen onwil, maar het is voor een analfabete vrouw die lange tijd werd binnengehouden door haar man nu eenmaal lastig 'de weg te vinden', benadrukt Aemarouch. De man vertrok een jaar of tien geleden, het gezin berooid achterlatend. 

Nu, een paar maanden later, is er al een hoop verbeterd. Waar mogelijk worden oplossingen gezocht in hun eigen netwerk. Zo hielp een neef met het opknappen van het huis. Nieuw behang, wat kleedjes over de doorgezakte banken, net genoeg om het weer leefbaar te maken. Al ontbreekt er nog steeds een hoop aan, maakt de moeder heftig gesticulerend duidelijk. Geen wasmachine, een kapotte koelkast, en ook haar bed, waar ze samen met de jongste van acht slaapt, heeft het begeven. 

Voor Farid heeft Aemarouch een baan weten te regelen. Hij werkt nu als beveiliger, en kan langzaamaan zijn schulden gaan afbetalen. Waar hij schulden heeft? Tja, waar niet eigenlijk. Zijn zorgverzekering, zijn telefoonprovider, de sportschool - allemaal willen ze geld van hem hebben. En dat heeft hij niet. 

Ook heeft Farid vorige week een iq-test gedaan. "Zodra we daar de uitslag van hebben, kunnen we kijken wat voor opleiding hij zou kunnen doen," zegt Aemarouch. "De middelbare school ging niet zo goed," zegt Farid. "De basisschool ook niet." 

Multiprobleemgezinnen als de familie B. komen veel voor in de Kolenkitbuurt. Velen zijn arm, leven met te veel mensen in de krappe naoorlogse portiekflats, hebben schulden, spreken geen Nederlands en hebben problemen met opvoeden. 

Voorheen kreeg dit soort gezinnen met uiteenlopende hulpverleningsinstanties te maken. Iemand van jeugdzorg voor de kinderen, een ander van de Dienst Werk en Inkomen voor de centen, en zo verder. Eenieder werkte strikt volgens zijn eigen protocol en was geneigd de overige problemen te negeren, in de hoop dat de volgende in de rij die zou aanpakken. 

De sociale hulpverlening was verworden tot een institutioneel doolhof. Niet het zorgaanbod, maar het 'praktische probleem van het gezin' moest het uitgangspunt vormen, aldus wethouder Lodewijk Asscher. 

En dat is precies wat het buurtteam doet. Het team, dat bestaat uit hulpverleners van uiteenlopende zorginstellingen, werkt 'achter de voordeur': bij de mensen thuis, aan de keukentafel. 

Hier bespreekt het teamlid met de verschillende gezinsleden wat hun problemen zijn, wat de oorzaak daarvan is en hoe ze daar uit kunnen komen. Bij voorkeur zelf, of met hulp van hun eigen netwerk. 

"We moeten ervoor zorgen dat mensen leren het weer zelf te doen," zegt projectleider Carolien de Jong. "Veel mensen hebben geen idee hoe ze hun geldzaken moeten regelen of hoe ze hun kinderen moeten opvoeden - dat het niet goed is wanneer die 's nachts nog op straat rondrennen." 

Doordat deze hulpverlener, in de aanpak ondersteuner genoemd, werkt namens alle instellingen in het team, heeft hij een breed mandaat om te handelen, zonder protocol. "We proberen eerst het vertrouwen te winnen. Omdat ze nu nog met maar één hulpverlener te maken hebben, gaat dat een stuk makkelijker dan eerst," zegt De Jong. Ook onorthodoxe oplossingen zijn geoorloofd, als het maar werkt. 

En dat werkt. 

De Jong vertelt over een vrouw die eigenlijk nooit buiten kwam en met niemand contact had. Dat ze geen woord Nederlands sprak, hielp ook niet echt. Haar buurvrouw, die vermoedde dat er meer speelde, meldde haar stiekem aan bij het buurtteam. Eén van de ondersteuners ging eropaf. 

De vrouw bleek een tiran van een man te hebben, die haar onderdrukte en financieel kaalplukte. De hulpverlener wist binnen te komen en haar ervan te overtuigen dat ze moest scheiden. Het uiteindelijke gesprek hierover met haar man voerde ze zelf. "Spannend," zegt De Jong, "want we wisten niet hoe hij zou reageren." De man stemde in met een scheiding. Haar kind kon de vrouw houden, ze heeft nu Nederlandse les en werkt als schoonmaakster. Dat alles heeft zich voltrokken in een half jaar. 

Nog een verschil met vroeger is dat het hulpverleningstraject niet meer eindig is. "Wij blijven tot het probleem is opgelost," zegt De Jong. Ook wanneer een gezin in rustiger vaarwater is, blijven de ondersteuners op de achtergrond aanwezig. Door af en toe een praatje te maken, of misschien eens aan te bellen, kunnen ze meteen actie ondernemen wanneer een gezin terugvalt in oude patronen. 

"Als het gaat om een enkelvoudig probleem, huisvesting bijvoorbeeld, verwijzen we ze gewoon door het sociaal loket. Want we willen ook niet te veel hulp inzetten." 

De doorgaans arme huishoudens worden veelal aangemeld door de Dienst Werk en Inkomen, maar ook door bezorgde buren of familie, of door henzelf. Zo werd één van de teamleden op straat gevolgd door een vrouw. Op een gegeven moment sprak ze hem aan. Ze bleek een moeilijk opvoedbaar kind te hebben en had geen idee wat ze daarmee aan moest. 

Ook het gezin B. zal ooit weer op eigen benen moeten staan. Aemarouch: "Ik zal ze wel blijven volgen, maar ze kunnen niet eeuwig hulp blijven krijgen. Kunnen ze iets niet zelf, dan kijken we of er in hun omgeving iemand is die kan helpen. Een familielid, of een buurman. Eigen verantwoordelijkheid, daar gaat het om. In Marokko zeggen we: je bent de enige die jouw rug kan kriebelen." 

De naam Farid is gefingeerd.

Het monster van Frankenstein

Veertig intakes, evenzoveel hulpverleners, twintig plannen van aanpak. In één gezin, in zes jaar tijd. Of de problemen daarmee verholpen waren? Helaas niet. Het inmiddels roemruchte onderzoek Systeem in beeld uit 2008 naar het geld in de jeugdzorg en het jongerenwelzijn in Amsterdam maakte pijnlijk duidelijk tot welke excessen de versnippering van de sociale hulpverlening had geleid. Het monster van Frankenstein, noemde wethouder Lodewijk Asscher het jeugdbeleid. "De Amsterdammer die hulp nodig heeft, komt terecht in een doolhof van organisaties en instellingen." 

Om het tij te keren, begon stadsdeel West een jaar geleden met de nieuwe aanpak. Ongeveer vijftien hulpverleners van uiteenlopende hulpverleningsinstanties werken samen in één team, met één zogenoemde regisseur per huishouden, en in de toekomst ook vanuit één budget. Efficiënter, want het voorkomt dat instellingen langs elkaar heen werken, en daarmee ook goedkoper. "Meer doen met minder geld," aldus teamleider Carolien de Jong. 

Een noodzaak, want er moet nu al 25 procent op de sociale hulpverlening worden bezuinigd. "Dan moet dat wat overblijft, wel beschikbaar zijn voor mensen die het echt niet zelf kunnen." 

Naar schatting veertien procent van de Amsterdamse huishoudens kan als kwetsbaar bestempeld worden. In de Kolenkitbuurt, in 2009 nog uitgeroepen tot de slechtste wijk van Nederland, zijn dat er meer. De laatste jaren is hier een wildgroei aan hulpverleningsprojecten ontstaan. Een deel daarvan is inmiddels geschrapt, wat wel werkt, wordt geïntegreerd in het Samen doen-team. 

Het project is begonnen als proef in de Kolenkitbuurt. En het lijkt te werken - reden voor de gemeente om ook in de rest van de stad zulke teams in te stellen. Eind dit jaar moet elk stadsdeel er twee hebben.

Bacterie wint het lachend van antibiotica

01-09-2012, Het Parool

Bacteriën zijn overal. Op en in ons lichaam; er is geen plek waar deze eencelligen niet welig tieren. Sterker nog, wat het aantal cellen betreft, zijn de bacteriën in een overweldigende meerderheid: tegenover elke lichaamscel staan negen bacteriën. 

En dat is maar goed ook, want zonder zouden we weinig kans maken om te overleven: ze vervullen essentiële functies in ons lichaam. De meeste bacteriën zitten in het maag-darmstelsel, waar ze onder andere helpen bij de spijsvertering. 

Onder normale omstandigheden hebben we weinig te duchten van onze medebewoners. Helaas bestaan er ook schadelijke varianten die, zodra ze op de verkeerde plek belanden, ons flink ziek kunnen maken. 

Bijvoorbeeld wanneer de streptokokken die vele mensen in hun neusholte meedragen, in de longen terechtkomen: een longontsteking ligt dan op de loer. 

Zeventig jaar geleden vond Alexander Fleming hier een antwoord op in de vorm van een schimmel die een antibacteriële stof produceerde: penicilline. Het eerste antibioticum was geboren. 

Maar in zijn Nobeltoespraak in 1945 waarschuwde Fleming al voor de gevolgen van verkeerd gebruik van het nieuwe wondermedicijn: resistente bacteriën zouden het gevolg zijn. Zijn voorspelling werd snel realiteit. Twee jaar daarna al werd de eerste penicilline-resistente Staphylococcus aureus ontdekt. 

Van deze bacterie bestaat sinds 1961 ook een variant die ongevoelig is voor nog meer soorten antibiotica. Zij is beter bekend onder de naam MRSA. Deze bacterie veroorzaakt grote problemen in ziekenhuizen die veel antibiotica gebruiken. Dragers van de bacterie zijn dan ook moeilijk te behandelen, doordat de meeste antibiotica niets uithalen. 

En MRSA is niet de enige resistente ziekteverwekker. Zo zijn in landen om ons heen resistente vormen van de geslachtsziekte gonorroe gevonden. 

Verkeerd en kwistig gebruik van antibiotica heeft ervoor gezorgd dat wereldwijd steeds meer ziekmakende bacteriën opduiken, die ongevoelig zijn voor verschillende antibiotica. 

Dat heeft verstrekkende gevolgen: volgens laatste cijfers van het ECDC (Europees instituut voor volksgezondheid) lopen jaarlijks 400.000 mensen een infectie met resistente bacteriën op, waarvan 15.000 het niet overleven. En de aantallen stijgen. 

Beruchte killerbacteriën in Nederland zijn de darmbacterie Klebsiella, die vorig jaar in het Rotterdamse Maasstad Ziekenhuis om zich heen greep, en ESBL-producerende bacteriën, die op nagenoeg alle kip (ja ook de biologische) en een deel van de groenten te vinden zijn. 

Net buiten onze grenzen eiste de E. coli-variant Ehec vorig jaar zijn tol in Duitsland: vijftig doden en duizenden zieken. Een paar weken geleden werden in België weer nieuwe Ehec-gevallen geconstateerd. 

Kortom, resistente bacteriën zorgen voor steeds meer problemen. Het RIVM noemt de toenemende resistentie tegen antibiotica zelfs één van de grootste huidige bedreigingen in de gezondheidszorg. 

Hoe ontstaan deze resistente ziekteverwekkers? "Resistentie is net zo oud als de bacteriën zelf," zegt de Leidse moleculair microbioloog Gilles van Wezel. "Immers, een bacterie kan geen antibioticum aanmaken zonder daar zelf resistent voor te zijn. Bacteriën kunnen die resistentie- genen onderling uitwisselen, en zo ongevoelig worden voor antibiotica. Maar een bacterie kan door een heel kleine verandering in haar dna ook spontaan resistent worden. Door veel antibiotica te gebruiken, dwingen wij die resistentie af." 

Dat er teveel antibiotica gebruikt worden, behoeft eigenlijk geen toelichting. Vooral in landen rond de Middellandse Zee is dit het geval. Antibiotica zijn daar even eenvoudig te verkrijgen als paracetamol, zonder recept in de apotheek en de supermarkt. 

Zuid-Europese ziekenhuizen gebruiken grootschalig antibiotica, die in Nederland vooralsnog alleen gebruikt worden als allerlaatste redmiddel. En omdat dit soort problemen geenszins ophouden bij de grenzen, zijn die problemen ook de onze. 

Maar de beschuldigende vinger wijst ook naar onszelf. Of in elk geval naar onze koeien, varkens en kippen. Bij het gebruik van antibiotica in de veeteelt staat Nederland aan kop in Europa, samen met Frankrijk. 

"Nederland heeft de intensieve veeteelt zo'n beetje uitgevonden," zegt Hajo Grundmann van het RIVM. "Koeien staan nog geen meter uit elkaar. Onder die omstandigheden verspreiden infecties zich razendsnel, dus om epidemieën onder de dieren te voorkomen, krijgen ze veel antibiotica toegediend. Dat moet veranderen, want we weten dat sommige resistente bacteriën uit de landbouw afkomstig zijn." 

Het moge duidelijk zijn dat we wereldwijd anders met deze medicijnen om moeten springen, om te voorkomen dat er op een gegeven moment helemaal geen werkzame antibiotica meer zullen zijn. 

Maar dan maken we toch gewoon nieuwe antibiotica, zou je kunnen denken. Helaas is dat niet zo makkelijk. Het ontwikkelen van een nieuw antibioticum is zowel kostbaar als tijdrovend. 

Om die reden zijn vele farmaceuten gestopt met zoeken. Het produceren van antibiotica leverde hen simpelweg te weinig op. Het medicijn is relatief goedkoop en wordt maar enkele dagen gebruikt, in tegenstelling tot medicijnen als antidepressiva, die veelal levenslang geslikt worden. Het meeste onderzoek naar nieuwe middelen wordt nu gedaan op universiteiten. Maar het zal nog jaren duren voordat hun vondsten toegepast kunnen worden op mensen. 

Voor nu kunnen we weinig meer doen dan zo weinig mogelijk antibiotica gebruiken, en verspreiding van infecties voorkomen door een goede (ziekenhuis)hygiëne. 

Toch zal het moeilijk zijn de opmars van de reeds ontstane resistente bacteriën te stoppen, denkt Grundmann: "De resistentie heeft zich dusdanig geworteld in ons ecologisch systeem dat die alleen op de lange termijn teruggebracht kan worden. Het zal daarom in de toekomst moeilijker worden geavanceerde behandelingen uit te voeren, zoals het vervangen van een heup." 

Het risico op een infectie is bij dit soort operaties groot, vandaar dat preventief antibiotica toegediend wordt. Maar dan moet die wel iets uithalen. 

Volgens de Leidse hoogleraar Van Wezel zal het uiteindelijk wel meevallen. Hij denkt dat resistente bacteriën weliswaar altijd zullen bestaan, maar het door sommige microbiologen voorspelde rampscenario waarin we bij gebrek aan werkzame antibiotica worden teruggeworpen op ons eigen afweersysteem, dat ziet hij niet gebeuren. "We zullen altijd her en der uitbraken blijven zien, maar we gaan niet terug naar de pest."

 

Gezocht: Zeldzame bacteriën uit de grond

De meeste van onze huidige antibiotica zijn afkomstig uit de grond. In een klein schepje tuinaarde zitten doorgaans tientallen antibioticumproducerende bacteriën. Ze heten actinomyceten. 

In de jaren zestig en zeventig was een nieuw antibioticum daarmee snel gevonden. Je hoefde bij wijze van spreken maar een spade in de grond te steken. Vandaag de dag is het een stuk moeilijker: de meeste antibioticumproducerende bacteriën hebben we nu wel gevonden.

Toch blijken sommige reeds bekende bodembacteriën meer antibiotica in hun mars te hebben dan gedacht, zegt moleculair microbioloog Gilles van Wezel uit Leiden. 'Slapende antibiotica' noemt hij ze, wat erop neerkomt dat een bacterie verschillende antibiotica kan produceren, maar dat op de een of andere manier niet doet. 

Op het lab in Leiden ontdekten ze één van de schakelaars die zo'n 'genetische rem' eraf haalt, zodat sommige slapende antibiotica wakker geschud kunnen worden. 

De hoop is dat de zo verkregen antibiotica medicijnen gaan opleveren die ingezet kunnen worden tegen de nu resistente ziekteverwekkers. 

Daarbij zoekt het lab naar nieuwe, onbekende actinomyceten op verafgelegen en onherbergzame plekken, zoals de Atacama-woestijn in Chili, de droogste plek op aarde. Doordat daar maar weinig mensen voet aan de grond gezet hebben, zijn er misschien nog werkzame antibiotica te vinden, is de hoop van de onderzoekers. 

Ook scholieren kunnen meezoeken: de onderzoekers ontwikkelden een practicum voor scholen, waarmee leerlingen aarde kunnen onderzoeken op antibioticumproducerende bacteriën. Vinden ze iets, dan kunnen ze het opsturen naar het lab in Leiden. 

Antibiotica Gezocht! heet dit project, waarmee Van Wezel en zijn team van geleerden uit Leiden en Rotterdam vorig jaar de Academische Jaarprijs wonnen. 

De actie slaat twee vliegen in één klap: meer mensen zoeken naar de zo broodnodige nieuwe antibiotica, en tegelijkertijd zorgt het voor bewustwording van het probleem onder het publiek, en daarmee van de noodzaak voorzichtig met het medicijn om te springen. Voorkomen is immers beter dan genezen.

Met je pannetje naar de buren

14-06-2012, Het Parool

Met een pannetje naar de buurman lopen, om tegen betaling thuis aan de maaltijd te kunnen gaan. Het kan, ook als je geen idee hebt wie je buren zijn.

Op de websites http://Thuisafgehaald.nl en http://Ikmaakdelekkerste.nl kunnen amateurkoks adverteren met hun culinaire uitspattingen, die tegen een doorgaans bescheiden bedrag zijn af te halen door hun gastronomisch minder bedeelde buurtgenoten. De kok verdient zo wat bij en de kookkluns hoeft zich een dag niet te verlaten op de welbekende stoommaaltijden of pizzabezorgers. De maaltijden zijn veelal verser en gezonder dan de thuisbezorgde variant van afhaalrestaurants en in de meeste gevallen nog een stuk goedkoper ook.

Alles is geoorloofd op deze marktplaatsen voor zelfgemaakt eten, aldus Marieke Hart (32), oprichtster van Thuisafgehaald. "Verscheidene koks weten wat ze doen, maar het mogen ook minder hoogdravende dingen zijn. Zo zetten wij er wel eens pannenkoeken op." Inderdaad staat er van alles en nog wat op de site: van gehaktballen in jus tot Peruaanse ceviche.

Het idee voor de Thuisafgehaald ontstond in de achtertuin, aldus Hart. "We roken het eten van de buurvrouw. Het rook zo lekker dat we de stoute schoenen hebben aangetrokken en hebben aangebeld of we mochten proeven. Zo ontstond het idee om maaltijden te delen met buurtgenoten."

De site loopt goed: inmiddels hebben een kleine achthonderd koks en vijfduizend afhalers zich aangemeld. Hart: "Voor mensen met weinig geld kan het een manier zijn om de eigen kosten laag te houden. Zo ken ik een gezin met drie kinderen dat de extra gekookte maaltijden net iets duurder aanbiedt op Thuisafgehaald, opdat de eigen kinderen gratis kunnen eten. Dat noem ik een win-winsituatie."

Ikmaakdelekkerste.nl is een soortgelijke marktplaats voor zelfgemaakt eten. Voornaamste verschil met Thuisafgehaald is dat de kok en afhaler afspreken wanneer er wordt gekookt.

"Het idee is dat veel mensen iets hebben dat ze heel lekker klaar kunnen maken," zegt initiatiefneemster Tamara Bodewitz (41). "Op Ikmaakdelekkerste kunnen ze dan een advertentie zetten voor hun specialiteiten. Aan de andere kant kunnen mensen die weinig tijd hebben om te koken, of naar iets speciaals op zoek zijn voor bijvoorbeeld een feestje, zoeken op de site naar iemand in de buurt die iets lekkers maakt. Maar je kunt ook een advertentie plaatsen waarin je vraagt naar iets specifieks, naar iets wat je in het buitenland gegeten hebt bijvoorbeeld."

De één doet het om iets te kunnen delen, voor anderen is het mooi meegenomen als ze er iets aan overhouden, aldus Bodewitz. Ze noemt buitenlandse vrouwen, die hiermee eenvoudig iets kunnen bijverdienen. "Wij leveren de ontmoetingsplaats, maar bemoeien ons er verder niet mee. Hoe de bestelling en betaling verloopt moeten mensen onderling afspreken." Thuisafgehaald en Ikmaakdelekkerste rekenen geen bemiddelingskosten.

Ook professionele thuiskoks maken handig gebruik van internet om een afzetmarkt in de buurt te creëren. Verschillende kleine cateringbedrijfjes in Amsterdam koken en bezorgen vanuit huis, waarbij buurtbewoners van te voren op hun websites kunnen intekenen op het menu voor die dag. Rond etenstijd staat de kok dan voor je deur met de bestelde maaltijd. De prijzen voor de maaltijden liggen hoger dan die van de amateurkoks, rond de tien euro voor een hoofdgerecht.

Rebecca van der Steur, 41 jaar, Rivierenbuurt, gezinsmanager

Op het aanrecht liggen een paar uit de kluiten gewassen aubergines, courgettes en bataten. Op een snijplank een rode ui, daarnaast een blinkend koksmes. We bevinden ons in een piepklein keukentje op drie hoog achter in de Rivierenbuurt. Rebecca is zojuist begonnen met het koken van een vegetarische rode curry.

Uit de koelkast komt een potje met rode currypasta tevoorschijn. Zelfgemaakt. In de pan verdwijnen exotische zaken als kokosolie, palmsuiker en biologische kokosmelk. "Goh, die is wel erg waterig," zegt ze.

Morgen krijgt ze twee vrienden te eten. "Curry is het lekkerst als die een dag gestaan heeft, vandaar dat ik hem nu al maak." Omdat de pan curry meer dan genoeg is voor drie, zal ze de maaltijd ook aanbieden op http://Thuisafgehaald.nl. "Ik denk dat ik hiervoor vijf euro ga vragen." Ze klinkt weifelend. "Ik kook biologisch, dus de boodschappen zijn niet echt goedkoop. Maar ik kan het eten niet te duur maken, want dan koopt niemand het."

"Ik vind het leuk, en ik hoop dat mensen het lekker vinden en nog een keer terugkomen, maar ik hoef er geen winst mee te maken." Rebecca zegt dol op koken te zijn. Ze werkte in menige professionele keuken, van studentencafé tot het restaurant van wijlen Cas Spijkers.

Dat is te zien. De berg groenten op het kleine aanrecht verdwijnt binnen een ommezien in hapklare blokjes in de pan. "Het is wel behelpen in dit keukentje," zegt ze. "Ik droom van een huis met een grote open keuken."

Het wordt een 'Hollandse' curry; de vrienden houden niet van al te spicy. Ze proeft. "Beetje flauw nog, maar niet te pittig. Dus dat is goed." Er gaat nog een scheut vissaus de pan in. Haar geheim? "Koken met liefde. Als ik chagrijnig ben, wordt het niets."

Tjarda van Schaik, 32, Tuindorp-Oostzaan, moeder van vier kinderen

De pot in huize Van Schaik schaft vandaag stamppot andijvie, met een biologische gehaktbal. Tjarda kookt voor een gezin met twee kinderen, een vrouw uit de buurt, twee gastkinderen en niet te vergeten haar eigen gezin. Met dertien man in totaal noemt ze het een rustig dagje. "Meestal zit ik op zo'n twintig man."

"Elke dinsdag kook ik voor Thuisafgehaald, en op Ikmaakdelekkerste zet ik dingen die mensen bij me kunnen bestellen." Zo maakt ze marsepeintaarten en Groningse arretjescake. Maar ook 'Jamie's lasagne,' en chili con carne, eveneens van de Britse tv-kok.

"Ik heb vier kinderen, en mijn man is lange dagen weg vanwege zijn drukke baan. Voor mij is dit een manier om een beetje uitdaging te houden. Begin dit jaar had ik het er met vriendinnen over dat ik graag voor de buurt wilde koken, en toen waren daar opeens deze twee sites."

"Het is nog niet echt winstgevend, behalve dat ik vaak zelf gratis mee kan eten. Nu ben ik vooral dingen aan het uitproberen, maar als het lekker gaat lopen, wil ik het wel professionaliseren. Ik zou graag vanuit huis een boterham verdienen."

De pot van vandaag kost 3,50 euro, inclusief bal. Niet veel. "Ik vind het belangrijk dat iedereen het kan afhalen, niet alleen de rijke tweeverdieners. Anders gaan ze naar de snackbar als ze geen zin hebben om te koken. Eigenlijk ben ik echt niet zakelijk genoeg; ik geef ook altijd te grote porties mee. Uiteindelijk wil ik wel rendement halen, maar nu is het me vooral te doen om een ander te helpen."

Matthijs van Kan (36), Java-eiland, kok

Vanachter zijn kookeiland demonstreert Matthijs hoe je een suikerstroop tot precies de juiste temperatuur kan verwarmen. Ondertussen springt hij heen en weer tussen fornuis, oven en koelkast en vertelt hij anekdotes over de biologische groenten die hij bij een boer in Halfweg haalt en de ins en outs van het vullen van pennoni, een minicannelloni.

Geduldig wacht hij af tot de thermometer die hij in de borrelende suikermassa heeft gestopt, de juiste temperatuur aangeeft. 135 graden. De stroop is voor de pan forte, een stevig, zoet brood uit Italië, gevuld met dadels en noten, dat een dag later in de magen van vijftien buurtbewoners zal verdwijnen.

Drie zondagen in de maand kookt Matthijs een tweegangenmenu, dat zijn buurtbewoners voor een bedrag tussen vijftien en twintig euro bij hem kunnen bestellen via zijn website, http://Neighbourskitchen.nl. Voor deze editie staan onder andere pasta gevuld met pancetta en taleggio, en crêpes suzette op het programma. Zelf te flamberen met de bijgeleverde Grand Marnier en flambeerinstructies op een A4'tje.

Hoewel zijn buurtkeuken inmiddels aardig is ingeburgerd op de Amsterdamse eilanden, levert het hem vooralsnog weinig op. De inkoopkosten van de maaltijden liggen meestal tegen de elf euro. "Dat is veel, maar biologisch eten mag ook wat kosten." Tel daar de kosten voor de verpakkingen bij op, de flyers, website en de benzine voor zijn auto, en duidelijk is dat hij er eigenlijk niets aan overhoudt.

"Tja, Nederlanders vinden het al snel duur. Maar ik klaag niet. Ik vind het leuk als ik op straat mensen tegenkom die me zeggen dat ze het lekker vonden, daar doe ik het voor."

Ruzie over de bijbel van de psychiaters

09-06-2012, Het Parool

‘Psychiaters ruziën over hun bijbel,’ ‘Nieuwe handboek psychiatrie is onverantwoord’, en ‘Psychiatrie in greep commercie.’ De koppen liegen er niet om: De DSM, het Amerikaanse handboek voor de psychiatrie waarin de richtlijnen voor psychische stoornissen beschreven staan, verkeert in zwaar weer.  

Het boek is van grote invloed in onze maatschappij; het vormt grotendeels de basis van de organisatie van de geestelijke gezondheidszorg. Psychologen en psychiaters gebruiken de DSM om een diagnose te stellen en baseren er hun behandelplannen op. Die behandeling wordt zonder DSM-diagnose niet vergoed. 

Maar wat is er nu eigenlijk aan de hand? De kritiek draait vooral om de voorgestelde veranderingen voor de nieuwste editie van het boek, de DSM-5. Gevreesd wordt voor de pathologisering van normaal menselijk gedrag door het toevoegen van nieuwe stoornissen. Neem rouw. Een hele menselijke reactie op het heengaan van een geliefde, zou je kunnen zeggen. In de huidige versie, de DSM-4, geldt rouw als een uitzondering op depressie, en daarmee niet als psychische ziekte.  In de nieuwe versie is deze uitzondering geherformuleerd tot ‘rouw kan verworden tot depressie.’ Ook ‘rusteloze benen’ lopen de kans opgenomen te worden als een nieuwe diagnostische categorie. 

Geruchten gaan dat de invoering van deze en andere stoornissen het gevolg zijn van de invloed van de machtige farmaceutische industrie. Immers, de beste manier om een nieuw geneesmiddel te slijten is om de aandoening waar het voor bedoeld is in de DSM opgenomen te krijgen. 

Een tweede punt van kritiek betreft de diagnostische drempels, die bepalen welke en hoeveel klachten iemand moet hebben om met een bepaalde ziekte gediagnosticeerd te kunnen worden. In de huidige versie wordt een stoornis vastgesteld door het afvinken van symptomen op een lijst met diagnostische criteria. Zo moet iemand aan minstens vijf van de negen criteria voldoen om in het hokje ‘depressie’ te passen. 

Deze methode is wel erg simplistisch, vinden velen. Een stoornis kan zo slechts aan- of afwezig zijn, voor de mate waarin symptomen voorkomen is geen ruimte met deze benadering. In de DSM-5 wordt daarom waarschijnlijk een ‘glijdende schaal’ geïntroduceerd, waardoor het mogelijk wordt om onderscheid te maken tussen lichte en zware varianten van een geestesziekte. 

Maar ook deze zogeheten dimensionele indeling is controversieel. Diagnostische criteria zouden te ver opgerekt worden waardoor nog meer mensen met een stoornis gediagnosticeerd kunnen worden. Daarbij maakt de invoering van deze benadering het boek nog complexer, vindt psycholoog Roel Verheul die onlangs uit de werkgroep persoonlijkheidsstoornissen van de DSM-5 stapte. Volgens hem kunnen we het voorlopig beter bij het oude systeem houden: het nieuwe handboek zou leiden tot ‘natte vingerwerk’ bij het stellen van psychiatrische diagnoses. 

En zo zijn we weer terug bij af, want ook de DSM-4 heeft zijn beperkingen. Niet voor niets wordt al vier jaar aan een nieuwe versie gewerkt. 

Volgens sommigen kan het DSM-classificatiesysteem nog het beste naar de prullenbak verwezen worden. Zo ook Peter de Jonge, hoogleraar psychiatrische epidemiologie aan de Universiteit van Groningen. Hij doet onderzoek naar een alternatief voor de DSM-diagnose depressie. “Het principiële probleem dat ik met de DSM heb, is dat het niet evidence-based is, dus gebaseerd op de werkelijkheid. Je zou het eerder eminence-based kunnen noemen: degene met de meeste status in het vakgebied kan dicteren hoe het volgens hem of haar zit.”

Hij stelt voor om de DSM opzij te leggen, en te kijken hoe symptomen zich werkelijk tot elkaar verhouden. Ook de term depressie is wat De Jonge betreft overbodig. “Het is een soort kunstmatig label dat je op symptomen plakt, maar waar je verder niets mee opschiet.” De symptomen zelf vindt hij volledig uit de lucht gegrepen. “In de DSM staat dat als je teveel slaapt, dat een teken kan zijn van een depressie. Maar hetzelfde geldt voor te weinig slapen. Men kan teveel eten, maar ook te weinig, hoe kan een ziekte zulke tegengestelde symptomen produceren? Stel je voor dat je een hartinfarct door zowel pijn, als een prettig gevoel op de borst kunt vaststellen. Dat werkt zo niet.”

Nog een voorbeeld: “Neem piekeren. Dat is volgens de DSM geen teken van depressie, maar van angst. Heb je ooit een depressieve patiënt ontmoet die niet piekert? Het punt is, het is bedacht, en nog slecht bedacht ook.”

Ook het nut van de wildgroei aan diagnoses ziet hij niet in: “Uiteindelijk blijkt dat we voor allerlei stoornissen vaak hetzelfde pilletje geven. Er zitten nu al een miljoen mensen aan de antidepressiva, we moeten ervoor zorgen dat dat minder wordt. Om te beginnen met niet van die onzinnige termen op klachten los te laten; dat zijn stoornissen die empirisch gewoon niet deugen.”

Denny Borsboom, universitair hoofddocent Psychologische methodenleer aan de UvA vindt ook dat er een betere wetenschappelijke onderbouwing moet komen voor de definities van stoornissen in de DSM. “Het kraakt. Het gaat uit van het idee dat je stoornissen van elkaar kunt afgrenzen, maar eigenlijk is daar geen overtuigend bewijs voor dat dat kan. Zo hebben mensen met een depressie meestal ook angstklachten. De symptomen van die twee stoornissen hangen heel erg met elkaar samen.”

Een ander probleem vormt de indeling in psychische ziektes. “Niet iedereen past in de DSM hokjes die ze bedacht hebben. Stel je voor, je bent heel neerslachtig, je slaapt niet, en je hebt concentratieproblemen. Dat zijn al drie van de negen depressiesymptomen. Maar je bent ook bang, een angstsymptoom, en misschien hoor je ook stemmen. Volgens de DSM heb je dan niets, maar toch heb je alles bij elkaar een flink probleem.”

Volgens Borsboom moeten psychische klachten op een andere manier benaderd worden voor een betere fundering en begrip van mentale stoornissen in de DSM. “De psychiatrie werkt nu in het conceptuele kader van de traditionele geneeskunde. Dat gaat uit van het idee dat een patroon van klachten een gemeenschappelijke oorzaak heeft, en die verhelp je dan. Zoals bij een tumor, dat is een duidelijke oorzaak.” 

Maar dat principe gaat niet op voor geestesziekten, aldus Borsboom. “Ik denk niet dat er een gemeenschappelijke oorzaak is. Als er echt een gen voor depressie was dan hadden we die wel gevonden. Er is in ieder geval genoeg geld ingestopt.”

Hij onderzoekt een alternatieve benadering in de vorm van een zogeheten netwerkperspectief. In plaats van de stoornis te zien als gemeenschappelijke oorzaak van de klachten van een patiënt, beziet hij de stoornis als een netwerk van symptomen, die elkaar kunnen veroorzaken en versterken. “Waarom worden mensen depressief? Dat kan verschillende oorzaken hebben, de dood van iemand bijvoorbeeld. Iemand voelt zich schuldig daarover, gaat daardoor slecht slapen, krijgt concentratieproblemen. Het één veroorzaakt het ander, en zo belandt de patiënt in een neergaande spiraal. Door het in kaart brengen van iemands ‘probleemeconomie’ kunnen we ook mensen behandelen die nu in de DSM niet in een hokje te plaatsen zijn. Ik kan dat nu nog niet hardmaken, maar ik denk zeker dat er wat te halen valt.”

Toch wil Borsboom het handboek niet op voorhand afserveren. Hij vergelijkt de DSM met de Cito-toets: “Daar is ook veel op aan te merken. Maar als je hem wegdoet dan is het alternatief waarschijnlijk nog slechter. Dat is met de DSM ook zo. Het is een krom ding, maar het biedt wel een zekere uniformiteit. De praktijk heeft laten zien dat mensen dat soort systemen nodig hebben om ze een beetje in het gareel te houden. Mensen geloven de gekste dingen, ook in de klinische praktijk.”

Slapend rijk worden

24-05-2012, Het Parool

Een studentenkamertje in Uilenstede of een grachtenpand aan het Singel, maar ook een slaapbank in Oud-West en een aftandse camper in Noord; al deze plekken zijn te huur via de vele websites waarmee mensen hun huis verhuren aan toeristen.

Een groeiend aantal Amsterdammers ontdekt deze lucratieve bijverdienste: alleen al op de verhuursite Airbnb levert een zoektocht op Amsterdam 1738 kamers op.

Kunstenaar Tom (47) is één van die Amsterdamse verhuurders. In 2004 begon hij met de verhuur aan toeristen. Hij vraagt ongeveer vijftig euro per kamer. "Eerst woonde ik hier samen met mijn vriend, maar die relatie is uitgegaan. Het is een duur huis, daarom ben ik een bed and breakfast begonnen," zegt hij. "Zo verdien ik wat extra. Maar ik doe het ook omdat ik het leuk vind en het is goed te combineren met mijn kunst."

Zijn inkomsten geeft hij netjes op aan de belasting. "Eerst deed ik dat niet, maar toen kreeg ik een inval van de Belastingdienst." Dat hij als huurder geen B & B mag uitbaten, is hem onbekend. "Ik heb het nooit gevraagd aan de woningbouwvereniging," zegt hij. De gemeente heeft evenmin weet van zijn onderneming had hij zijn B & B daar willen aanmelden, dan was hem waarschijnlijk verteld dat hij niet aan de voorwaarden voldoet.

Zijn ontbijt is fantastisch, aldus eerdere bezoekers van zijn bed & breakfast in de Dapperbuurt. Voor de Californische Roberta en Penny was dit genoeg om een kamer bij hem te boeken via het Duitse Ebab, een gay-vriendelijke kamerverhuursite.

Inderdaad ontbreekt het de twee aan niets. Op de ontbijttafel staat een mand gevuld met kaiserbroodjes, meergranenpuntjes en croissants. Daarnaast een bordje met plakken ham en kaas. Ook aan zoet beleg is gedacht, net als het obligate glaasje jus en de vers gezette koffie. "Best coffee so far," zegt Roberta (58).

Verhuren kan op uiteenlopende manieren. De één runt een professionele bed and breakfast, de ander drukt de kosten van zijn vakantie door een toerist op zijn huis te laten passen. En voor studenten die in het weekend toch bij hun ouders de was doen, is het verhuren van hun kamer een fijne aanvulling van de toch al niet zo riante studiebeurs.

Ook minder conventionele woonvormen blijken prima te verkopen. Zo adverteert ene Dan met zijn 'Old timer camper' in Noord, met wervende teksten als 'Dicht bij het BP- tankstation waar lekkere koffie en snacks verkrijgbaar zijn' en: 'Mocht je een keer naar de wc moeten, dan kan dat gewoon!'

En dat voor dertig euro per nacht. Tegen de verwachting in zijn de reviews op zijn pagina lovend. Dan is een goede gastheer en een Duits stel vond de locatie aan de Metaalbewerkersweg 'lekker rustig'.

Adverteren is eenvoudig, meer dan een paar foto's en een informatief tekstje zijn niet nodig.

De websites waarop verhuurders hun huis aanbieden, zijn in eerste instantie een marktplaats. Er zijn twee soorten sites te onderscheiden. Bij de één worden al dan niet tegen betaling contactgegevens geplaatst, waarna huurder en verhuurder het verder zelf kunnen regelen. Voorbeelden zijn Homeaway en de algemene adverteersite Craigslist.

Websites als Airbnb, Wimdu en Housetrip treden op als bemiddelaar. Zowel de communicatie als betaling bij een boeking gaat via deze sites en als er iets kapot gaat, is de verhuurder daarvoor verzekerd. Daarbij vormen de sites een sociaal netwerk; zo linkt Airbnb gegevens aan Facebookprofielen, zodat beide partijen meer te weten komen over elkaar. De reservering gaat alleen door als de verhuurder akkoord gaat.

De verhuur van de sociale huurwoning van Jonas (39) is illegaal. Dat hij het toch doet, heeft een paar redenen, aldus Jonas. Ten eerste de veiligheid. "Er is hier in één jaar tijd drie keer ingebroken. Dus als ik weg ben, wil ik dat er iemand op mijn huis past. Ik kan ook iemand uit mijn vriendenkring vragen, maar die kunnen niet altijd."

Binnenkort gaat hij acht dagen naar Lissabon. Ook dan zal hij zijn huis verhuren, via Airbnb. Het levert hem zestig euro per nacht op. "Maar goed, ik verhuur het hooguit vier weken per jaar. Van die extra inkomsten heb ik het huis een beetje kunnen opknappen. Daarbij kan ik er een schoonmaakster van betalen, en iemand die mijn financiën regelt. En dat is allebei hard nodig: Ik ben manisch-depressief, dus ik heb moeite met die dingen."

Wel zegt hij zeer selectief te zijn als het gaat om wie zijn huis mag huren. Bovenaan zijn zwarte lijst staan de alom beruchte Russische toeristen. Ook barcrawlers zijn niet welkom. "Via Airbnb kun je precies zien met wie je te maken hebt: Naam, adres, waar ze vandaan komen en wat ze doen. Bij de minste of geringste twijfel verhuur ik niet."

"Natuurlijk is het scheef als je de helft van de tijd je sociale huurwoning verhuurt en zelf in Thailand gaat zitten, maar dat doe ik niet. Ik vind dat ik een goed argument heb om te verhuren; het helpt me om mijn huis schoon en veilig te houden. Ik word er zeker niet rijk van. Dus moet de woningbouwvereniging daar nu moeilijk over doen?"

Adverteren op de sites is gratis, wel wordt provisie gerekend. De verhuurder draagt doorgaans drie procent van zijn verdiensten af aan de bemiddelaar, de bezoeker betaalt tot twaalf procent bovenop de kamerprijs.

Het aantal listings groeit elke dag, zeker nu de zomer eraankomt en mensen hun huis verhuren voor de tijd dat ze op vakantie zijn. Hotels mogen niet adverteren op de sites, maar dat is eigenlijk de enige beperking die er is.

Architect Holger Gladys en zijn vrouw Petra (beiden 50) zijn een B & B begonnen om 'economische redenen'. "We hebben allebei een baan, maar de inkomsten zijn niet continu," zegt Holger. "Soms hebben we te weinig werk, soms te veel, zo is dat gewoon."

Een vriendin in Berlijn vertelde hun over Wimdu. Ze besloten het ook te proberen. Sinds acht weken verhuren ze de bovenste verdieping van hun huis aan de Amstelveenseweg aan toeristen, via Wimdu en Airbnb. Twee kamers zijn te huur, voor 59 en 74 euro per nacht.

Ze hebben niets te vrezen van gemeente of belastingdienst: hun B & B voldoet aan alle regels.

"Het voegt iets toe aan je leefomgeving," zegt Holger. "Vroeger hadden wij altijd een open huis, met veel vrienden en kennissen die kwamen logeren. Nu hebben we dat ook, maar op een andere manier. Je komt interessante mensen tegen."

Tot nu toe vinden ze het leuk. "Maar vraag het over zes jaar nog maar eens," zegt Petra. "Ik vind het met de twee kamers die we nu verhuren prima, maar met vier of zelfs tien kamers zou het echt een hotelletje worden. Dan vind ik het te veel."

Een dag eerder heeft een Zweedse haar intrek genomen in huize Gladys, met haar zeventienjarige dochter. Ze blijven tien dagen, want dochter loopt een week stage bij een kapper in de stad. Ze is heel blij met de kamer, en met haar gastheer en -vrouw. "Very nice."

De namen Tom en Jonas zijn gefingeerd.

Mag dat?

Het onderverhuren van een kamer, bank of huis aan toeristen is in veel gevallen illegaal, zeker in een sociale huurwoning. Wie betrapt wordt, loopt de kans zijn huis kwijt te raken. Maar ook huiseigenaren mogen niet zomaar toeristen in huis halen, zij moeten toestemming vragen aan hun hypotheekverstrekker.

De websites waarop geadverteerd wordt, bemoeien zich hier niet mee, het risico is voor de verhuurder.

Als je wel alles volgens de regels wilt doen, komt er heel wat bij kijken. De regels voor kamerverhuur aan toeristen verschillen per gemeente. In vrijesectorhuurwoningen is kort verblijf toegestaan: een verblijf van minimaal week tot maximaal een half jaar. Korter dan een week ziet de gemeente als toeristisch verblijf en dan gelden dezelfde (brand)veiligheidseisen als voor een hotel.

Huiseigenaren kunnen een bed and breakfast beginnen. B&B-houders mogen tot veertig procent van hun woonoppervlak verhuren aan maximaal vier personen per nacht. Verder moeten ze inkomsten- en toeristenbelasting betalen. Dat maakt het al een stuk minder lucratief dan de gouden bergen die Wimdu belooft met zijn slogan 'Wimdu earns you money while you sleep'.

De figuren op de foto horen niet bij het verhaal maar waren ooit couchsurfers van de verslaggeefster

Werkplek gezocht

28-04-2012, Het Parool

Wie The Hub in de Westerstraat binnengaat, treft een zee van oplichtende appeltjes. Hippe dertigers turen ingespannen naar hun opengeklapte laptops, gezeten aan grote houten tafels. Hier wordt gewerkt, zoveel is duidelijk. Het is aangenaam rustig; gebeld wordt er op zachte toon, of in de daartoe bestemde glazen ruimte.

Ondernemer Odin Heyligen (35) huurt een flexibele werkplek bij The Hub, meestal een dag of twee in de week. Voor 145 euro kan hij vijftig uur per maand werken, naar eigen inzicht in te vullen. Daarvoor krijgt hij een werkplek, snel internet en onbeperkt koffie. "Eigenlijk betaal je hier voor wat je thuis ook hebt," zegt Heyligen. "Maar daar heb je niet de contacten die je hier legt."

Amsterdam is een zzp-stad. Het aantal eenpitters groeit snel. In 2010 telde Amsterdam 42.000 zzp'ers, meldt Dienst Onderzoek en Statistiek van de gemeente Amsterdam. In vijf jaar is het aantal zelfstandig ondernemers die geen personeel in dienst hebben bijna verdubbeld. Dit komt door de concentratie van creatieve beroepen in Amsterdam, die zelfstandige architecten, ontwerpers, webdesigners en schrijvers trekt. Ook de economische crisis doet zijn werk: veel ontslagen werknemers gaan als zelfstandige aan de slag.

In heel Nederland is het aandeel zzp'ers in de werkzame beroepsbevolking met anderhalf procentpunt gestegen, naar ongeveer tien procent in 2011.

Veel van hen hebben niet meer nodig dan een bureau en draadloos internet om te kunnen werken. En, als het even kan, fatsoenlijke koffie. Maar thuis of in een café werkt niet iedereen even effectief, en een vast kantoor is voor menigeen te duur of niet nodig. Het huren van een flexwerkplek biedt dan een goede middenweg.

Een flexwerkplek is, de naam zegt het al, een werkplek die flexibel te huren is. Per uur, dag of maand, alles is mogelijk. De laatste jaren zijn er in Amsterdam veel nieuwe flexwerkplekken bijgekomen, met voor ieder wat wils. Van functioneel ingericht kantoor om de hoek tot A-locatie op de Zuidas. Naast de speciaal daarvoor ingerichte kantoren zijn ook bedrijfsverzamelgebouwen ertoe overgegaan flexwerkplekken aan te bieden.

De flexplekken zijn er in alle prijsklassen. Prijzen lopen uiteen van tien euro voor een werkdag bij creatieve broedplaats Beehives in Nieuw-West, tot vijftig euro voor een stoel in het Smart Work Center op de Zuidas. Sommige locaties hanteren een maandelijks lidmaatschap voor een bepaald aantal uren of dagen, bij andere kan je per dag(deel) betalen, al dan niet met een vooraf gekochte strippenkaart.

Ook een gratis flexwerkplek behoort tot de mogelijkheden. Seats2meet.com, met tientallen vestigingen door heel Nederland, vraagt geen geld maar 'sociaal kapitaal' voor het huren van een werkplek. Gebruikers moeten op de site van Seats2meet aangeven waar ze mee bezig zijn, en bereid zijn tot het delen van hun kennis met andere flexwerkers. Daarvoor krijgen ze een werkplek, koffie, en zelfs een gratis lunch.

Het bedrijf verdient aan de verhuur van vergaderruimtes, die wel per stoel afgerekend moeten worden. Amsterdam heeft vooralsnog alleen een kleine vestiging bij Sloterdijk; de grootste vestiging is in Utrecht, in Hoog Catharijne, waar een paar honderd flexwerkplekken dagelijks bezet zijn.

Circa 250 zzp'ers hebben een plek gevonden bij Spaces, dat onderdak biedt aan zowel de zwervende zelfstandige als de gevestigde multinational. Het bedrijf, met vestigingen aan de Herengracht en op de Zuidas, voorziet in alle mogelijke vormen van kantoorruimte, vast en flexibel. Daarbij biedt het ook andere faciliteiten die het leven van de ondernemer zo aangenaam mogelijk moeten maken. Zoals een receptionist die klanten voor je ontvangt, en die indien nodig een kapper belt.

De begane grond van het statige pand op de Herengracht, het 'sociale hart', is bestemd als werk- en ontmoetingsplaats. Hier huizen de flexwerkers met een Spaceslidmaatschap. Zij huren geen kantoor, maar hebben wel toegang tot het gebouw om te internetten, klanten te ontvangen of iets te eten. Ook een postadres is inbegrepen. Het lidmaatschap kost 160 euro per maand.

Het sociale hart oogt als een vestiging van een welbekende koffieketen, maar dan zonder dreinende kinderen en hangstudenten. Gezeten achter hun laptops drinken jonge professionals caffè lattes, die overigens niet inbegrepen zijn bij hun lidmaatschap.

Bureaus ontbreken. "Het is dan ook niet de bedoeling dat mensen hier echt kantoor gaan houden," zegt operationeel manager Jeske Menken. "Oorspronkelijk wilden de initiatiefnemers de begane grond openstellen door er een koffiebar van te maken. Maar toen de benodigde vergunning daarvoor uitbleef, besloten ze de ruimte te exploiteren via het lidmaatschap."

Een slimme zet, zo blijkt nu. "We zijn precies op het goede moment begonnen. Kort daarna brak de crisis uit en kwam Het Nieuwe Werken op, waarbij mensen buiten kantoren en de geijkte tijden aan de slag gaan. Zo'n 250 flexwerkers hebben nu een lidmaatschap."

In de vijf verdiepingen daarboven zijn de vaste huurders gehuisvest. Tientallen bedrijfjes: van consultants tot creatievelingen. Ook is een kantoorruimte ingericht met flexwerkplekken voor zzp'ers: de freelancerverdieping. Hier wel bureaus, verstelbare kantoorstoelen en werkplekken afgeschermd met schotjes. Daar moet wel voor betaald worden; twee dagen per week kost 325 euro per maand. De rest van de week mag je beneden werken.

Bedrijfsarts Daan Breederveld (39) is één van de freelancers op deze verdieping. Woensdag en vrijdag is hij aan het werk. "Ik heb ook thuis gewerkt, maar daar raakte ik sneller verstoord," zegt hij. "Dan ga ik andere dingen doen. Deze omgeving is inspirerend, ik werk hier harder dan thuis."

Wie vooral op zoek is naar een rustige werkplek dicht bij huis, kan terecht bij één van de kleinere flexwerkkantoren in de stad. Zo heeft de Werkkamer op twee locaties in Oost kleine kantoorruimtes ingericht, bedoeld voor buurtbewoners. Voor honderd euro in de maand kunnen die hier vijf dagen per week gebruik maken van een flexibele werkplek met koffie, thee en wifi.

Vlexplek, dat sinds kort op de Overtoom huist, heeft een vergelijkbaar concept. Het kantoor bestaat uit zestien werkplekken en twee vergaderruimtes. Verder is er internet, een koffieautomaat en een printer. Voor honderd euro in de maand mag hier vier dagdelen in de week worden gewerkt. "Het is bedoeld voor mensen die een paar keer in de week een werkplek nodig hebben, niet voor fulltime gebruik," zegt oprichter Martijn Vlek (42). "Ik wilde iets kleinschaligs opzetten, een gezamenlijke werkkamer voor de buurt. Mensen werken vaker thuis, en daarbij zijn er steeds meer zzp'ers. Voor hen is het fijn om een rustige werkplek te kunnen opzoeken."

Voor degenen die behalve werken ook flink willen netwerken, is The Hub de aangewezen plek. "Het is bovenal een gemeenschap van maatschappelijke ondernemers," aldus 'community host' Frederieke Maagdenberg. Niet iedereen kan zomaar lid worden, zegt ze. "Mensen die alleen voor een winstbelang gaan, zijn niet welkom. Je moet wel iets met duurzaamheid hebben, en bereid zijn tot samenwerken."

Wat een maatschappelijk ondernemer is? Dat kan van alles zijn, getuige de polaroids die van alle driehonderd leden aan de muur hangen. Zo maakt Antonio 'Hand made chocolate' en biedt Corrie 'Zorg voor mensen met betalingsproblemen'.

"Als je alleen maar met een tunnelvisie achter je laptop zit, krijg je geen ideeën," zegt Maagdenberg. "Hier kunnen mensen hun vaardigheden met elkaar delen, en hun ideeën voorleggen aan een ander."

Dat blijkt. Naast de laptop van ondernemer Odin Heyligen ligt een envelopvormig tasje van zeil, ontworpen door een andere Hubber, vertelt Heyligen. "Nu probeert hij mij zo gek te krijgen dat ik die voor hem meeneem naar de events die ik organiseer."

Maagdenberg denkt dat een flexwerkplek als de Hub in een nieuwe behoefte voorziet. "Mensen kunnen binnenlopen wanneer ze maar willen. Er is interactie met gelijkgestemden, waardoor je het gevoel hebt dat je het niet alleen doet."

Plek: Netwerk voor werkplekken bij creatieve bedrijven

Voor wie het werken thuis of met andere zelfstandigen de neus uitkomt, heeft Plek een creatieve oplossing. Het begin dit jaar opgerichte netwerk voor flexwerkplekken linkt zzp'ers aan bedrijven die af en toe een bureau vrij hebben. Zo kunnen zelfstandigen een dag of een paar uur werken bij een bestaand kantoor, een reclamebureau bijvoorbeeld. "Op deze manier werken ze te midden van gelijkgestemden, en wellicht levert het ze ooit nog een opdracht op," zegt medeoprichter Rob Mommer (31). "Dat scheelt je weer een gang naar een netwerkborrel."

De bemiddeling tussen zzp'ers en bedrijven doen ze nu nog zelf. Maar Mommer en compagnon Dennis Knetemann zijn bezig met de ontwikkeling van een app waarmee in de toekomst eenvoudig een vrije werkplek gereserveerd kan worden, voor een bedrag van rond de tien euro per keer. "Het equivalent van twee koffie en een broodje," zegt Mommer. "Dat ben je ook kwijt als je in een café werkt."

Vooralsnog richt Plek zich op ondernemingen in de creatieve sector: reclamebureaus en ontwerpstudio's, maar dat hopen de oprichters spoedig uit te breiden naar andere branches.

Er is in elk geval veel belangstelling voor het concept, zegt Mommer. Zo'n vijftig bedrijven hebben aangegeven mee te willen doen, naast de vijftien waar flexwerkers nu al aan de slag kunnen.

www.ikzoekeenplek.nl

 

The Hub Zestig werkplekken in de Westerstraat. Een maandelijks lidmaatschap kost tussen de 23 en 400 euro, afhankelijk van het aantal uren en hoe lang je al bezig bent als ondernemer.

De Werkkamer Twee kleine kantoren in Oost, een werkplek tegen betaling van een maandelijks lidmaatschap, beginnend bij EUR100.

Spaces Groot aanbod aan vaste en flexibele kantoorruimte op de Herengracht en op de Zuidas. Vanaf EUR160 per maand.

Vlexplek Kleine locatie op de Overtoom met zestien werkplekken, vanaf EUR100 in de maand of per dagdeel met een strippenkaart.

Smart Business Center Groot bedrijfsverzamelgebouw in Zuidoost, nabij de A10. Met zowel vaste als flexibele kantoorruimte en flexplekken, te huur vanaf EUR15 per dag met een strippenkaart.

Smart Work Center Gevestigd in Amsterdam Bright City op de Zuidas. Met zeventig flexwerkplekken, voor EUR50 per dag of EUR550 per maand.

Pand020 Een pand op het Westergasterrein met 25 werkplekken in de 'flextuin', één dag in de week kost EUR45 per maand, voor EUR115 kan van maandag tot vrijdag gewerkt worden. Er zijn ook vijf werk- en vergaderruimtes te huur.

Beehive Creatieve broedplaats met locaties in Nieuw-West en Oost. Een deel van de vaste werkplekken wordt verhuurd als flexplek, voor tien euro per dag. Daarbij is een natuurkundelokaal in het Calvijn met Junior College te huur voor flexwerkers.

Seats2meet Sloterdijk Naast Sloterdijk zit een kleine locatie van Seats2meet.com, Nederlands grootste aanbieder van flexplekken. Werkplekken zijn gratis, daar staat wel het delen van 'sociaal kapitaal' tegenover.

flexwerkplekamsterdam.nl Kleine werklocatie aan de Cruquiuskade, met werkplekken te huur per maand en per dagdeel.

Diepvriespizza mee naar het restaurant

05-04-2012, Het Parool

De bakelieten telefoon van bar-restaurant Basis in de Vijzelstraat oogt als een museumstuk, maar is toch echt bedoeld om mee te bellen. Klasien (31) pakt de hoorn en toetst een nummer. In haar hand houdt ze een beduimeld foldertje met plaatjes van sushi en sashimi. Ze geeft de bestelling door en legt de hoorn weer neer. Missie geslaagd. Terug naar haar collega's, die een paar meter verderop staan te borrelen.

Ondertussen is een jongen in de weer met een paar diepvriespizza's. Boven de bar hangen twee oventjes. De jongen kijkt een beetje moeilijk. "Moet ik dat zelf doen?" vraagt hij aan barman Michiel Zwart. "Ja tuurlijk," antwoordt deze, "ga je gang." Hij geeft de gast borden en wijst hem waar bestek te vinden is.
Basis, open sinds drie maanden, is niet zomaar een café. Eigenaren Jan Schaberg (26) en Michiel Zwart (25) wilden iets wat tussen een bar en restaurant in zou zitten. Waar gegeten kan worden alsof je thuis bent. De twee kozen voor het concept bring your own food (BYOF). Oftewel, neem je eigen eten mee.

Dat kan op alle mogelijke manieren. De één belt met de eerder genoemde telefoon een willekeurige bezorgservice, de ander loopt even naar de Albert Heijn aan de overkant. Maar gasten komen ook thuisgemaakte gerechten opeten in Basis, zegt Zwart. "Lasagnes, stamppotten, soep, ik heb echt van alles voorbij zien komen." De bar verdient aan de drankjes. Een uitkomst voor de niet zo kapitaalkrachtigen, die zo toch 'uit eten' kunnen gaan. Onder studenten begint Basis dan ook bekendheid te krijgen. Toch trekt het café een gevarieerd publiek. Velen komen er om de 'relaxte sfeer', los van dat het geld bespaart.

Zo ook Klasien en haar zes collega's. "Het is mijn laatste dag op het werk, en we wilden uit eten gaan. Het plan was om sushi te eten in een restaurant, maar dat vonden we te veel gedoe. Dan moet je reserveren, aan tafel eten, hier gaat het veel makkelijker. We bestellen wel vaker eten in Basis, het is een relaxte plek. Het gaat ons niet zozeer om het geld, al is het natuurlijk wel goedkoper."
Dan staat de sushibezorger aan de bar. Snel leggen de zeven wat geld bij elkaar vijftig euro in totaal. Een ander bestelt nog een rondje aan de bar. Ze nemen niet de moeite om te gaan zitten, het uitstallen van de bakjes op tafel volstaat.

In de horeca is het fenomeen bring your own (BYO) niet onbekend. In toprestaurants is het vrij gangbaar om je eigen fles wijn mee te nemen, zegt foodtrendwatcher Hans Steenbergen. Het gaat dan bijvoorbeeld om een bijzondere fles wijn die een gast in zijn kelder heeft liggen. Vaak rekent het restaurant dan wel kurkgeld.

Een uitzondering is restaurant Van de Kaart op de Prinsengracht. Op zaterdag mogen gasten hier kosteloos hun eigen fles wijn drinken. De enige voorwaarde is dat ze een viergangenmenu van 49,95 euro nemen. Daarbij kan zo gekookt worden dat de gangen aansluiten bij de meegebrachte wijn.
Het zelf meebrengen van eten is een opkomende trend in Amsterdam. Zo kun je bij boterhamwinkel Hartog's in de Wibautstraat ook eigen broodjes eten. Een consumptie is niet verplicht.

"Ik stoor me al jaren aan hoe alles maar moet draaien om de resultaten," zegt Fred Tiggelaar van Bakkerij Hartog. "Voor mij was dat inspiratie om tegendraads te zijn. De boterhamwinkel zie ik meer als een servicepunt, waar iedereen welkom is. Zo kunnen bijvoorbeeld ook degenen die geen geld hebben lunchen met hun collega's, door hun eigen broodtrommel mee te nemen. Dat zijn belangrijke sociale momenten."
"Ik vind maatschappelijk verantwoord ondernemen belangrijker dan een gigantische commerciële tent worden. We draaien goed, omdat mensen zich ontspannen voelen bij ons."

Bij Café Fonteyn op de Nieuwmarkt bestaat het concept al vijftien jaar. "We doen er niet moeilijk over," zegt barvrouw Briënne. "We hebben zelf maar een kleine keuken, zonder diner. En hier in de buurt zijn veel toko's." Gasten moeten wel toestemming vragen, zegt ze. "Soms zie ik mensen stiekem een patatje eten op het terras. Dan loop ik erheen, en zeg ik dat het gewoon mag hier. Als het even kan geven we ze ook bordjes en bestek, zodat het er wel leuk uitziet."

Met de opening van Basis is een heus BYOF-café aan dit lijstje toegevoegd. "Voor ons was het een oplossing voor een ideologisch probleem," zegt Schaberg. "Mensen die naar een restaurant gaan, hebben daar bepaalde verwachtingen bij; je moet reserveren, aan tafel eten, alles volgens een vast stramien. Dat beperkt de sfeer, denken wij. Daarbij wilden we toegankelijk zijn voor iedereen. Daarom hebben we voor Basis gezocht naar een tussenvorm."

En het werkt. Het café verandert rond etenstijd in een gemoedelijke chaos. In de twee ovens draaien pizza's hun rondjes, op een tafel liggen een quiche, stokbrood en sla. Een meisje houdt een witte plastic tas vast waarin zich de contouren van een stapel bakjes aftekenen. Haar vriendin bestelt nog snel twee witte wijn en pakt borden en bestek, waarna ze aan tafel gaan.

Op het menu staat 'iets van de Italiaanse traiteur'. Kosten: dertig euro. "Ja, daar schrokken wij ook wel van," zegt Danielle (26). "We wilden eigenlijk naar de Albert Heijn, om het goedkoop te houden. Maar toen liepen we langs deze traiteur en het zag er zo lekker uit." Toch zeggen de twee niet in Basis te eten om geld te besparen. "We komen hier omdat we het zo'n leuk concept vinden," zegt Enily (25). "Niet omdat we geen geld hebben."

"Mensen die niet weten van ons BYOF-concept reageren vaak met verbazing," zegt Schaberg. "Vertegenwoordigers uit de horeca bijvoorbeeld. Ze vinden het een vernieuwend concept, iets wat ze nog niet eerder hebben gezien."
Sfeer is grotendeels maakbaar, denkt hij. "Gasten voelen zich bij ons thuis, beschouwen dit als hun huiskamer. Veel zaken proberen nu een huiskamersfeer te creëren om een groep mensen aan zich te binden. Mensen voelen zich daar vaak prettig bij. BYO werkt heel goed om dat te bereiken. Maar ze moeten er wel zelf iets voor doen."

De jongen van de diepvriespizza's staat in de oven te turen. Hij eet met vriendin Rosa. Bij elkaar 6,34 euro, inclusief een salade die ze samen delen. Paar biertjes erbij, klaar. Rosa (20) vindt vooral de huiselijke sfeer heel leuk. "Net als in Berlijn." Dat het goedkoop is speelt ook mee: "Ik heb veel vrienden die geen geld hebben. Maar hier kun je gewoon iedereen uitnodigen; ook degenen die krap bij kas zitten kunnen zo uit eten gaan."

Is BYOF de manier om tijdens de crisis klanten te trekken? "Natuurlijk is het een uitkomst voor mensen met weinig geld," zegt Schaberg. "Je kunt het eten zo goedkoop maken als je zelf wilt. Thuis iets koken en het dan hier opwarmen en opeten mag ook. Het is wel de bedoeling dat je iets uitgeeft, maar onze drankprijzen zijn laag. Basisprijzen."

De behoefte om uit te gaan blijft altijd bestaan, denkt hij. "Er wordt eerder bezuinigd op de aanschaf van een nieuwe tv dan op een paar biertjes na het werken. Wij bieden een goedkoop alternatief om uit eten te gaan."
Basis doet dan ook goede zaken. Schaberg: "Andere cafés lopen wel eens leeg rond zeven uur omdat gasten dan ergens anders gaan eten. Bij ons kun je dan gewoon iets laten bezorgen, of even naar de Albert Heijn aan de overkant lopen. Ook gaan mensen niet weg na het eten, ze blijven lekker plakken."
De sushi-eters staan alweer bij de telefoon. "Lekker hoor, maar ik heb nog steeds honger," zegt Merijn Siebrecht (35). "We pakken nog iets van de kaart." De 'kaart' is een lijst met telefoonnummers van bezorgservices. De volgende gang is pizza. "Het hoofdgerecht."

BYO?

Bring your own food is een variant op het Australische Bring your own booze (of bottle). Down under is het heel normaal dat gasten hun eigen wijn meenemen naar een restaurant. Meestal gebeurt dit tegen betaling van een klein bedrag ter vergoeding van gederfde inkomsten. Veel restaurants in Australië mogen geen alcohol schenken. Bring your own is dus ontstaan als een slimme manier om het ontbreken van een alcoholvergunning te omzeilen.
In Nederland is het vooral bekend als een manier om de kosten te drukken. Op feestjes bijvoorbeeld. De gastheer zorgt voor wat kratten bier en de gasten nemen de rest mee.
Eten laten bezorgen in een restaurant, of je broodtrommel meenemen naar de boterhamwinkel. Bring your own food is een crisisbestendige manier om buiten de deur te eten.

Foto Dingena Mol

Euforisch tussen plasjes zweet

03-03-2012, Het Parool

'Als je denkt dat je flauw gaat vallen, is dat een goede reden om even te gaan zitten. Loop niet naar buiten, er is hier genoeg zuurstof,” zegt instructrice Therèse Aartsen (44). Dat valt te bezien.

De matjes van de vijftig leerlingen die vandaag op deze les Bikram Yoga zijn afgekomen, liggen hooguit twintig centimeter uit elkaar. In het zaaltje is het tropisch warm. Een essentieel onderdeel van deze tak van yoga is dat de oefeningen uitgevoerd worden in een ruimte met een temperatuur van tegen de veertig graden.

Niet iedereen houdt het vol. De jongste van de klas breekt de regel door toch de les te verlaten. Maar wanneer een collega hem achterna wil gaan, zegt Aartsen: “Laat hem maar, hij is twaalf.” Een paar anderen gaan af en toe even op hun knieën zitten. Ze zijn hier voor de eerste of tweede keer, en nog niet gewend aan de vochtige hitte waarin de yogaoefeningen worden gedaan.

Een sessie Bikram Yoga bestaat uit 26 houdingen en twee ademhalingsoefeningen. De oefeningen worden uitgevoerd in een vaste volgorde en zijn altijd dezelfde. De eerste is staand, goed voor hart en longen, aldus Aartsen. “Handen onder je kin, ellebogen omhoog, hoofd in je nek en blaas uit!” De collectieve ademtocht van de groep gaat als een windvlaag door het lokaal. Het klinkt als een zwangerschapscursus.

De hitte is een belangrijk onderdeel van Bikram Yoga: de warmte zou ervoor zorgen dat spieren verder kunnenworden opgerekt en zou blessures voorkomen. Rondom de voeten van een man in zwembroek ontstaat een plas. Niet voor niets wordt dit ook wel zweetyoga genoemd. Het weldadige gezweet heeft ook een keerzijde. Hoewel gezegdwordt dat verszweet niet stinkt, is de lucht van deze ploeterende kluwen mensen niet te harden.

Het lijkt niemand te deren. Ook uiterlijk vertoon is hier niet van belang. Iedereen gaat schaars gekleed, overhangende vetrollen zijn geen bezwaar. Tijdens de les wordt niet gepraat, alleen door Aartsen. “Toen ik zestien jaar geleden begon, was ik zo stijf als een lat,” zegt ze halverwege de les. “Ik ben blij dat ik op deze manier jong kan blijven.”

Aartsen volgde haar eerste les in de VS, waar ze werkte als massagetherapeut. “Ik had veel fysieke klachten. Van alles heb ik geprobeerd, maar niets hielp. Een vriendin raadde me om te gaan ‘bikrammen’. De eerste les viel me heel zwaar, maar voelde wel goed. Na een tijdje voelde ik me zowel fysiek als mentaal sterker worden.”

Ze ging in de leer bij Bikram Choudhury, grondlegger van deze vorm van yoga. Deze opleiding is verplicht voor iedereen die een school wil openen: Choudhury heeft het patent op de serie oefeningen.

De negen weken durende opleiding kost 6600 euro. “Al had die opleiding maar een week geduurd, dan had ik het dat geld al waard gevonden,” zegt ze. “Ik leerde veel over mezelf, het verandert je leven.”

Aartsen heeft nu twee scholen in Amsterdam, en oud-leerlingen van haar openden scholen in andere steden in Nederland. Minder dan één op de tien gaat door na de eerste les, aldus Aartsen.

“Het zijn vooral oudere mensen die terugkomen. Die hebben ook het meest te winnen: met Bikram Yoga kunje de klok terugdraaien. Jongere mensen hebben minder last van kwaaltjes, voor hen is het lijden tijdens een les vaak te veel.”

My torture chamber, noemt Choudhury zijn verwarmde yogaruimte ook wel. Negentig minuten of een leven lang lijden, is volgens hem de keuze. “De juiste manier is niet altijd de makkelijkste,” zegt Aartsen. “Je krijgt er heel veel voor terug.”

Dat vindt ook muzikant Rodrigo Reijers (36). Sinds 2007 ligt hij wekelijks op het yogamatje in Aartsens school op de Ceintuurbaan. “Vaak wordt gezegd dat Bikram Yoga niet spiritueel zou zijn. Maar ook zonder mantra’s kun je heel dicht bij jezelf komen, door de pure beoefening van de yoga. Sommigen worden er bijna high van, euforisch. Dat vind ik juist heel spiritueel.”

Er alles letterlijk uitzweten, was wat Vanessa van Ast (29) met de Bikramlessen voor ogen had. Hoewel ze nogal sceptisch tegenover yoga stond, bevielen de lessen goed. “Na twee keer voelde ik me al beter.Enik merk dat ik me de dag erna beter kan concentreren. Je leert je geest controle te hebben over je lichaam. In die zin is het spiritueel.”

Na negentig minuten lijden in de martelkamer is het tijd voor de laatste ademhalingsoefening. Met de lichten uit komen de cursisten liggend en puffend weer tot zichzelf.

Zevenhonderd scholen

De Indiër Bikram Choudhury (66) vestigde zich in de jaren zeventig in Amerika om de door hem bedachte vorm van yoga te verbreiden. Met succes. Over de hele wereld zijn inmiddels Bikram Yogascholen, meer dan zevenhonderd in totaal.

Amsterdam heeft er twee, waar dagelijks vier lessen worden gegeven.

Foto Dingena Mol

De Pool zwijgt: "Boss is there'

16-02-2012, Het Parool

Als we de PVV mogen geloven, brengen de Oost-Europeanen niets dan ellende. Op onderzoek langs een rafelrand van de stad

L angs de Osdorperweg zijn al jaren meer caravanstallingen en autosloperijen dan boerenbedrijven te vinden. En de laatste tijd heeft deze stedelijke rafelrand langs Nieuw-West, ooit een agrarische strook dicht bij de stad, een grote aantrekkingskracht op de nieuwe bevolkingsgroepen van Amsterdam. Wie een ritje maakt over de Osdorperweg en door de straten daaromheen, ziet vele auto's met Oost-Europese kentekenplaten. Hier geen NL, maar PL en BG. Het gebied lijkt het Oostblok van Amsterdam te worden.

Bij een villa op nummer 931 staan vijf Poolse auto's. 's Avonds zijn het er nog veel meer, weet een buurtbewoner te vertellen, want de Polen die de villa bevolken, zijn nu aan het werk. Zelf wil hij liever niet met zijn naam in de krant.

De villa wordt gehuurd door uitzendbureau Eurojob. Volgens de buurtbewoner woonden daar vorige zomer 32 Polen. Dit weet hij van de Poolse werknemer die hij in dienst heeft. "Ze sliepen tot op de vliering." Brandgevaarlijk, denkt hij. Hoeveel mensen nu in het pand wonen, is onbekend. "Dat wisselt."

Het huis heeft geen bel, maar na een paar keer aankloppen wordt toch opengedaan. Een Poolse man en een vrouw. Ze lijken een beetje angstig, de deur blijft half dicht. Ze werken inderdaad voor Eurojob, maar de vraag met hoeveel ze in het pand wonen, willen of mogen ze niet beantwoorden. Wel zeggen ze dat de eigenaar in het naburige huis woont. "Boss is there," wijst de Poolse.

Ook daar geen warm welkom. De eigenaar bevestigt dat hij het pand verhuurt aan Eurojob. Hij beweert geen flauw idee te hebben wie of hoeveel mensen in zijn huis wonen. "Dat regelt Eurojob. Ik krijg netjes mijn geld en verder bemoei ik me er niet mee." Maar met Eurojob is niets mis, aldus de huisbaas. "Een heel net bedrijf, dat regelmatig controles uitvoert."

Ook hij wil absoluut niet vermeld worden in de krant. Wel geeft hij graag zijn visie op het immigratieprobleem. "Je zou iets moeten schrijven over die 400.000 mensen die alleen maar de klauwen kunnen ophouden. Toen ik nog een rozenbedrijf had, kon ik ook alleen maar Polen vinden die wilden werken. Daarom komen ze hier."

Op de website van Eurojob staat te lezen dat het hun werknemers kleinschalige huisvesting biedt. Nu is dit huis is fors, maar zou zo te zien toch niet aan meer dan vijftien mensen onderdak moeten bieden.

Volgens Ronald van Adrichem, directeur van Eurojob, wonen nu zeventien Polen in het pand. "Maar het voldoet aan de wettelijke norm van twaalf vierkante meter per persoon." Hij ontkent dat er 32 mensen zouden hebben gewoond. "Onmogelijk, dan raken we onze vergunning kwijt." Van Adrichem beaamt wel dat het pand enigszins overbevolkt is. "Het is krap, maar het is in Amsterdam moeilijk geschikte huizen te vinden."

Op nummer 565 staat een vervallen, dichtgetimmerd pand. Er zouden hier onlangs nog vijftien Roemenen hebben gewoond, die overdag als straatartiest in het centrum hun geld verdienden. Een week of drie geleden zijn ze vertrokken, zegt de buurvrouw. "Het was altijd een komen en gaan van die Roemenen, maar opeens waren ze weg."

Woordvoerder Bien Seffinga van het stadsdeel bevestigt dat er te veel mensen in het huis woonden. "We hebben de eigenaar daarop aangesproken. Daarna waren ze verdwenen."

De eigenaar van een rijtje huizen op nummer 575 zegt geen Oost-Europeanen meer te willen huisvesten. Het deze week door de PVV geopende meldpunt voor klachten over Oost-Europeanen komt voor hem als geroepen, lijkt het. De Roemenen die zijn huis huurden, werden opgepakt voor pasfraude, zegt hij. Polen vindt hij asociaal: "Ik ben een tegenpool." Ook hij wil anoniem blijven.

Op een bedrijventerrein een eindje verderop zouden de ruimtes boven de loodsen illegaal worden bewoond. Voor sommige dakramen hangen gordijntjes. Er staan auto's met Bulgaarse nummerplaten geparkeerd en in een busje om de hoek zitten vijf rokende Bulgaren. "Hier is dag en nacht beweging," zegt de eerder genoemde buurtbewoner. "Ook de politie komt hier vaak."

Een medewerker van een garage op het terrein bevestigt dat er mensen wonen boven de loodsen. Maar de vraag wie daar wonen, wil hij niet beantwoorden. "Ik werk hier alleen maar. Vraag maar aan mijn baas."

De baas heeft een ander verhaal. "Die loodsen worden gehuurd door bedrijven. Er woont niemand." De eigenaar van de loodsen kan er meer over vertellen, zegt hij. Die woont op hetzelfde terrein. "Daar, met die BMW voor de deur. Maar doe wel voorzichtig." De stemming is intussen zo dreigend dat we maar niet meer aanbellen.

Het terrein is inderdaad bewoond, zegt woordvoerder Femina Hoekstra van de politie. "Maar het is niet aan ons daar iets aan te doen."

De illegale bewoning en overbevolking van panden rond de Osdorperweg zorgt niet alleen voor overlast, maar levert ook brandgevaar op, denken leden van de Dorpsraad Oud-Osdorp. Al een tijd geleden kaartten ze het probleem aan bij stadsdeel Nieuw-West. Dat stuurde slechts een bedankbriefje, met de mededeling dat het er te zijner tijd naar zou kijken.

Het stadsdeel neemt de meldingen echter wel degelijk serieus, zegt Seffinga. Ook het bedrijventerrein heeft een bezoek gehad van controleurs van de dienst wonen. Die konden toen niets vinden. Maar: het stadsdeel zal de zaak nog eens bekijken.

Overigens: niet alle meldingen blijken gevallen van illegale bewoning. "Bij één huis stonden de bewoners gewoon netjes ingeschreven."

 

Amsterdam is niet makkelijk voor Oost-Europese klusjesman

Volgens de Amsterdamse Dienst Onderzoek en Statistiek woonden eind 2011 twaalfduizend Oost-Europese EU-migranten in de stad, twee keer zoveel als de zesduizend die zich in 2007 lieten registreren. Aangezien velen zich niet inschrijven, ligt het werkelijke aantal vermoedelijk veel hoger.

Twee maanden geleden publiceerde de gemeente het onderzoek Effecten van EU-migratie naar Amsterdam. Daarin signaleren de onderzoekers problemen met vooral niet-geregistreerde Oost-Europeanen op het gebied van integratie en inburgering, criminaliteit en overlast. Ook is sprake van toenemende illegale huisvesting van Oost-Europese arbeidsmigranten.

Voor zowel de geregistreerde als de niet-ingeschreven nieuwelingen is het moeilijk een huis te vinden op de dichtgetimmerde Amsterdamse woningmarkt. De stad lijkt niet berekend op de toestroom van de Oost-Europese werkers, die daardoor in alle mogelijke vormen van illegale behuizing terechtkomen.

Zo heeft Johan Mandemaker, veiligheidscoördinator van stadsdeel Nieuw-West, de laatste jaren het aantal gevallen van illegale bewoning door Oost-Europeanen zien toenemen. "Het stadsdeel is dusdanig ingericht dat deze mensen makkelijk kunnen opgaan in de anonimiteit."

Veel Oost-Europeanen wonen in onderhuur, ook in sociale huurwoningen, zegt hij. Vaak werken deze mensen als zelfstandige, vooral in de bouw. De illegale verhuur leidt in sommige gevallen tot problemen op gebied van brandveiligheid en hygiëne. Ook is sprake van overlast door drankmisbruik. Mandemaker: "Ze zijn potentiële slachtoffers van uitbuiting. Maar doordat ze verspreid over de stad wonen, valt het niet zo op."

Ook in kraakpanden worden de laatste jaren Oost-Europeanen aangetroffen. Woningcorporatie Ymere heeft vorig jaar veel last gehad van flitskraken, zegt woordvoerder Iris Schmöhl. Velen doen een beroep op de daklozenopvang: vorig jaar was 39 procent in de winterkoudeopvang afkomstig uit Oost-Europa, tegenover 24 procent in 2010, blijkt uit cijfers van de gemeente.

Die stelt dat overigens wel dat in vergelijking met Den Haag en Rotterdam huisjesmelkpraktijken minder voorkomen in Amsterdam. Zij wijt dit aan de hoge huizenprijzen.

Maar vooral aan de rafelranden van de stad zijn woningen en bedrijfsruimtes te vinden die worden verhuurd aan Oost-Europeanen, wat in sommige gevallen neerkomt op illegale verhuur, te volle panden en criminele praktijken.

Een nog op te zetten werkgroep van de gemeente moet de illegale huisvesting gaan opsporen en aanpakken. De gemeente veronderstelt wel dat de krappe woningmarkt een rem zal vormen op de toestroom van nieuwkomers.

"Het is niet wenselijk EU-migranten een uitzonderingspositie te geven," aldus wethouder Eric van der Burg, coördinator EU-migratie in Amsterdam. Ze zullen net als andere woningzoekenden in de wachtrij moeten aansluiten.

Ook Mandemaker vindt niet dat EU-migranten voorrang zouden moeten krijgen bij het vinden van een huis. Maar, zegt hij, de gemeente moet wel uitbuiting en andere malversaties tegengaan. "Ze leven en wonen vaak onder slechte omstandigheden. Daar is nu geen zicht op."

 

Elvis, Jimi of gewoon God.

05-01-2012, Het Parool

De één verstopt zich in een vuilcontainer, op de vlucht voor een groep mensen. De ander vecht al zevenhonderd jaar in de oorlog en wil naar Berlijn om zich bij het leger te melden. Sommigen denken dat ze God zijn, of Elvis Presley.

Vele zwervers in de Amsterdamse straten zijn psychotisch of kampen met andere psychiatrische problemen. De politie vreest dat de overlast van deze groep op straat zal toenemen. Twintig tot dertig procent van het politiewerk wordt besteed aan mensen met psychische problemen, zei de nieuwe korpschef, Pieter-Jaap Aalbersberg, dinsdag in zijn eerste nieuwjaarsspeech.

En dat percentage zal volgens hem mede door de bezuinigingen op de geestelijke gezondheidszorg (ggz) toenemen. Zo komt er een eigen bijdrage van tweehonderd euro per jaar. Die eigen bijdrage geldt niet voor mensen die voor 'bemoeizorg' in aanmerking komen, zoals psychoten, verslaafden of mensen met een verstandelijke handicap wie de hulp als het ware wordt opgedrongen. Dat zijn er in Amsterdam ongeveer vijftienhonderd, van de circa tienduizend ggz-patiënten.

Het team van Mentrum Rehab ontfermt zich over mensen die hulp nodig hebben, maar die niet willen ontvangen. De klantenkring van het team is op zijn zachtst gezegd ongebruikelijk te noemen. De cliënten zijn allen dak- of thuisloos, kampen met zware psychische problemen - vaak een ernstige vorm van schizofrenie - en zitten in de meeste gevallen helemaal niet op de hulp van het team te wachten.

Kenmerkend voor patiënten met dergelijke psychiatrische stoornissen is dat ze denken dat ze geen zorg nodig hebben. Zij zijn normaal; het is de rest van de wereld die gek is, en die heeft het op hen gemunt.

Het zogenoemde bemoeizorgteam biedt deze groep psychiatrische patiënten hulp. Dit houdt in dat de hulpverleners hun klanten opsporen en actief blijven volgen, en daarbij al het mogelijke doen om de vaak psychotische daklozen zo ver te krijgen dat zij hulp aanvaarden. De zorg beperkt zich niet tot psychiatrische problemen. Ook het vinden van onderdak, een inkomen of uitkering, werk of dagbesteding rekent het Rehabteam tot zijn taken.

Charlotte van der Vring, (30), één van de sociaal-psychiatrisch verpleegkundigen van het Rehabteam, heeft net als haar twaalf collega's ongeveer dertig dak- en thuislozen onder haar hoede. In de meeste gevallen zoekt zij deze op in de opvanghuizen en sociale pensions waarmee het team samenwerkt, of gewoon op straat.

Zo ook vandaag. Op weg naar haar wekelijkse spreekuur in inloophuis De Kloof ontdekt ze de fiets van Johnny, één van haar cliënten die het meest hun best doen om zich aan hulp te onttrekken.

De fiets is een bezienswaardigheid. Alles wat Johnny bezit, is erop en eraan vastgemaakt: jassen, twee paar legerkisten, een veldfles - alles in camouflagekleuren. Dan treffen we Johnny zelf. Van der Vring vraagt hoe het met hem gaat, maar krijgt niet echt een reactie. Hij staart wat verloren voor zich uit, terwijl ze informeert hoe het is afgelopen met zijn treinkaartje naar Berlijn. Daar moest hij een paar weken geleden heen om zich bij het leger te melden. Althans, dat dacht hij. De Duitser Johnny denkt al zevenhonderd jaar in de oorlog te vechten. In 1964, tevens zijn geboortejaar, is hij zes minuten dood geweest, om te worden herboren als lid van de Militärpolizei. Maar hij is ook wel eens Johnny Cash, of Elvis Presley.

Wil hij misschien langskomen om zijn natte kleren te drogen? Of om te douchen? Van der Vring geeft het op. Johnny wil echt niets vandaag.

Onorthodoxe methoden om patiënten van straat te plukken worden niet geschuwd. Zo gaat Van der Vring soms letterlijk de bosjes in om haar patiënten op te zoeken, die bijvoorbeeld in tentjes aan de rand van de A10 slapen. "De blubber in," zegt ze. Bijna alles is geoorloofd om de psychotische daklozen tot zorg te verleiden. Tenslotte zitten ze daar helemaal niet op te wachten en dus moet er wel wat tegenover staan.

Met een sigaret, een tramkaartje, of het vooruitzicht van een uitkering probeert ze haar patiënten over te halen een keer langs te komen op de thuisbasis van het Rehabteam, in de Sarphatistraat. Hier kunnen ze terecht voor een gesprek met hun behandelaar, maar ze mogen ook komen voor een kop koffie, een douche of de lunch die elke dag door ex-daklozen wordt verzorgd. Ook de medewerkers schuiven aan bij deze lunch.

Patiënten kunnen op vele manieren worden aangemeld bij het Rehabteam. Meestal gebeurt dit door één van de vele instellingen waarmee het team samenwerkt, zoals de politie, de GGD, en de daklozenopvang en -inloophuizen. "Maar ook een burger die een zwerver in de bosjes aantreft, kan bij ons terecht," zegt Van der Vring. Zo werd Ahmed een paar maanden geleden doodsbenauwd aangetroffen in een container en aangemeld bij het Rehabteam. Inmiddels gaat het wat beter met hem. Hij woont weer bij zijn ouders en neemt medicijnen tegen de psychosen.

Van der Vring vraagt of de groep mensen het hem nog steeds zo lastig maakt. Dat blijkt het geval te zijn. "Het gaat niet zo fijn," zegt Ahmed. Hij heeft weinig vertrouwen in de medicijnen. "Ja, misschien als ik vijftien van die pillen in één keer zou nemen. Die mensen blijven; daar is nu eenmaal niets aan te doen." Van der Vring probeert hem gerust te stellen. De medicatie zal de groep mensen in elk geval aardiger maken, maar dan moet Ahmed wel de pillen blijven nemen.

De volgende op het programma is de Griek Dimitrios (38). We gaan met hem mee naar zijn bootje in West, waar hij woont. Een foto vindt Dimitrios geen probleem. Hij is vroeger zelf fotograaf geweest en hij begint uit te weiden over de gewenste sluitertijd voor de foto in het bootje. "It's very dark there, you know."

Het bootje kocht hij voor vijfhonderd euro, op afbetaling - hij krijgt geld van zijn ouders. Het ziet er vervallen uit en voordat de fotograaf erop mag, is hij druk in de weer met een hoosblik. In ruil voor de foto vraagt Dimitrios of we onderweg even kunnen stoppen bij de coffeeshop? Helaas, de joint kan hij vergeten. Hij moet het doen met een sigaret. En vijf euro.

Het Rehabteam behandelt ook onverzekerden, zoals Dimitrios. Met het openstellen van de Europese grenzen is ook het aantal patiënten van buiten Nederland toegenomen. Medicijnen krijgt het Rehabteam van apotheken en instellingen die ze over hebben, verouderde partijen bijvoorbeeld. Zo kan de Griek toch medicijnen nemen om zijn wanen en hallucinaties te onderdrukken. "Because I'm mental," zegt hij af en toe.

Ondanks zijn goede Engels is hij moeilijk te volgen. Hij springt van de hak op de tak en valt tussendoor een tijdje stil, wat kenmerkend is voor schizofrene patiënten. Dimitrios spreekt onder andere over zijn Byzantijnse afkomst en de totstandkoming van Europa en vertelt dat hij voor een meisje naar Nederland kwam. "A blonde, yes of course."

We gaan verder.

Bij een inloophuis op de Wallen zit Eddie. De bijna dove Belg is een bekendheid op de Wallen, waar hij al dertig jaar leeft. Hij is reeds anderhalf jaar bekend bij het Rehabteam, maar moeilijk te behandelen. De psychiatrische problemen waar hij van jongs af aan onder lijdt, hebben hun tol geëist in zijn hersenen, net als de alcohol. Het Leger des Heils heeft hem een plek toegewezen in een opvanghuis in Noord, en nu is het aan het Rehabteam hem daarheen te krijgen. Maar Eddie wil niet. De Wallen, daar is hij thuis. Wel belooft hij maandag op zijn afspraak te komen.

Bij het spreekuur in De Kloof komt Johnny weer ter sprake. "Meestal loopt hij boos weg als ik hem aanspreek, maar ik blijf het proberen. Laatst ben ik letterlijk achter hem aan gerend," vertelt Van der Vring. "Uiteindelijk haalde ik hem over mee naar binnen te gaan voor een kop koffie. Dat was voor het eerst in jaren. Maar een paar weken later stond hij weer buiten te schreeuwen, en ik hoor van inloophuizen dat hij daar overlast veroorzaakte."

Zijn toestand is dusdanig verslechterd dat een gedwongen opname onvermijdelijk lijkt te zijn. "Je hebt een lange adem nodig in dit vak," zegt Van der Vring, terwijl ze op haar fiets springt op weg naar de volgende afspraak. "Ik bijt me in een geval als Johnny vast en laat het niet meer los. Het zijn heel kleine stapjes waarmee je blij moet zijn. Dat ik in staat ben contact te krijgen met Johnny, is al heel wat."

Ook zij verwacht, net als korpschef Aalbersberg, dat de bezuinigingen op de geestelijke gezondheidszorg tot grotere problemen zullen leiden. Het is niet ondenkbaar dat een deel van de psychiatrische patiënten zich aan hulp zal onttrekken en op straat zal belanden. "Wellicht komen die dan bij ons terecht."

De namen van de patiënten zijn vanwege hun privacy gefingeerd.

Foto maarten bezem